Leven met Water: “Water was altijd onze bron van inkomsten.”

Herman Geurts (Geb. 1942)

Herman woont achter de voormalige wasserij ‘de Spreng’ in Ugchelen. Binnenkort gaat hij kleiner wonen, heeft hij laten weten. Via het private landweggetje passeer ik een beek, zie rechts een vistrap en hoor het geruis van stromend water. De trap is aangelegd om de beekprik de mogelijkheid te bieden een weg hogerop te vinden. Over zijn terrein stromen de Schoolbeek en de Ugchelse beek. Herman vertelt over de opkomst en teloorgang van de wasserijen rond Ugchelen. Hij is voorzitter van De Commissie Water in de Dorpsraad en van de Stichting Vrienden van de Hamermolen en zet zich in voor het behoud van beken en sprengen in Ugchelen.

Verhaal Eefje Huisman, beeld Jan van de Lagemaat.

“Ik ben afkomstig uit een blekersgeslacht. Mijn overgrootvaders van beide kanten zijn begonnen op een voormalige watermolen. De een op de “Klarenbeek” wat nu de “Veldekster” is en de ander op de “Tiemensmolen” op de Eendracht in Apeldoorn. Die wasserijen waren hier vanwege ons goeie waswater. Ecologisch gezien het hoogst aangeschreven (HEN) water. Vroeger was er papierindustrie. Tijdens een crisis eind negentiende eeuw is het wasindustrie geworden. De papiermolens konden makkelijk overgaan op een wasserij omdat het ongeveer hetzelfde systeem was.

Sprengkop in het bos

Water was altijd onze bron van inkomsten. De wasserijen hadden de beken en sprengen in eigendom. Deze werden gevoed door de sprengkoppen in het bos. De beekwallen moesten ook in eigendom zijn; daar konden de wasbazen de rommel uit de beek op gooien. Als klein kind ging ik al met mijn vader en grootvader de sprengen in om ze schoon te houden. We hadden het hele jaar door wel een beekruimer in dienst die de beken ruimde. Hij werd betaald door de wasbazen. Toen dat beroep ten einde liep zijn de beken verwaarloosd. Eind jaren zestig werd de A1 aangelegd en zijn de leemschotten waarschijnlijk doorgestoken. Bovendien hadden we in de jaren zeventig een paar hele droge zomers. Daardoor hebben deze beken enige jaren helemaal droog gestaan. Nadat de koppen en beken zijn opgeschoond en hersteld zijn ze toch weer water gaan geven.

We zitten hier tussen de Schoolbeek en de Ugchelse Beek in. De Ugchelse Beek wordt gevoed door de Koppelsprengen en de Schoolbeek door de Geurtssprengen. De Koppelsprengen hebben veel redolm, daar zit ijzer in, dat rooie spul. Dat water is minder goed te gebruiken voor de wasindustrie, het geeft een heel slechte tint. Wit wasgoed voor de horeca moet er natuurlijk helder uit zien maar dan wordt het grijs. Met oxaalzuur moet je het dan weer ontkleuren. De Geurtssprengen hebben zachter water. Uit de bovenbeek werd het schone water gehaald en op de onderbeek werd het vuile water geloosd. Ik weet nog als kind, dat het water blauw was als ik ’s middags uit school kwam. Dat werd geloosd door de wasserij vooraan. Vanaf 1965 moest al het vuile water geloosd worden op het riool.

De Hamermolen

Mijn verre voorouders waren ooit eigenaar van de Hamermolen. Overgrootvader werkte als jonge man in een wasserijtje in Hoorn, werd verliefd en kreeg een dochter. Ze trouwden naderhand en zijn op de Veldekster begonnen. Deze dochter is met Jan van Houtum, een bekende papierfabrikant, getrouwd. Broers en zusters uit dat grote gezin trouwden met andere blekers of papierfabrikanten. Ik denk dat het geld in die families bij elkaar moest blijven. Of er liefde was…..?
Mijn opa moest als jong ventje al mee naar Arnhem. Met paard en wagen gingen ze ‘s avonds om een uur of vijf de berg op, aten en rustten bij de Woeste Hoeve. De volgende morgen vroeg kwamen ze in Arnhem aan. De paarden werden in de stalhouderij gestald. Met de handkar gingen ze langs al die grote huizen, schone was afleveren en de vuile was weer meenemen. ’s Avonds dezelfde weg weer terug waar ze de volgende morgen vroeg in Ugchelen aankwamen. Opa was van 1897, trouwde ook een blekersdochter en is in Apeldoorn begonnen met een wasserij. Tot na de oorlog, toen zijn ze veel kwijtgeraakt en is mijn grootmoeder met een fijn-strijkerij begonnen. Ze was gespecialiseerd in losse boorden en kragen, die werden gesteven en geglansd. Dat werd door de wasserijen in Apeldoorn uitbesteed aan grootmoeder. Vroeger hadden ze van die katoenen doktersjassen, dat ging allemaal naar oma Geurts toe. Zij had daar een leuk centje van. Ze heeft het altijd heel rijk gehad. Ze was van 1898 en als jong meisje in de wasserij bracht ze iedere week honderd gulden op de bank. Netto. Dat was toen een hoop geld. Tot haar zevenenzeventigste heeft ze de fijn-strijkerij gedaan, ze is eenennegentig geworden.

Opa en Oma hadden twee kinderen, een zoon en een dochter. Die zoon was mijn vader. In 1951 is hij begonnen met wasserij ‘Oud Steenbeek’ later ‘de Spreng ‘. Hij huurde het en in 1952 heeft hij dat bedrijfje gekocht. Vader was zeer vooruitstrevend en had eind jaren vijftig al in de gaten dat het minder werd, door de opkomst van de huishoudwasmachine. Hij is overgegaan op het grootwerk zoals ziekenhuizen, inrichtingen en horeca. Vader ging de weg op, zorgen dat er klanten binnen kwamen en mijn moeder die inmiddels in het bedrijf was, moest de zaak groot maken en de boel aan de praat houden.

Grote hal van de wasserij

In 1961 heeft mijn vader voor de wasserij een grote hal gebouwd. Dat was toentertijd bijzonder, heel Nederland keek naar wat mijn vader deed. Het was een modern open gebouw met veel daglicht. Hij had ook plantenbakken staan en een kantine was heel nieuw, dat kenden de mensen niet. In de ochtend en middag ging er een toeter en mochten de mensen 7 ½ minuut pauzeren. Helaas is hij in 1963 op vijfendertig jarige leeftijd verongelukt. Mijn moeder bleef achter met vijf kinderen waarvan ik de oudste was en de jongste een baby. Moeder heeft gelukkig het bedrijf kunnen voortzetten en ik kon mijn middelbare schooltijd afmaken. Omdat het begin jaren zestig moeilijk was om arbeidskrachten te krijgen moest ik uit school direct meehelpen. Toen ik zestien was vroeg moeder:’ Wat wil je, wil je in de zaak of niet? Ik zei: ’Ja, eh ja, ik ga er wel in.’ Het liefste was ik veearts geworden of bij de bereden politie want eigenlijk ben ik een paardenman. Maar goed… je voelde je toch een beetje verplicht.

Helder water: daar kun je witgoed mee wassen.

Hoe het vroeger ging in de wasserij? Het was zwaar werk. De was wagens met de wasmanden kwamen binnen. Dat werd allemaal op de kop gegooid en gesorteerd. De ziekenhuizen hadden poepluiers en oh wat een stank, dat moest je allemaal uitsorteren. Luiers bij elkaar, steeklakens…. Boeren uit de Achterhoek deden hun ondergoed naar de wasserij. Douchen deden ze niet. In de teil hé? Schoon ondergoed trokken ze één keer in de week aan. Als kind heb ik dat eruit moeten trekken en weet nog goed hoe vies dat was. Met een pennetje en Oost-Indische inkt werden de nummers erin gemerkt. Dan werd het in een grote koperen wasmachine gedaan. Deze hadden grote drijfriemen die met kattendarm aan elkaar gehouden werden. Kraan losdraaien, water erop, kijken naar het niveau, waspoeder erbij. Dan ging de stoomkraan los, je keek op de meter tot het negentig graden was. Na anderhalf uur draaien moest het gespoeld worden. Er ging chloor op en eventueel blauwsel uit de Keulse pot, dan werd het gespoeld en weer gespoeld want die resten moesten eruit. Water kostte toch niks dus dat ging allemaal huppakee zo de onderbeek in. De wasmeesters moesten dat natte wasgoed uit de machine halen. Helemaal diep met de kop erin! Zwaar was dat, heel slecht! IJskoud natuurlijk van het koude beekwater. Vanuit een kar werd het natte wasgoed in de centrifuge gedaan. Dat moest goed verdeeld worden anders ging de trommel schudden. Daarna moest het losgeschud worden. Het was vreselijk veel handmatig werk.
Na de oorlog hadden we zo’n ouderwetse mangel. Een cilindermal met een koperen plaat daar werd het wasgoed opgelegd. De mangel was bekleed met een soort vilt. De koperen plaat werd verwarmd door de stoomketel die werd gevoed door water uit de beek en opgestookt met grote kolen. Bij winterdag ook ’s nachts want de boel mocht niet bevriezen. We hadden een stoker in dienst die de ketel aan de praat moest houden. Na het mangelen werd de was aangepakt, platgelegd en gevouwen. Kokend warm was dat. De dames vouwden de lakens met de hand, dat is zo ouderwets als het maar kan. Ik weet ook nog dat mijn vader vroeger wollen dekens waste. Ze moesten boven op de droogzolder ‘natuurlijk’ drogen, want anders gingen die krengen krimpen. Daarna werden ze aan elkaar genaaid en gingen ze door de ruwmachine. Vader had bij de AB dekenfabriek in Tilburg een tweedehandse dekenruwmachine gekocht. Met allemaal van die distelachtige borstels, die in de tuin groeien (Kaardebollen red.) De dekens werden weer als nieuw.
Eind jaren vijftig kwam de voorloper van de automatische wasmachine. Daarna de zelf centrifugerende wasmachines en vervolgens de grote wasstraten. Dat zijn hele grote pijpen/ tunnels, verdeeld in vijftien of twintig compartimenten. Met veertig minuten was het al klaar. De jongens aan de lopende band sorteerden de was en dan ging het in grote zakken op transsport door de lucht naar de afdelingen toe. Helemaal vol automatisch. Als je heel speciaal spul had gebruikten we een klein machientje. Het gebeurede wel eens dat een instelling een virus of schurft had, nou dan weet je het wel dan was alles in rep en roer. Alles moest dan met formaldehyde gewassen worden.

We hadden naast ziekenhuizen en instellingen ook horeca, bijvoorbeeld Bali in de Leidse straat in Amsterdam. Die hadden ontzettend veel naperons, tussen servet en tafellaken in. En van die mooie grote damasten servetten wel tweeduizend in de week. Dat kwam ’s woensdags binnen, moest gewassen en gesteven worden en keurig gemangeld, er mocht geen randje in zitten. Dan werd het handmatig gevouwen. Ik heb ook een tijdje het Amstel hotel gehad, hotel Swiss en het Doelen Hotel tot het laatst toe. Het dure genre. De was stijven doe je door bij het laatste spoelwater stijfsel toe te voegen. Dan laat je het opkomen tot veertig graden. Stijfsel moet je eerst aanmaken en opkoken. Dan hadden we zo’n zinken emmer, daar deed je eerst stijfsel in, water erbij. Met de stoomkraan liet je het opkoken. O gut wat een werk. Dat was de ouwe tijd.

Herman Geurts bij een stuw

De wasindustrie liep redelijk goed tot midden jaren zeventig. Toen kwam de klad in het grootwerk en zijn we een fusie aangegaan met andere Apeldoornse wasserijen. Ieder had zijn eigen cultuur, wilde eigen baasje spelen. Eind jaren tachtig raakten we door concurrentie een aantal grote klanten kwijt. Weer moest er gesaneerd worden. Ik was de jongste, net veertig en had er niet veel zin in maar de meeste stemmen golden dus wij hebben onze aandelen verkocht. Ik werd manager in het bedrijf en heb nog jaren prettig samengewerkt. Eind jaren negentig heeft de nieuwe eigenaar uit Den Haag de boel weer aan de kant gedaan. Net vijftig was ik en met een handdruk heb ik afscheid moeten nemen. Als je zestig uur in de week werkte en in één keer niks meer…. Ja daar heb ik veel verdriet van gehad, maar dat is voorbij. Het is niet anders, daarna ben ik allerhande vrijwilligerswerk gaan doen.

Nu maak ik me druk voor de beken en sprengen in Ugchelen. Bij scholen doe ik aan educatie om de kinderen te vertellen wat er zoal groeit en bloeit en dat ze geen rommel in de beek mogen gooien. Ik loop wel vier keer in de week langs al die beken. Dat zijn hele afstanden hoor. We hebben een goed stel vrijwilligers kunnen krijgen die ons zes keer per jaar komen helpen, om al die beken en sprengen schoon te maken. Het waterschap heeft het onderhoud, wij als vrijwilligersgroep zijn ondersteunend. Met bladharken en lieslaarzen gaan we aan de slag. We hebben veel resultaat en dan is het een lust om er langs te lopen. Maar mensen gooien ook zo weer allemaal takken in en over de beek….Daar wordt je toch…. Maar goed ik zorg er altijd voor dat het uitstekend verzorgd is tijdens de schoonmaakdagen, koffie/thee, iets erbij en een lekkere lunch. Iedereen komt graag terug, het is een feest om te doen.”

 

 

Kijk ook eens op: