Leven met Water: “We misten vorige week een theedoek!”

Wil Gieteling – Onderstal (geb. 1933)

Mevrouw Wil Gieteling (18-07-1933) woont momenteel in Dieren. Ze is een vitale en modieus geklede dame en kan nog veel herinneringen ophalen aan de tijd tussen 1950 en 1990. De tijd dat zij samen met haar man en zwager de leiding had in Wasserij de Waterval. Aan haar fraai gestreken blouse is te zien dat ze haar beroepseer nog steeds hoog houdt. Ze heeft plakboeken vol foto’s en herinneringen aan de wasserij en wil er graag over vertellen. Onderstaand verhaal is opgetekend uit haar mond.

verhaal Elly Holthausen, beeld Jan van de Lagemaat

“Ik ben afkomstig uit Rotterdam en eind jaren veertig kreeg ik verkering in Laag Soeren met Gerrit Gieteling. Zijn ouders waren eigenaar van Wasserij de Waterval. Ze hadden deze wasserij in 1949 aangekocht. Daarvoor waren ze al pachters van de wasserij. In 1952 zijn we getrouwd maar minstens een jaar van te voren kwam ik al naar Laag Soeren om ingewerkt te worden. Het was de bedoeling dat ik alle werkzaamheden zou leren om later te kunnen inspringen waar het maar nodig was.

Oude prentbriefkaart uit de dertiger jaren

De wasserij was gelegen aan de Soerense Beek in Laag Soeren vlak bij de waterval, waar de wasserij haar naam aan dankte. Het waterrad van de oude molen is afgebroken, maar de waterval is er nu nog en is in 2008 gerestaureerd. Toen ik voor het eerst in de wasserij kwam vond ik het er wel indrukwekkend uitzien. Er stonden drie enorme wasmachines met grote motoren aan de zijkant. Dan drie centrifuges die met netten nat wasgoed gevuld moesten worden. Er waren twee verwarmde mangels, daar werd het wasgoed in gestreken, ja, het werd gemangeld maar in de volksmond was dat strijken. Er was een inpandig ketelhuis met een grote stoomketel. Die verwarmde de wasmachines, persen en mangels. De stoomketel werd tot midden jaren zestig gestookt met kolen en hout. Naast ons was een houtzagerij (later houthandel Hupkes). Zij hadden houtafval en wij konden dat goed gebruiken dus er werd een pijpleiding aangelegd van de zagerij over de Bovenbeek heen naar het ketelhuis. Later kwam er een combi ketel met twee branders voor olie en gas.

We verwerkten in die tijd, begin jaren vijftig, vier ton wasgoed per week. Dat vonden we toen al heel veel maar toen we er mee stopten in de jaren tachtig verwerkten we vijfentwintig ton per week.

Gerrit Gieteling

Bij binnenkomst moest het wasgoed natuurlijk eerst gemerkt worden, want de was van de verschillende klanten ging bij elkaar in de machines. Dat merken ging in het begin nog met de hand. We hadden een pen met onuitwisbare inkt. Je deed dan een stukje stof van een hemdje of de zoom van een laken om je vinger en schreef er een nummer op. Elke klant had een eigen nummer.

Er mocht natuurlijk geen wasgoed kwijt raken want dan had je boze klanten en we waren zuinig op onze klanten. Het kon wel eens gebeuren dat, wanneer een week later de wasmand terug kwam van een klant , er een kaartje in zat met de tekst: “we misten vorige week een theedoek”. Deze theedoek was dan niet zoekgeraakt maar was bijvoorbeeld op de grond gevallen en moest dan opnieuw gewassen worden. Die ging dan een week later terug naar de klant. Dat hield ik heel goed bij want er waren natuurlijk ook altijd mensen, ha ha … die regelmatig meenden iets kwijt te zijn.

Mocht het toch gebeuren dat er echt iets was zoekgeraakt dan werd dat natuurlijk vergoed.

Na het merken werd de was gesorteerd in wit en bont en dan ging het in de machines. De witte was werd op behoorlijk hoge temperaturen gewassen, wel op 80/90 graden. Met Persil en een scheut bleekwater. Ja, de was kwam er echt goed wit uit. In de jaren veertig werd de was ook nog wel achterin de wei gelegd, op de bleekwei. Maar toen ik kwam, werd dat al niet meer gedaan.

Na het wassen gingen de lakens, handdoeken en theedoeken door de verwarmde mangels. Het ondergoed en de handdoeken werden gedroogd in tumblers. De slagersjassen, verpleegstersschorten en overhemden werden gedeeltelijk geperst en handmatig bijgestreken.

Aan het werk in de wasserij

Begin jaren vijftig hadden we veel particuliere klanten. Er waren toen nog niet veel mensen die een wasmachine hadden. We hadden klanten over een heel groot gebied. We kwamen tot aan Nijmegen en ’s-Heerenberg. Op de vrachtwagen reed een chauffeur met een bijrijder. We hadden veel boeren als klant. Ze hadden het druk op het land en deden de was de deur uit. In grote rieten manden kwam het wasgoed binnen. De boeren droegen in die tijd nog van die lekkere warme wollen borstrokken. Die moesten natuurlijk apart

Bestelauto uit de jaren 50 van de twintigste eeuw

worden gewassen en werden gedroogd op de droogzolder.

In de jaren zestig raakte de wasmachine langzaam ingeburgerd bij particulieren en verloren we klanten. We hadden een groot werkgebied dus moesten we toen sommige ritten inkorten omdat ze niet meer rendabel waren. In diezelfde tijd echter kwam ook het toerisme op gang en kwamen er hotels, pensions en ook

Wil Gieteling bij de waterval

restaurants, want de mensen gingen meer uit eten.

Eén van mijn taken in de wasserij was ook dat, als er een nieuw restaurant geopend werd in de buurt, ik daar op afstapte en eens een kopje koffie ging drinken en dan kon het zo maar gebeuren dat we er weer een nieuwe klant bij hadden. In de jaren zestig kwamen ook de bejaardenoorden, daar ging ik natuurlijk ook achteraan. Het was dus eigenlijk zo dat we particuliere klanten verloren maar daarvoor in de plaats kwamen grotere klanten. Ik kan me niet herinneren dat we daarover veel zorgen gehad hebben en we hebben ook niet heel veel reclame hoeven maken. Het liep eigenlijk automatisch in elkaar over. Er was wel sprake van mond tot mond reclame. We hadden bijvoorbeeld een particuliere klant in Ellecom. Ze tipte ons over een ziekenhuis in Emmen, dat op zoek was naar een wasserij. Daar hebben mijn man en ik toen werk van gemaakt en toen hadden we onze eerste echt grote klant binnen. Later kwamen daar nog meer ziekenhuizen en verpleeghuizen bij.

Het personeel kwam, net zoals de klanten vaak via mond tot mond bij ons. Ze kwamen uit Dieren, Leuvenheim of Brummen. Een werkneemster had nog een nicht of een buurvrouw en bracht die dan mee. Soms ook mensen uit één gezin. We waren eens op een feestje bij een gezin waarvan twee zoons bij ons in dienst waren, toen een jonger broertje tegen me zei: “as ik later groot bun, kom ik bie ow werken”, en dat is ook gebeurd. Hij is van de lagere school af gekomen en bij ons komen werken. Dat was in de vijftiger jaren. In de meeste huizen was nog geen douche. Het kon dus wel eens gebeuren dat de jongens niet zo fris roken. Ik heb toen met ze afgesproken dat ze op zaterdagmorgen na werktijd (er werd tot begin jaren zestig nog op zaterdagmorgen gewerkt) zich bij ons konden wassen. Het warme water dat nog in de wasmachine stond werd dan in teilen gegoten en dan konden ze zich wassen. Ik heb zelfs wel eens hun haren geknipt, want dat deed hun vader altijd en daar waren ze niet zo tevreden over. Ze gingen dan zaterdagmiddag met een fris gezicht het weekend in.

Sommige mensen keken een beetje neer op het werken in de wasserij. Ze dachten dat het vies en zwaar werk was, maar dat was toch een verkeerde indruk. De meisjes leerden er ook veel. Ze leerden hoe een overhemd en andere kleding goed gestreken moest worden. Ze waren kwaliteit gewend zodat in hun eigen huishouding het wasgoed ook netjes in de kast kwam. We hadden voor het merendeel vrouwen in dienst, maar ook enkele mannen. Die stonden vooral bij de wasmachines want die moesten handmatig geladen worden en dat was zwaar werk vooral als het wasgoed er nat weer uit kwam. De chauffeurs waren ook mannen. Achter de mangels stonden vrouwen, aan de ene kant om het wasgoed er in te doen en aan de andere kant om de was op te vouwen.

In de loop der tijd veranderde er natuurlijk van alles in de wasserij. Mijn man en ik bezochten beurzen en daar zag je dan machines die het proces veel rendabeler konden maken. Wij wilden vooruit. Mijn man en zijn broer deden dan een voorstel naar pa en die moest dan beslissen of het financieel haalbaar was. Dat ging wel eens ten koste van het personeel maar een wasserij blijft toch altijd een bedrijf waar veel handmatig moet gebeuren. In al die tijd dat ik in de zaak werkte hebben we gemiddeld een personeelssterkte van ongeveer 25 mensen gehad.

Bij het bedienen van de grote machines moesten de werknemers wel goed opletten tijdens het werk. Lang haar moesten worden opgebonden want als je je bukte moest het natuurlijk niet vast komen te zitten. Dat was een ongeluk dat nog wel eens voor kwam in wasserijen. We hebben zelf in de wasserij helaas één keer met een ernstig ongeval te maken gehad. Het gebeurde bij een werknemer die bij de centrifuges stond. Het natte wasgoed, dat uit de wasmachines kwam, ging dan in netten naar de centrifuge. De netten moesten goed verdeeld worden zodat de centrifuge evenwichtig geladen was en goed kon werken. De werknemer die dat deed was waarschijnlijk even afgeleid en zat met zijn arm in de centrifuge toen die op toeren kwam en is toen met zijn arm vast komen te zitten. Dat was een vreselijk ongeluk. Een medewerkster die het zag heeft toen, heel adequaat, zijn arm afgebonden met lakens zodat het bloeden zo veel mogelijk beperkt werd, maar zijn arm kon niet meer gered worden. Hij moest verder leven met een prothese. Gelukkig kon hij er, na verloop van tijd, fantastisch mee omgaan en kon hij bij ons in dienst blijven. Hij is later chauffeur geworden. De vrachtauto is aangepast voor hem middels een knop op het stuur en hij kon ondanks zijn prothese steeds meer. In het begin had hij nog een bijrijder voor hulp met de wasmanden maar zelfs dat was later niet meer nodig.

We gebruikten het water uit de Soerense Beek als waswater. Dat komt uit de sprengen in het bos en is heel schoon water. De waterval stroomt altijd maar door, nu ook nog en daar werd dan een gedeelte van afgetapt. Het gebruikte water werd vroeger ook in de beek geloosd. Je kon altijd sop op de beek zien drijven. Dat was tot begin jaren zestig, toen kwam er riolering en moest het water daarin worden afgevoerd. Tot die tijd heeft het nooit iemand gestoord, zelfs de vissen niet. In de Soerense Beek zat veel vis, er werd gevist met schepnetjes. In de Bovenbeek zat paling en daar werd ’s nachts veel gestroopt met lichtbakken. Wij woonden met mijn schoonouders vlakbij de Bovenbeek. Mijn schoonmoeder hield niet van palingstropers en zodra ze het merkte, riep ze uit het slaapkamerraam:”ga weg of ik schiet”. Ze had inderdaad een buks maar ze heeft natuurlijk nooit geschoten.”

Kijk ook eens op: