Leven met Water: “Op de buurtvisites werd nog vaak over de overstroming gesproken.”

Dinie Bosma – te Voortwis (Geb. 1927)

Ik interview mevrouw Bosma-te Voortwis in Winterswijk in het huis waar ze geboren en getogen is. Mevrouw Bosma-te Voortwis deelt haar herinneringen met mij die ze heeft van de overstroming die ze van dichtbij heeft meegemaakt. In de overstromingsnacht van 8 op 9 februari 1946 waren door aanhoudende regenval de beken niet meer in staat het water op de gebruikelijke manier af te voeren. De Slinge, die ten zuiden van Winterswijk richting Aalten stroomt, doorbrak bij het Buskersbos op 4 plaatsen zijn dammen. ’s Middags bereikte het water zijn hoogste punt van 72,5 cm.

Verhaal Sonja Boseker, beeld Wim te Selle (behalve indien anders vermeldt).

“Ik ben van 1927 en het was in februari 1946. Ik zou dat jaar negentien worden. Het was op een vrijdag dat het heel veel had geregend, en we hadden ook sneeuw gehad. Er kwam ook veel water vanuit Duitsland via de Slinge in de Slingebeek. In het Buskersbos heeft het water niet zo snel weg kunnen vloeien, waarschijnlijk zat er iets vast en is het uiteindelijk in het Buskersbos doorgebroken. Mijn vader zei altijd: ‘Het water komt tot zo ver’. En wees tot aan de hoek van de tuin. ‘En verder komt het niet.’ Maar die dag kwam het water veel verder.

Het zal ’s-morgens net iets na zes uur geweest zijn. Mijn vader zou rond die tijd ook bijna opstaan om te gaan melken. De mensen langs de Kottenseweg waren gewaarschuwd en wisten dat het water er aan kwam. Vanuit het station in Winterswijk scheen licht deze kant op, dat in de ruitjes achter het huis weerkaatste. Daardoor dachten de mensen in het dorp dat er licht op de deel scheen en we al wakker waren, maar dat was niet zo. Het zal wel heel snel gegaan zijn, dat het water eraan kwam. Het water liep in een strook vanuit het Buskersbos. Het water stroomde het huis in omdat de boerderij wat lager lag. Ook naar de Wooldstraat toe in de winkels langs de Wooldstraat was het hoog water. Daar voeren bootjes door de straat. Daar is nog een foto van volgens mij. Overal waar het lager lag was overstroomd, wat hoger was bleef droog. Er is hier veel hoogteverschil in het landschap.

Watersnood 1946 in de Wooldsestraat (bron: www.oudwinterswijk.nl)

De buren waren ook gewaarschuwd vanuit het dorp dat ze op moesten passen. De buurjongen zal wel gedacht hebben: ‘Wat is het toch akelig stil daar bij de buren’.
Wij werden wakker gemaakt door de buurjongen, die buiten bij het slaapkamerraam van mijn ouders stond en zei dat het hoog water was en dat we maar eens uit bed moesten komen. Mijn zusje en ik sliepen in een kamer ernaast en hoorden wat er gezegd werd. Eerst begon ik bijna te lachen toen ik het zag en vroeg mezelf af hoe dat kon en wat er aan de hand was. Het was een rare gewaarwording.

Mijn vader kon het haast niet geloven, maar moest het wel geloven omdat het water in huis was gestroomd en tot onder de rand van het matras stond. Vader en moeder moesten uit bed, met de blote voeten in het koude water. Mijn zusje en ik moesten ook het bed uit. We hadden de kleren op de stoel liggen, die waren gelukkig net droog gebleven. We stapten van stoel tot stoel, dat was toch wel een beetje eng. Het was allemaal heel erg verwarrend. Mijn opa, die in de tachtig was, woonde destijds bij ons in huis en sliep aan de andere kant van het huis. Hij werd uit bed getild door een paar sterke mannen uit de buurt en met paard en wagen naar familie gebracht in het dorp.
We hadden op dat moment ook een logé in huis die in de opkamer sliep, die wat hoger lag. Het bed was wel droog gebleven, maar de schoenen die stonden kleddernat bij de kachel.

Boerderij Eelink

Voor mijn zusje en ik weggebracht werden, hebben we eerst nog wat gegeten en werden met paard en wagen naar familie in de Spoorstraat gebracht. De koeien werden ook weggebracht met hulp van andere mensen die zichzelf en hun dieren al in veiligheid hadden gebracht. De koeien gingen tijdelijk naar een andere boerderij. Dan ging ik ’s morgens met mijn vader mee naar de koeien om ze te melken. Maar die gaven niet veel melk: ze waren helemaal van streek.

We hadden niet zo veel schapen, maar toen had je van alles veel minder. Het was toen nog ‘zesenveertig’, amper een jaar na de oorlog.
De schapen waren in de schuur, die hadden zichzelf ook gered. De kippen ook, die zaten op de rekken. Misschien zijn er wel een paar verdronken, dat weet ik niet. Achterin de schuur, waar de aardappelkuilen waren, lagen ‘plaggen’ (graszoden). Zo noemden ze dat op het land. De plaggen lagen op de kuilen waar de aardappelen in lagen. Zo bleven ze mooi droog en werden ze ook beschermd tegen de vorst. Als ze de plaggen opzij deden om de aardappelen eruit te halen, stapelden ze de plaggen op elkaar aan één kant waar de aardappelen op waren. De schapen hadden dit ontdekt en hadden een veilig plekje gezocht. Ze waren er met de voorpoten op gaan staan, zodat ze de kop boven water konden houden. Zo hebben die het overleefd.
De zeug wilde naar buiten. We konden haar ook bijna niet tegenhouden. Ze ging net zoals ze normaal gesproken ook deed, naar het weiland. Maar merkte al snel dat ze daar niet kon staan en kwam gelukkig meteen weer terug. Mensen uit de buurt hielpen ons met de stier in bedwang te houden. Er zijn hier gelukkig geen mensen bij omgekomen.

Voordeur boerderij Eelink

Er was vies water met uitwerpselen van de koeien van de deel, waar de koeien stonden, door het hele huis gelopen. Alles in huis was nat en vies en het water akelig koud. De kokosmatten die in de kamer lagen bobbelden op van het water. In de oorlog hadden we klanten die melk bij ons haalden. Een meneer die bij ons altijd melk kwam halen, werkte in de Tricotfbriek in Winterswijk. Die zei dat we de kokosmatten, nadat ze schoongemaakt werden op een rekstok in de tuin, in de Tricotfabriek op grote rollen op konden hangen om te drogen. We hadden een kast met onderin een la met lapjes, wol en handwerkspullen. Een tante, die in de oorlog bij ons was, hielp mijn moeder altijd veel. Zij heeft de lapjes gewassen en alles uitgezocht welke lapjes bij elkaar pasten. Toen werd er nog veel kleding hersteld, dus dat werd allemaal bewaard. Het onderste deel van de kast was uitgebeten door het vieze water. Dat hebben we nog heel lang kunnen zien, dat had tijd nodig om weer bij te trekken. Allerlei spullen dreven in huis op het water. Daar hadden mijn zusje en ik nog wel lol om. Want mijn opa had in die tijd geen grit voor de kippen. Hij bewaarde eierschalen in een potje. Deze werden later fijngemaakt om aan de kippen te geven zodat deze nog wat kalk kregen. Alle eierschalen dreven op het water.
Er was ook pas geslacht door boerenslachters uit de buurt. Het spek stond in de kelder, dat was ook nat geworden. Om het spek weer schoon te krijgen hebben we een grote fornuispot gebruikt, waar je aardappelen in kookte voor de varkens. Die werd mooi schoongemaakt om het spek in te koken zodat dit weer zuiver werd. Een slachter van de Bataafseweg kwam hier om alles opnieuw te zouten zodat het spek daarna opgehangen kon worden om te drogen en daarna kon het op zolder in de spekkist om te bewaren. Daar werd iedere keer een stuk spek afgesneden en gebraden, zoals dat toen in die tijd ging. De weckflessen met boontjes en groenten die in de kelder stonden, waren gelukkig goed dicht.

Ik ging in die tijd naar de Huishoudschool. Op de Huishoudschool zaten ook vriendinnen van mij. De juffrouw zei: ‘Gaan jullie daar maar helpen’. Dat was wel leuk. Een mevrouw hier uit de buurt stuurde ook haar hulp om bij ons te helpen schoonmaken. We kregen echt wel veel hulp. Dat was erg fijn. Geleidelijk werd alles hier weer schoongemaakt en kwamen de dieren weer terug naar de boerderij. Het water is niet zo heel lang gebleven, het zakte wel weer gauw. Het gebeurde op een zaterdagmorgen en ’s maandags was het water weer gezakt.
Het is uiteindelijk weer goed gekomen, maar het was toch allemaal een beetje raar.

Ik weet ook nog dat er in de buurt, bij een familie waar het ook hoog water was, een opa of een oma overleden was. Diegene zou de zaterdag van het hoge water begraven worden. Dat is wel doorgegaan. De dominee kon zelf niet komen, toen heeft de buurman de dienst geleid. Later zei iemand uit de buurt : ‘Hij was net zo goed als de dominee.’ Hij vond dat de buurman het zo mooi gedaan had.
Na de oorlog, op buurtvisites, werd er nog vaak over gesproken. ‘Weet je nog van toen? Het hoge water?’ En dan kwamen de verhalen over wat we hadden meegemaakt.
Er werd weleens gezegd: ‘Daar komt het water niet’. Iedereen zei dat de kelder goed dicht was. Maar het kwam niet van onder, het kwam van boven.”

 

 

 

 

Kijk ook eens op: