Boerenerven: “Pot deur-mekare, noemde je dat”

G. NijenhuisGerhard Nijenhuis

Gerhard Nijenhuis is geboren op 16 maart 1916 op boerderij Maatman aan de Heegherhoek, buurtschap Hackfort bij Vorden. Hij heeft een fijne jeugd gehad. Liefhebbende ouders die meelevend waren. Hij is onderwijzer geweest, maar is al jaren met pensioen. Hij woont  al weer zo’n drieëndertig jaar in Ruurlo, de laatste paar jaar zonder zijn vrouw die al overleden is. Hij is er trots op dat hij nog zo goed gezond is, al maakt zijn doofheid het moeilijk om met hem een gesprek te voeren. Wat betreft het recente verleden laat zijn geheugen hem vaak in de steek. Hij heeft het opgegeven om de namen van de achterkleinkinderen te onthouden. Het verre verleden kan hij zich des te beter herinneren.

Auteur: Margreet Gründemann, foto’s: Marianne Jans, Dirk van Schie, portretfoto: Margreet Gründemann

‘Ik weet niet hoeveel generaties Nijenhuis in de Maatman hebben gewoond, maar in de achttiende eeuw woonden er ook al Nijenhuizen. In 1735 is een Jan Nijenhuis getrouwd met een meisje van Maatman. De Maatman was zo’n vijf bunder groot. Ongeveer de helft van de grond lag bij huis, de andere helft op Heijink Blek. Het was een gemengd bedrijf.
Aan de Heegherhoek  is Maatman de eerste boerderij links. De derde boerderij heette de Heeghe, daar woonde Bargeman. Dat was nog familie van mijn moeder. boerderij de maatman-achterzijde (1)klein
Tussen het huis en de straatweg was een weiland. Bij hoog water kon je zien dat er vroeger singels geweest waren. Aan de andere kant van het huis  was een paardenweitje. Voor het huis lag eerst het höfken en dan een bouwkamp. Over de sloot lag weer weiland. Dat was erg schraal, omdat er vroeger ijzeroer was opgegraven. Langs de groentetuin liep een pad naar de kamp, met links een beukenhaag en rechts een meidoornhaag. Daar stond een pruimenboom, een Spekkerse en een Spaanse kers. Verderop stond een vierroedige haverberg.  In het weiland bij huis stonden appel- en perenbomen; Zieden hempkes, kleine zure appels. We hadden ook Pediezen, die waren groter en Wienzoern, Haagjes en Bellefleuren. Er was een notenboom  en een paar pruimenbomen en later ook nog een Sukerpere. Al dat fruit werd in de kelder bewaard, evenals de eetaardappels. We aten veel fruit, maar de spreeuwen aten ook veel op. erfgedeelte de maatman_klein

Het voorhuis is in 1870 vernieuwd. Het achterhuis is veel ouder. De deel lag lager dan het voorhuis en had een lemen vloer, waar gedorst werd met dorsvlegels. Mijn vader heeft met geld van de Boerenleenbank de potstal laten verbouwen, met een ommuurde mestvaalt en gierkelder.
Op de deel stonden vier of vijf koeien en een paar pinken en kalveren. Er was een varkensschuur, maar op de deel hadden we ook varkens. Naast dat varkenshokje was de WC, het huuske, en de paardenstal. En daar was nog een kamertje waar ome Jan woonde, een halfbroer van mijn vader.
We hadden ook kippen. Toen ik klein was  hadden we een haan, een Silverbrakel, en een stuk of tien kippen. Ze hadden een paar zitstokken, achter boven in de koestal. In de achterdeur zat een kippengat. Onze kippen legden witte eieren. De buren hadden Barnevelders en die legden bruine eieren. Hun kippen legden wel eens bij ons in de nesten en omgekeerd. Toen de eieren duurder werden, kregen we meer kippen. De kuikens werden toen niet meer uitgebroed door een broedse kip maar door de broedmachine die verwarmd werd met  petroleum.
Opoe kreeg iedere morgen een geklutst ei. ’s Zondags kregen wij ook wel een gekookt eitje. Verder alleen maar als je ziek was en met Pasen. De eitjes die over waren, gingen in de winkelkorf en gingen mee naar Albers, de Winkel van Koloniale Waren. Daar kreeg je één of anderhalve cent voor. En dan kochten we suiker en zo meer.

SONY DSC
De melk werd ook verkocht. Die ging door een zeef in de melkbus en mijn moeder schepte er dan wat uit voor eigen gebruik. De rest van de melk ging op de kruiwagen naar de straatweg. Er kwam een melkrijder uit Hackfort.  Als hij de bussen terugbracht, dan lag er wel eens een pakje boter op. Moeder mengde altijd de roomboter met margarine, dat was goedkoper. Ondermelk en karnemelk dat kwam ook terug. De ondermelk was voor de varkens, de karnemelk was voor de pap. We hadden altijd twee bussen in gebruik, die stonden op het melkrek voor aan het huis, onder de perenboom.
We moesten als kind meehelpen: kippen voeren, eieren uithalen, aardappels schillen. Mijn broer Herman was vier jaar ouder dan ik. Na schooltijd ging hij werken bij buurman Wuestenenk. Mijn zus Gerritje moest binnen helpen. Ik moest ’s zaterdags om het huis schoonmaken met de berkenbessem en harken. Ik moest ook altijd zorgen dat er brandhout bij de kachel was. Er stonden knotwilden langs de sloten. Die werden om de zoveel jaar afgehakt. Er stonden ook elzen en essen, die werden gerooid voor brandhout. Met de spanzaag werden blokjes gezaagd, die weer gekloofd werden. Ze werden dan onder een afdakje achter het huis opgestapeld.
Het meeste brandhout haalden we bij ome Harm in Warken. Dat was een broer van mijn vader. Hij had een stukje bos en wij haalden daar ieder jaar met de wagen een vracht brandhout. Dan werden die stammetjes thuis door ome Jan in blokjes gezaagd.
interieur De Maatman-gemaakt door dirk van schie kleinWe hadden in de winter één kachel aan. Die stond een eindje de kamer in, daar kon je omheen zitten. Op de rand kon je je voeten warmen. Het fornuis stond tegen de achterwand aan. Daar was een oude vuurplaat.
In de keuken lagen rode en blauwe estriks. ’s Zaterdags werden de stoelen en de tafel aan de kant gezet en dan werd de vloer met een paar emmers water en een schrobbezem schoongemaakt. Door de week werd na het middageten geveegd met een huttentut-bezem. Daarna werd er een handje zand gestrooid en met schone klompen werd de vloer dan gepolijst. Die werd op den duur wel een beetje dun. ’s Zaterdags werden de klompen geschuurd evenals de geelkoperen pomppiepe.

Een eindje van het huis stond een grote essenstobbe. Misschien wel honderd jaar oud. De dunnere stammetjes werden gebruikt voor stelen van de dorsvlegels en de bezems.
Van de takken werden takkenbossen gemaakt. De bosmiete stond achter het huis. In het schuurtje voor het huis stond een fornuispot. Daar werden de aardappels voor de varkens in gekookt.  Daar stond een poer en met de hiep werden daarop de takkenbossen in stukken gehakt en dan ging dat onder in de fornuispot. detail De Maatman-gemaakt door dirk van schie (1)klein
De aardappels voor de varkens verbouwde mijn vader bij huis. Die aardappels werden gerooid en in kuilen begraven. Iedere keer werd er een kuil open gemaakt en dan werden er  in een hoek van het schuurtje bij de fornuispot aardappels gegooid en vandaar gingen ze in de fornuispot. Ik vond dat stoken wel leuk werk. ’s Avonds in het donker kon je daar lekker zitten.
Er werd ook rogge verbouwd. Die werd gedorst. Eerst met de dorsvlegel op de deel, later met de dorsmachine. De dorsmolen werd met het paard van de ene boerderij  naar de ander gesleept. De gedorste rogge ging dan in zakken naar de molenaar aan de Hackfortseweg in Vorden. Het stro kwam in de hilde en op de balken van het achterhuis. De hokken van de varkens werden met stro gestrooid. Een deel van de rogge werd extra schoongemaakt in de kafmolen en dat ging naar de bakker, die bakte daar roggebrood van.
De koeien kregen in de winter hooi, want een deel van het grasland werd gehooid. Maar er werden ook voederbieten verbouwd, van die grote mangels. Die werden ook ingekuild. In het begin hadden we nog geen mangelmölle om de bieten te snijden. Dan nam ome Jan een tenen mand met aan beide kanten een oor en dan legde hij daar een plankje tussen. En dan hakte hij die mangels met een oud broodmes in stukjes. Daar werden de koeien mee gevoerd. De varkens kregen het ook wel eens, maar meestal kregen die een mengsel van gekookte aardappels en roggemeel.
Als de varkens vet waren werden ze verkocht aan slachterij Poesse. We slachten in voor- en najaar een varken voor ons zelf. Dat was een hele gebeurtenis. Het varken werd op de ladder gehangen met een houten bak eronder. Daar werden de ingewanden opgevangen. De darmen werden schoongespoeld met water, want er moest worst in. Moeder maakte de worst. Het vlees werd met de hand in kleine stukjes gesneden. Moeder had zo’n worstenhoorntje en daarmee werden zó met de duim de worsten gemaakt. Het spek ging in de dikke darm. Dat was voor de pannenkoek. Er werd niks gerookt, alleen gedroogd en gepekeld. Moeder maakte allemaal worstjes en die werden in de wimme gehangen. Tegen de balken in de keuken zaten  balkjes gespijkerd en daar kon je de worstespielen met de vleisgavel ophangen. Dat was een gaffel met twee ijzeren haken en daar konden de worstespielen in liggen en dan kon je ze omhoog heffen en op  de balkjes leggen. De worst aten we bij het middageten. De metworst en de spekworst was voor de pannenkoeken. De ham was voor zondags als er visite was.
’s Morgens om 8 uur aten we pannenkoek. Iedere dag, met spek of met spekworst. Spekworst was lekkerder, die werd lekkerder gebakken. Bij het opstaan stond altijd al wat brood klaar, dan hoefde je niet met een lege maag aan het werk.  Maar om 8 uur was het pannenkoek eten. Dan om 10 uur koffiedrinken en om 12 uur was het middageten.
Pot deur-mekare, dat vond ik wel lekker. Sniebonen en kool. De rooie kool kreeg je altijd apart, maar de witte kool en de savooie kool, daar werd koolrasp van gemaakt en dan stamppot. En wij kregen altijd iets na van melk. Zoete pap van zoete melk. Om half vijf was het brood etten. Daar zat suiker op, kaas was er niet altijd. Om 9 uur was het ‘pap etten en naar bedde’. Havermoutpap. Dat was andere pap dan ’s middags: met een schepke suiker. Stroop was voor zondags.
Vóór en na de maaltijd, drie keer per dag, behalve om half vijf, werd er gebeden en gedankt.

Eén keer in de zes weken werd buiten de grote waskuip neergezet en daar ging alle smerige was in. Daar kwam dan een aslaken over, een oud laken, en daar werd de houtas op gestrooid. Dan werd er in de fornuispot water gekookt en dat ging dan over de was. Zo werd het geweekt.  En dan werd het in een schommel gedaan en gewassen. Later hadden we ook een wasbord, maar dan gebruikten ze een teil. Dan was het wringen en schuren en zo; de vingers nog wel eens stuk. Daarna werd het gespoeld in schoon water, want de pomp stond er vlak bij. Om te drogen werd het op de doornen heg gehangen. Daar waaide het niet af. Van zes weken hadden ze heel wat was! Lakens en slopen en ondergoed. Maar ik weet niet of we alle weken wel schoon ondergoed aankregen.

Ik sliep op de opkamer boven de kelder. Op de opkamer was een bedstee, daar sliep ik met een van mijn broers. De andere kinderen sliepen in een tweepersoons ledikant. In de keuken waren ook twee bedsteden: eentje tegen de zijkant en een tegen de achterkant. Oma sliep in de zijkant. Ik herinner me van mijn grootmoeder dat ze in één van de twee de bedsteden sliep, waar haar voet met een rode knobbel erop uitstak.
Mijn vader en moeder sliepen in de bedstee aan de achterkant, naast de haard. Er zat nog een raampje in de achterwand. Dan kon je vanuit de bedstee de koeien in de gaten houden. In de bedstee lag op maat gesneden roggestro, met daarop het blauwgeruite onderbed. Daarop lagen de lakens en het dekbed. De dekbedden waren gevuld met veren en de kussens waren gevuld met haverkaf.

Mijn ouders vonden school heel belangrijk. En omdat ik een beetje allergisch was voor de varkens en zo, mocht ik doorleren. En zo ben ik onderwijzer geworden en geen boer.’

Kijk ook eens op: