Boerenerven: “Zo had ik drie teelten op ’t zelfde land. Zo zij ik begonnen.”

oral history Anton van der BorghAnton van der Borgh

Mevrouw v.d. Borgh laat mij op 12 februari 2014 aan de Vicariehof in Beneden Leeuwen binnen en ik mag plaatsnemen aan de tafel bij Anton van der Borgh (1930). Hij wil het een en ander vertellen over hoe hij opgroeide op de boerderij van zijn ouders en over het bedrijf dat hij later zelf opgezet heeft. Hij hoopt dat hij daardoor zijn kennis en ervaring als boer kan doorgeven. Hij vertelt in een mooi dialect.

“Ik ben geboren in Boven Leeuwen op 30 aug. 1930, op een kleine boerderij. Toen ik op ’n gegeven moment goed en wel kon lopen ging ik gewoon met de anderen mee en deed ik het werk ook al snel mee.
Toen ik negen jaar oud was brak de oorlog uit. Wij zijn geëvacueerd en hebben hier op de Waal in ‘t schip gezeten. Mijn vader moest – ze waren van tevoren wezen kijken en ‘t was allemaal geregeld, – zorgen dat al ’t vee wat in Maas en Waal liep, werd geëvacueerd naar Alphen aan de Maas, naar de uiterwaarden. ‘t Was de bedoeling dat, als ze daar aan kwamen, er schepen klaar lagen en dat het vee allemaal ingescheept zou worden voor Engeland. Maar toen ze met het vee aankwamen waren de boten al weg. Dat was sabotage.

Na enen dag en enen nacht zijn we ’s avonds van dat schip, ‘n kolenboot, af gegaan en naar Alphen vertrokken tot de capitulatie kwam. Mijn vader moest veur al dat vee zorgen en regelen dat het gemolken werd. Ik vraag me wel eens af hoe dat allemaal in z’n werk is gegaan  want het kan nooit dat d’r twee keer daags gemolken is toen. Die uiterwaarden liepen gewoon vol. Het was gewoon grijs van het roodbont vee.
Ik hielp ’s morgens mee melken en voeren met m’n oom, dan naar de kerk en naar school. ‘t Was alle dagen naar de katholieke kerk, dat was standaard en dan kregen we catechismusles op school.

Wij hadden een radio, die moest worden ingeleverd, maar die van mijn oom hadden we nog wel. Die werd steeds aangezet en dan kregen we Radio Oranje, weet je? Ze zeien: “Rotterdam gaat staken”, maar toen zei Radio Oranje: “dat ze gaan werken de mensen, want onze tijd is nog nìet gekomen”. Dat dorst je tegen d’n buurman nog niet te zeggen: ge vertrouwde niemand. Ik wil maar zeggen, het was zo’n spannende tijd. In Leeuwen woonde een Duitse man en die zei: “Laat de mensen aan ’t werk gaan want als ze van de Sicherheitspolizei komen dan is de ramp niet te overzien”. Die zijn toen ook gekomen en er zijn ik weet niet hoeveel mensen direct terecht gesteld en de anderen zijn naar die kampen gegaan.

Mijn vader kon het allemaal niet zo goed aan en heeft een functie gekregen op ‘n kantoor als opzichter. Hij moest de mensen gaan controleren in de uiterwaarden, of ze vee hadden en wat veur vee ze hadden en noem maar op. Als iemand moest dorsen, dan moest er altijd iemand bij zijn. Dat deden ze zo: als iemand gedorst had en ze hadden twintig zakken koren, dan mochten ze graag wat achterover drukken, die hoefden ze dan niet af te leveren. Wij gaven ze dan aan de ondergrondse.
Na de oorlog pakte je thuis alles gewoon weer op. Net of d’r niks gebeurd was. Maar ’t was een hele rotte tijd veur de mensen. Wij begrepen dat als kinderen toen nog niet.

Ieder bedrijf had vroeger een gemengd bedrijf in Maas en Waal. Dat bestond uit kippen, koeien, varkens en er waren d’r bij die ook nog een paard hadden. Er werden bieten en aardappelen verbouwd. En een echte grote moestuin hadden ze ook allemaal. Iedereen was zelfvoorzienend. In de moestuin stond sla, andijvie, spinazie en dan had je d’r spruiten in staan en kolen. Alles wat eigenlijk veur het levensonderhoud nodig was. D’r werd alle jaren geweckt, want alles wat er in de moestuin groeide, werd geweckt voor de winterdag. D’r werd alle jaren geslacht: één groot varken en één koe, pink of vaars. Ik ging nooit kijken: kon ik niet tegen. We hadden ook zo’n honderdtwintig kippen. Veur die tijd was dat aardig wat.

De koeien stonden vroeger allemaal op de grup, hè. En alle morgens werden die stallen uitgemest. De mest, die ging dan op ’n hoop en bleef ‘n jaar zitten en werd dan uitgereden en ook in de moestuin en op ’t bouwland gebruikt. Toen had je écht nog geen kunstmest en ’t groeide geweldig. Ze zeggen nu “biologisch”, maar dàt was biologisch!

’t Is zo…bij mijn moeder hadden ze, vóór die getrouwd was, ‘n gemengd bedrijf en óók nog een bedrijf waar allemaal hoogstamfruitbomen stonden, maar van huis uit waren ze eigenlijk klompenmaker. Daar zijn ze de eerste bespuitingen uit komen voeren met een rugspuit. Die bomen werden in de winterdag gespoten. Dat was de eerste spuiting die in Leeuwen werd uitgevoerd. Bij mijn vader waren ze alleen boer en klompenmaker, dus ze hadden geen hoogstamfruit. Ik weet niet hoeveel klompenmakers dat er in Maas en Waal waren. Ja, ontzettend veul, want bij ons in de straat zaten er toen al vier en dat was allemaal met peppelenhout (populierenhout, red.) en wilgen. Wilgen waren duurder; dat kwam allemaal uit de omgeving.

Seizoenwerkers, ….. heel vroeger werd alles met de zeis gemaaid en later kwamen de loonwerkers met die machines met paarden. Alle jaren werden percelen hooi verpacht en dat was meestal uiterwaardenhooi. Dat was veul beter als dat uit de polder, echt waar. Iedereen had een schuur staan of een hooimijt. Daar ging dat hooi op en dat werd allemaal los op de wagens geladen en dan in de winterdag weer naar binnen gehaald.
De eerste landbouwmachines zijn gekomen, ik denk zo’n beetje in de jaren ’50, ’60. Wij lieten altijd d‘n boomgaard spuiten met ’n sproeimachine en toen hebben we kort daarop – en er waren er nog maar een paar in Leeuwen – ‘n trekkerke gekocht: een Ferguson, een 28 pk. Daar gingen we mee hooien, mee melken en alles. We hadden toen een bedrijf van ongeveer acht hectare in totaal met weiland en bouwland, alles bij elkaar: gedeeltelijk eigendom en gedeeltelijk gepacht.

Toen had je overal op ieder dorp ’n Boerenbond zitten en bijna iedereen was ook lid van de Boerenbond. Je had veul meer communicatie als dat er nou is: nou is het ieder voor zich. Het  was toen veel beter, absoluut, wat betreft die communicatie en mekaar helpen als ’t nodig was: die moest nog gauw wat gehooid hebben en die moest nog wat bieten gereden hebben. We holpen mekaar veel meer als dat ge nou doet.

Bij iedere boerderij lag ook een boomgaardje en op een gegeven moment had ik meer interesse in dat fruit als in dat vee. Om een voorbeeld te geven, de buurman die had al krozen staan. Dat is een soort pruim. Die werden geplukt en die gingen dan vroeger naar Engeland toe in ronde bussels van teenhout van vijf of tien kilo.
Die krooien vielen d’r af op en het jaar daarna komen die pitten dan uit en dìe ging ik planten. Zo zij ik eigenlijk in de fruitteelt begonnen. Daar zette ik later pruimen op: enten, oculeren. Nou bleek dat als je daar pruimen op zette, dat die nooit geen luis krijgen. Een heel geschikte onderstam voor pruimen. Het beste wat je kunt hebben. Daar ben ik in doorgegaan.
In 1926 is hier watersnood geweest en toen is op zeker moment de dijk doorgeschoten. De takken van de fruitbomen scheurden in en dan ging dat daar lekken en kreeg je allemaal rotplekken in die stam. Die plekken heb ik nog wel eens behandeld met cement: dat het water d’r af liep en niet naar binnen.

Met vader samen hadden we dertig hectare uiteindelijk. We hebben ’t eerst ‘n jaar of zes alleen gedaan en toen is mijn broer er bij gekomen en hebben we dat geleidelijk aan uitgebreid. Alle pachtgrond die hij had, heeft hij ook  ingebracht tot het bedrijf uitgegroeid was naar dertig hectare.

Toen ik zo’n beetje 24 was, zij ik begonnen, in 1962. Ik kreeg van mijn vader een hectare op naam en daar heb ik een huis op gebouwd, aan de Veesteeg in Beneden Leeuwen. Mijn vrouw en ik zijn het jaar daarop getrouwd. Daar had ik staan: eerst pruimen, daar bessen onder en daaronder weer aardbeien: zo had ik drie teelten op ’t zelfde land. Ik heb ook in de landelijke commissie gezeten van houtig klein fruit.
We hebben daar drie jaar gezeten zonder elektriciteit met alleen maar gaslicht. De elektriciteit hebben we zelf aan moeten schaffen. We zijn gestopt in 1996, want toen is mijn dochter erin gekomen.

We hadden hier de veiling Tiel en omstreken; dat was ’n coöperatie. Daar ging vroeger alles met kar en paard, vrachtwagens, vrachtrijders met paard en wagen met de pont over naar Tiel toe. Als de Waal laag was en de vervoerders kwamen, dan gingen ze vaak met twee wagens tegelijk naar Tiel toe. Dan werd uit de ene wagen het paard ervoor weggehaald en werd bij de tweede gezet. Zo konden ze de wagen met de pont naar de andere kant brengen. Daarna werden de twee paarden weer uitgespannen om die andere wagen op te halen en dan gingen ze zo weer naar Tiel om het fruit naar de veiling te brengen.
Bij een nieuwe veiling in Ochten heb ik voorgesteld een voorgekoelde ruimte te maken, waarin ze het product, waarmee ze op de veiling kwamen, konden zetten. Dat was de éérste voorgekoelde ruimte in Nederland! Bleven de producten ook verser. Ik zij ook veurzitter geweest van de teeltvereniging van Ochten.

8 juni ’96 hebben we die hagel gehad. Dat kwam door de kaliwalen. Een kaliwaal is een  ontzandingsplas, die zo’n dertig meter diep is. Als het heet weer is, dan is de temperatuur onderin dat water heel anders als boven. Daardoor kunnen ter plaatse buien ontstaan. Ik heb het meegemaakt dat ik er bij één in de buurt was en dat de boel blank stond, terwijl het op het bedrijf geen pit geregend had. Maar 8 juni ’96 kwam de hagel en lagen de kraaien en de spreeuwen dood in d’n boogerd. Dat wil je toch niet geloven! De peren kregen allemaal perenvuur, de jonge aanplant hebben we moeten rooien, want al het eenjarig hout was deurgeslagen. Het was geen gewone ronde hagel: ’t waren allemaal schijfjes hagel.

Midden zestiger jaren kwamen de eerste mensen spullen aan huis verkopen. Van de Telegraaf waren ze op bezoek geweest door Nederland en hadden ze de beste verkoopruimte gezien die ruim gesorteerd was… in Leeuwen! En dat waren wij dan! Want toen deden we ook nog aan huisverkoop. Dat was vroeger helemaal niet gebruikelijk, al leverden we ook aan winkels. Je had twee winkels in Nijmegen en die kregen op een gegeven moment van de keten, waar ze zetbaas van waren, opdracht: ze moesten à la minute vijfentwintigduizend gulden betalen of stoppen met zelf inkopen. Die mochten zelf géén van allen ergens anders inkopen. En zo zit het nou ten heden dage nog.”

Anton van der Borgh is op 27 maart 2014 overleden.

Kijk ook eens op: