Leven met Water: “We konden de Slinge niet missen!”

Dhr. Simmelink (Geb. 1930)

Het is in de tweede week van januari 2018 dat ik de heer G.W. Simmelink interview. Buiten is het waterkoud, binnen lekker warm. De heer Simmelink is geboren en getogen vlakbij de Slingebeek op het adres Brinkheurne 1, later vernummerd in Kottenseweg 116/118, Winterswijk. Als ik de heer Simmelink vraag naar wat de Slinge voor zijn jeugd en het boerenbedrijf heeft betekend en naar wat hij nog weet van de overstroming in 1946, komen zijn herinneringen als vanzelf naar boven. De heer Simmelink is ten tijde van het interview 87 jaar.

Verhaal Henk Bengevoord, beeld Wim te Selle (behalve indien anders vermeld)

“Ik ben in 1930 geboren op de boerderij Olde Buskers vlakbij de Slingebeek en het Buskersbos. Voor mijn gevoel ben ik bijna in het Buskersbos geboren. Als kind speelde ik samen met mijn broers en de buurkinderen bijna iedere dag in het Buskersbos. Ik kijk er heel mooi op terug. In de winter gingen we wildsporen. We zochten dan naar pootafdukken van konijnen. In het voorjaar zochten we naar eieren van eksters en houtduiven. Als we eieren vonden, dan namen we deze mee naar huis en mijn moeder bakte daar eierpannenkoeken van. Die waren toch lekker! In de zomer gingen we ook wel vissen. We vroegen dan aan moeder naaigaren en een knopspeld. Daar maakten we een haak van. We visten dan op grondels, later toen we groot werden ook op baarzen. De broek opstropen en de beek in! Baarzen vangen deden we met een emmer waar de bodem uitgeslagen was. De bodem hadden we vervangen door gaas. De baarzen zaten verscholen in de kribben van de beek. Als je een baars zag, dan hield je voorzichtig de emmer voor de krib en met een snelle beweging probeerde je de baars te vangen. Als het lukte, hadden we ’s-avonds vis in de pan.

In de zomer moesten mijn broers en ik mijn vader helpen met hooien en met het hooi naar de zolder brengen. Balen waren er toen nog niet, alleen los hooi. Vader zei dan altijd: “Goed vasttrappen, tegen de pannen aan!” Anders konden we het hooi niet bergen. Het was op zolder vaak gloeiend heet. Aan het eind van de middag gingen we ons dan wassen in de beek. Ik heb daar ook zwemmen en schaatsen geleerd. Mijn broer is een keer bij het schaatsen gevallen op de gracht bij onze buren. Zijn beide voortanden zijn toen afgebroken. Hij kreeg een plaatje met twee tanden er aan. Toen hij die zomer daarop in de Slinge dook, was hij plotseling zijn plaatje kwijt. Wij zoeken, maar het water werd troebel en we konden het plaatje niet vinden. We hebben een briefje aan de boom gehangen met het verzoek of de eerlijke vinder het plaatje bij ons thuis wilde afleveren. Een week later brachten een paar mensen het plaatje weer terug. Mijn broer heeft het weer ingedaan en het plaatje is zelfs nog mee naar Indië geweest.

Groenlosche Slinge Hoogwater
De Slinge bij hoogwater

Voor de boerderij was de beek van groot belang, we konden de Slinge niet missen. De boerderij lag op een grote leemlaag van meters dik en de leem lag hoog. Het water drong maar heel moeilijk door de leem heen. Bij de boerderij stond een waterput, maar niet op een wel. In de zomer zat er vaak geen water in. We vulden dan de put met water uit de Slinge. Onze buurman, Nijenhuis, heeft er voor gezorgd dat wij van Natuurmonumenten water uit de Slinge mochten halen. Er is een verlaging gemaakt bij de Slinge zodat wij met de gierkar bij de beek konden komen. Met de aalschep (een emmer met een lange houten steel) werd dan de gierkar van 600 liter vol geschept, dat was zo’n 150 keer heen en weer met de aalschep. Het was dan voor ons als jongens een sport om de gierkar te vullen zonder één keer te stoppen. Het paard trok de gierkar weer naar boven en dan werd de waterput gevuld. Het was zwaar werk. In de winter moest ik soms eerst met een bijl het ijs op de beek stuk slaan. En als de kraan van de gierkar bevroren was, stond mijn oma met een ketel heet water bij de put om de kraan van de gierkar te ontdooien.
In de zomer van 1959, ik was toen 29 jaar, stond de put ook droog. Ik ben toen naar beneden gegaan om de put schoon te maken. De put was negeneneenhalve meter diep. Emmers werden naar beneden gelaten en daarmee heb ik de modder uit de put geschept. Toen ik beneden in de put stond, zag ik hoe de put was gebouwd. Onderop was een grote houten ring en daarop is de put met stenen opgemetseld. Onderin de put zat tussen de stenen turf en mos. Toen de put schoon was zag ik onderin nog een gaatje. Ik kon nog anderhalve meter met de bonenstaak in dat gaatje komen, maar er kwam geen water! Bij het bouwen van de put hebben ze kennelijk nog geprobeerd dieper te boren om op een grindlaag, een waterader, te komen. Misschien dat er vroeger ook wel een wichelroedeloper bij is geweest, maar dat ging ook wel eens mis.
Wij kregen tamelijk laat waterleiding, ik weet niet meer precies wanneer. Maar tot die tijd haalden we drinkwater voor de huishouding bij onze buurman, Van Eerden, met een veertig liter melkbus.

Tekening scherpen van een zeis, (door dhr Simmelink).

Om wateroverlast tegen te gaan, moesten we ieder najaar de sloten schoonmaken. Het onderhoud van de hoofdafvoersloten deed het Waterschap zelf, de andere sloten moesten wij doen. In het najaar maaiden wij de taluds. Ik heb dat altijd graag gedaan. Je moet er slag van hebben en de zeis moet goed scherp zijn: “Aj oe lichaam wilt waarn, dan moj de zeise goad haarn”. Dat wil zoveel zeggen als, als je je lichaam wilt sparen, dan moet je de zeis goed scherp maken. Met de hamer moest je het ijzer pletten en dan zorgen dat, zo zeiden wij, er geen titje aan kwam. Precies werk! Als je te hard met de hamer sloeg, dan kreeg je er een tand aan, en dat mocht niet. De zeis was dan wel scherp maar trok niet lekker door het gras. Het moest zo scherp zijn als een scheermes van vroeger. En dan ’s morgens vroeg op om te maaien! Als de dauw van het gras was, moest je veel harder trekken. Tegenwoordig wordt er veel eerder in het jaar gemaaid. Ik vind dat jammer, de planten kunnen zich geen zaad meer vormen. Je ziet het ook in de bermen. Zo is de koekoeksbloem al bijna verdwenen.

Wat ik al zei, de leemlaag zit hier erg hoog. Dat merkten we ook met het zetten van rasterpalen. Je kwam zo’n veertig centimeter de grond in, de teellaag, en dan stak je de schop in de blauwe leem. Die leem kreeg je bijna niet van de schop af. Mijn oma heeft eerder gezegd dat vroeger bij onze boerderij een steen- of pannenfabriek heeft gestaan. Daar werd in de familie altijd een beetje lacherig over gedaan, maar ze zou best eens gelijk gehad kunnen hebben. In de oorlog moesten wij van de Duitsers tarwe verbouwen op een stuk grond dat altijd grasland was geweest. Bij het omploegen kwamen er toen allemaal brokken baksteen naar boven. En toen we later op dat stuk aardappels verbouwden, kwamen er bij het rooien net zo veel stukken baksteen als aardappels naar boven.

De oorlog heeft ook nog wel gevolgen voor de Slinge gehad. De Duitsers hebben vlak voor de bevrijding van Winterswijk de bruggen over de Slinge in de Kottenseweg en de Borkense Baan opgeblazen. Ook zijn toen veel bomen langs de Kottenseweg omgegaan. Wij hadden een stenen silokuil om gras of bietenloof in te kuilen, een meter diep en zo’n drie meter doorsnee. Daar hebben we in de oorlog stammen van elzen overheen gelegd, daarop takkenbossen en daarop zand. Dat was onze schuilkelder en daar zijn wij op 30 maart 1945 ’s avonds ingekropen. Stro er in, water er in, en kuch (Red.: bruin brood). We hadden inkwartiering gehad van de Duitsers en de kuch hadden ze bij hun vertrek achtergelaten. Om vijf uur ’s morgens komt een Duitser bij ons en die zegt: “Jetz geht’s los”. “Wass geht los?” vroeg mijn vader. “Die Brücken werden gesprengt”. Even later hoorden we de dat de bruggen in de Kottenseweg en de spoorbaan werden opgeblazen. De Duitser was meteen weer weg, paniek! De geallieerden waren al dichtbij! Dat was voor ons de bevrijding, we kwamen uit onze schuilkelder en ’s morgens om tien uur hadden we de geallieerden in de wei bij de boerderij staan. Daar liepen wij als snuiters van veertien, vijftien jaar tussen. We kregen chocolade, ik zal het nooit vergeten.

Buskersbos waar de Slinge in 1946 over de dijk stroomde.

De bruggen over de Slinge zijn vrij snel daarna door de geallieerden weer opgebouwd, wanneer precies dat weet ik niet meer. Het waren baileybruggen, die werden in een dag gebouwd. Ook bij de Borkense Baan kwam een baileybrug, maar de waterdoorgang was wat kleiner geworden. In de winter van 1945/46 bevroor de Slinge. Duitsland was al begonnen met het kanaliseren van de Slinge. Toen het begon te dooien brak het ijs op de Slinge en zette zich vast voor de doorgang onder de brug over bij de Borkense Baan. Vanuit Duitsland kwam het water snel naar Nederland en de kronkels in de beek en de schotsen voor de brug bij de Borkense baan hielden het water op. In de nacht van 8 op 9 februari 1946 is de beek er uitgeschoven. Volgens mij was de overstroming een gevolg van een combinatie van veel regenval, veel toevoer van water uit Duitsland, ijs in de beek en een vernauwde doorgang onder de brug. Het water bulderde het Buskersbos in, ging de Kottenseweg over en kwam in de Whemerbeek en overstroomde een groot deel van het centrum van Winterswijk. Ik herinner mij nog dat ik op de Kottenseweg liep. Ik kon er nog net lopen met de klompen aan, er stond drie of vier centimeter water. Wat nu plan Eelink is, stond helemaal onder water. Onze boerderij stond hoog genoeg en bleef droog, maar onze buren van ‘t Zonnehuis zijn met een bootje uit huis gehaald. Bij de boerderij Te Voortwis aan de Kottenseweg, ik heb het met eigen ogen gezien, daar stond het water tot aan de rand van de voerbak van de koeien. Ik kon daar nog net overheen lopen. Het hele huis stond onder water, de koeien stonden op stal en de grup zat vol mest. Ze hadden daar een diepe kelder met vers geslacht vlees en weckflessen. In het hele huis dreef een dikke laag van slijk en mest. Die mensen hebben er ontzettend schade aan gehad.
In de nacht dat de Slingebeek overstroomde, is de oma van de buren overleden. Ze kon niet met een gewone auto begraven worden. Onze buurman Nijenhuis had van de geallieerden een dumpauto, een GMC, gekocht. De auto stond hoog op de wielen. Met die auto is de oma van de buren begraven. Ik weet nog dat mijn vader zei dat de wielen van de auto bij de Zonnebrinkkerk van de grond kwamen, zo hoog was het water daar. Een eind verder, bij “t Manschot, was het water lager en reed de auto weer normaal. De dominee was vanwege de hele toestand verhinderd en mijn vader werd verzocht een stichtelijk woordje te spreken op het kerkhof. Het heeft mij altijd goed gedaan dat de buurlui later zeiden: “Wat hef oe vader dat toch mooi edaone”.
Binnen een week begon het water weer te zakken. Het was een hele toestand, maar als je het vergelijkt met de ramp in ‘53 in Zeeland, dan is het niet te vergelijken.

Langs de oever van de beek lag altijd al een kade. De heel vroegere boeren hadden die al aangelegd om te voorkomen dat de beek er elke keer maar uitkwam. In de jaren zestig heeft de Dienst Uitvoering Werken van de Heidemaatschappij een nieuwe dijk aangelegd. De grond voor de dijk is afgegraven van een grote es bij onze buurman Wassink. Er is hiervoor een tijdelijk spoorlijntje aangelegd, dwars over de Kottenseweg en achter ons huis langs. Er reed een dieseltje met kiepkarretjes voor de aanvoer van zand. Aan de binnenkant van de dijk, de Slingebeekkant, is klei aangebracht zodat de dijk niet direct zou uitspoelen. In 1971 hebben ze de dijk al weer verhoogd, de verse grond was ingezakt. De dijk heeft al diverse keren zijn nut bewezen. Ik weet ook wel dat mijn vader bij hoog water ‘s nachts bij de dijk heeft gewaakt. Maar de beek, de beek is er nooit meer uitgekomen.”

 

 

 

 

Kijk ook eens op: