Boerenerven: “Wat een tijd, moet je nou komen”

JanJansen270109Jan Jansen

Op een zonnige dag in januari 2009 vertelt Jan Jansen over de deelname aan de Betuwse bloesemprocessie als jongen van tien jaar. Hij is geboren in 1928 en woont op de plaats van zijn ouderlijk huis in Valburg. Maar hij spreekt ook enthousiast over de taken die hij thuis als kind had, over de tabak, de evacuatie in de Tweede Wereldoorlog en zijn betrokkenheid bij het dorp en de streek. Hij laat me verschillende mapjes met informatie en foto’s uit zijn verenigingsleven zien. Over deze onderwerpen gaat dit verhaal. In februari 2011, twee jaar na dit interview, is hij gestorven.

verhaal en portretfoto: Jeanne van Poppel, overig beeld: Jan van de Lagemaat

‘Het huis van ons was een T- boerderij. Het had een voorhuis en er was een bedrijfsruimte voor het aannemersbedrijf en een boerderijgedeelte. We verkochten stenen, pannen en zand, maar ook witkalk. In het archief van de vroegere schuilkerk in Eimeren vond ik dat generaties Jansen hier woonden en metselaar-aannemer waren. Mij noemde ze ook wel Jan van Teun van Knelis van Toon baas. Ik begon als timmerman. Andere broers gingen verder als metselaar, elektricien of in de tuinbouw. Met een van mijn broers zette ik de aannemerij hier voort als bouwbedrijf Jansen. Ruim vijfenveertig jaar bouwden we veel, overal in Heteren, Driel, enzovoort. Ik stopte met 60 jaar. Ook mijn broer had geen opvolger en hij verkocht enige tijd later het bouwbedrijf. !TieltstrtVlbrgschool1_png@01CE1821

Mijn kleinkinderen zijn na school en op zaterdag bezig met voetballen en scouting. Maar zij hebben nergens tijd voor. En wij? Wij hadden vroeger ons werk. In ons gezin waren wij met zes jongens en zes meisjes. Na twee meisjes volgden twee jongens, daarna weer twee meisjes gevolgd door twee jongens. Ook de jongste vier waren twee meisjes en twee jongens. Ik ben een van de middelste.

Na de kerk op zaterdagochtend hadden wij een aantal taken waar we de hele dag mee bezig waren. We maakten het kippenhok en het varkenshok schoon. We kookten de aardappelen, het voer voor de varkens in de aankomende week. Dat gebeurde in een fornuispot. De fornuispot was een ronde ketel van gietijzer. Daaronder stookte je het vuur. Daarvoor gebruikten we enkele bossen van snoeihout, dat buiten op stapels lag. We noemden deze ook wel schransbossen. We haalden een paar van die bossen naar binnen en stookten de kachel aan. Je moest wel bij het vuur blijven, want anders was het zo uit. De gekookte aardappelen draaiden we daarna fijn in een machine.
‘s Zaterdags gingen wij in bad en daarvoor gebruikten we dezelfde fornuispot. De fornuispot maakten we eerst schoon. Daarna verwarmden we daarin water, dat we uit een pomp op het erf haalden. Toen wij trouwden in 1961 hadden wij nog steeds een fornuispot voor het koken van het wasgoed. Na ons eigen bad, wasten we in het water dat nog over was de klompen. De klompen zaten onder de kalk die wij toen in het aannemersbedrijf verkochten. In de vierkanten kelder luchtten wij de witkalk en haalden die er op de klompen met emmertjes uit.
Zondag was de rustdag. ’s Morgens gingen we naar de kerk. Er waren twee missen: de vroege en de late mis. Ik herinner me van die tijd dat mensen op zondag uit de kerk, koffie of een borreltje gingen drinken in een van de kroegjes die er toen waren. Ik weet dat nog wel van mijn vader. Door de week gingen we iedere dag naar de kerk: ’s morgens en ’s avonds.

Een vaste taak was het brooddeeg naar de bakker brengen. Mijn moeder maakte zelf het deeg klaar. Ik gaf het deeg in een deegdoek bij de bakker af, voordat ik naar de kerk ging. ’s Avonds haalde ik een groot wit brood bij hem op. Ook mijn andere broers moesten dit doen. Een andere taak was kachelhoutjes klaar maken voor de volgende dag om de kachel weer aan te steken. Er was ook wel tijd om te spelen natuurlijk. Tollen, knikkeren, hoepelen. Dat deden we allemaal wel. Maar er was altijd veel werk. Wat een tijd, moet je nou komen.

Ook bij de seizoenswerkzaamheden op de boerderij hielpen wij mee. We hadden alles, we hadden groentes, we hadden aardappelen. We hielpen bij het aardappelen en bieten rooien. Zo was er bij ons in de kelder een speciale ruimte gemaakt voor de aardappelen.
Het was hier een fruitstreek met veel kersenboomgaarden. Voorbij de spoorlijn plantte mijn vader in de crisisjaren een pruimenboombongerd. “Mijn jongens die kunnen dat wel bijhouden”, zei hij. Maar de grond was daarvoor niet goed geschikt. Dat was veel te zware klei.
Mijn moeder ging altijd mee naar het land, dat was ze gewend. Zij was een heel sterke vrouw. Nu moet je er niet meer aan denken, zo’n gezin te hebben. Ze kon heel goed koken en is vroeger in betrekking geweest bij de directeur van Van Woerkom, de jamfabriek in Oosterhout. Zij stond daar in de keuken.
Wij hielpen haar bij het verwerken en klaar maken van de groentes. Bonen doppen, zuurkool snijden, andijvie wassen en ophangen. Noem maar op, allemaal dat soort werk. Bij de slacht hielpen wij ook mee. De slager kwam het varken thuis slachten. De hammen zoutten we eerst in. In de kelder zat daarvoor een vierkant gemetselde bak. Later rookten we de hammen en met een worstmachine draaiden we de worsten zelf. Zo maakten we het varken aan de kant.

Ten zuiden van de spoorlijn was er vroeger tabaksteelt. Deze lichte, zandhoudende klei was daarvoor geschikt. Mijn vader vertelde over de coöperatie in die tijd. In een grote hal aan de Amsterdamse weg in Arnhem, leverden de telers de tabak. De naam Valburg op dat gebouw heb ik vaak genoeg gezien. Tijdens de oorlog teelden wij zelf tabak. Van de jaren dertig herinner ik mij dat niet.
Mijn moeder kwam van een tabaksboerderij, vlakbij Valburg. De boerderij staat er nog. Haar zus trouwde met een zoon van de sigarenhandelaar De Vries uit Amsterdam die in deze streek tabak kocht. Mijn tante en oom woonden in Bladel, in de Kempen en hadden daar een tabaksfabriek. Mijn moeder wist van het bewerken van de tabaksbladeren, omdat zij dit vroeger thuis had gedaan. Ik zie haar in de oorlog zitten met een hele stapel tabaksbladeren op haar schoot. Met een mesje sneed zij precies langs de nerf en maakt er netjes een snee in. Ze legde het blad op een stapel, waarna anderen die aan een stok regen. De stokken hingen we boven in de schuren te drogen.
Het snijden van de tabak deden we in een omgebouwde broodmachine, waar wij eerder roggebrood in sneden. De tabak brachten we naar een fermenteerinrichting waar je rooktabak, pijptabak en shag kon laten maken. In die tijd zat ik in Arnhem op school en nam tabak van huis mee. Anderen brachten vloeitjes mee en zo leerden wij roken.
Na de oorlog, van 1948 tot 1950, maakte ik het hele proces van drogen, broeien en verpakken van tabak van dichtbij mee tijdens mijn diensttijd op Noord-Sumatra. Met andere militairen sliep ik in loodsen met grote stapels tabak van een meter of twee hoog en een meter of vier in omtrek. Ik zat daar een tijd op een tabaksbedrijf en later op een latexfabriek, waar ze rubber maakten. Voor de viering van het 1200-jarig bestaan van de molen in Valburg, plantte ik opnieuw tabak aan achter mijn huis. Vandaar misschien mijn bijnaam Jan Tabak.

Wij evacueerden in 1944 voor een half jaar naar Geraardsbergen in België. De Duitsers hadden in het najaar de Rijndijk bij de spoorbrug doorgestoken en toen liep het hele gebied tot aan Heteren, Homoet en de spoorlijn hier onder water. Ik herinner me het gat in de dijk en de boten die door dat gat aan deze kant lagen. Iedereen vertrok uit Valburg. De mensen uit de Boven Betuwe zijn met de Duitsers weggegaan. Dat weet ik, omdat mijn vrouw uit Gendt komt. Zij gingen met het Pannerdse Veer over. Met karren, wagens, met vee en noem allemaal maar op, liepen ze naar de Achterhoek. Wij zaten hier gunstig. Militaire wagens haalden ons zondagochtend op en brachten ons naar Neerbosch bij Nijmegen. Vandaar ging het naar een textielfabriek in Tilburg, waar we in een kelder sliepen. Vaders mochten blijven, maar wij gingen met het hele gezin mee, op twee oudste broers na. In Geraardsbergen kwamen we uiteindelijk in een winkelpand terecht. Mijn vader en mijn broer metselden een monument tijdens dat verblijf. Vijftig jaar later vroeg een voormalig begeleider van de evacuatie of ik de herdenking mee wilde organiseren. Ik was net gepensioneerd en had daar tijd voor. Er was veel belangstelling voor en met ongeveer zeven bussen vertrokken wij naar Geraardsbergen. We vroegen gemeentes uit de omgeving om per evacué bij te dragen aan een gedenkplaat. Mensen die tijdens de evacuatie in België geboren waren boden deze gedenkplaat aan tijdens een grandioze ontvangst in Geraardsbergen.

Ik zat altijd bij het verenigingsleven en werkte aan veel mee. Na mijn pensioen haalde ik nog mijn molenaarsdiploma om met de molen hier te mogen werken.
We hadden een carnavalsvereniging opgericht en in de oorlog zat ik bij de muziek. Ik herinner me dat we met drie, vier andere jongens met de toeter naar een dirigent in Haalderen fietsten. De dirigent woonde daar en had een sigarenwinkel. We kregen daar les en de repetitie was in het repetitielokaal. Toen we terugkwamen na de evacuatie was er geen muziek meer. De toeters waren allemaal gestolen. Alles was weg.
Toen ik in de VUT kwam, vroeg de vereniging of ik weer mee wou doen en of ik in het bestuur wilde komen. In een kleine gemeenschap vertrekken kinderen wanneer ze achttien, negentien jaar oud zijn voor studie of werk. Dat is het punt en daar zaten wij vroeger ook altijd mee.
Voor de oorlog waren in Valburg een korte tijd zelfs twee muziekverenigingen. Het Cecilia en Piepenkrakilus, zeiden ze. Piepenkrakilus was de club van de pastoor en de andere was van allemaal. Sint Cecilia bestond al jaren en had een eigen vaandel. Dat stond hier bij de kastelein in de grote vitrine. In de oorlog namen Amerikanen of Engelsen het mee. Later is het toch weer teruggevonden. Pastoor Van de Brink richtte nog net voor de oorlog zelf een bestuur op. Dat noemden ze toen het Piepenkrakilus. Maar deze club heeft ook maar enkele jaren bestaan, tot aan de oorlog dat ik weet.

Na de oorlog was er een hele periode een oogstdankdag in de Boven Betuwe. Eén keer per jaar in september, en steeds in een ander dorp. Telers brachten allerlei fruit, zoals appels en peren, mee. Het was een heel gedoe altijd. Ieder dorp wou dat zo groot mogelijk opzetten natuurlijk. Iedereen deed er aan mee. Het was hartstikke druk. Op het voetbalveld bouwden we een groot podium waar een altaar op geplaatst werd. Het fruit dat door telers verzameld was, kwam erop te staan. Later op de dag sorteerden we het fruit en brachten het naar verpleegtehuizen of ziekenhuizen in de omgeving.

Ik ben nog lid van een dragersvereniging. Wij dragen mensen die overleden zijn, en daarvoor gekozen hebben, van de kerk naar het kerkhof. We zijn met een groep van vijftien personen en doen dit pro deo. We hadden hier ooit wel eens problemen, omdat we vanuit de kerk een stukje over de straat moeten lopen. Het kerkhof ligt hier niet dicht bij de kerk. Dat komt omdat het kerkhof gebouwd is op de plaats waar heel vroeger de oude kerk heeft gestaan. Na de Reformatie is de katholieke kerk op een andere plek gebouwd.
Ik was een jaar of twintig en ben na mijn diensttijd lid geworden. Vanaf de oprichting, dus ongeveer zestig jaar geleden. Nu doe ik daarvoor nog bestuurswerk, dat ik graag wil afbouwen.’

Kijk ook eens op: