Winterswijk: Zoals dat dan ging vroeger, van een bruiloft komt vaak een bruiloft

th_Jan Huetink 20150425-_PEE4635Jan Huetink

Op de voormalige Scholtenboerderij ‘Het Roerdink’, nu ‘Het Roerdinkhof’, vind ik na een beetje zoeken Jan Huetink op ‘Het Schaapman’, de voormalige pachtboerderij die achter de gerestaureerde Schoppe ligt en waarvan hij het voorhuis bewoont. Tot zijn grote verdriet alleen, sinds zijn geliefde vrouw Diny vorig jaar is overleden. Jan is de achterneef van de laatste Roerdink die hier gewoond heeft, en omringd door foto’s en schilderijen uit het verleden, komen de verhalen over Engelbertus Roerdink en tante Rika vanzelf.

auteur: Wilma Bakker-van de Panne / auteur foto’s: Peter Eekelder

th_Jan Huetink 20150425-_PEE4593“Oom Engelbertus was de broer van mijn oma, Martina Roerdink die met een Boeijink van ‘Het Hertenkamp’ in Rathum getrouwd was. Hun dochter J.M. (Ina) Boeijink is mijn moeder.
Mijn oudoom Engelbertus Roerdink had drie zusters en twee broers. Een jongere broer, Jan-Willem Roerdink is getrouwd op ‘De Rozenhoeve’, hiernaast en Engelbertus Roerdink is hier op ‘Het Roerdink’ gebleven. De ene zuster van een tweeling, tante Bertha is bij ‘Tenkink’ in Huppel, richting Vreden, met een Lutjen Kössink getrouwd. En de andere tweelingzuster, tante Mientje, is bij ‘Het Breukink’ getrouwd, in Brummen. De Breukinks hebben een boerderij neergezet in Miste, ‘De Misterhof’. Die boerderij is nu afgebroken en dat is nu ‘De Appelhof. En de andere zuster was mijn oma. Zij is met een Boeijink getrouwd van ‘Het Hertenkamp’ in Ratum,.
De Scholtenfamilies trouwden allemaal met elkaar, dus grond moest bij grond en geld moest altijd bij geld blijven. Dat was wel de oorzaak dat hier die Scholtenboeren zo groot werden. Vandaar dat ook in de familie veel inteelt was. Er was er hier op het Roerdink ook één, nog een andere broer van Engelbertus geloof ik.

De zuster van Engelbertus, tante Mientje is getrouwd met een Breukink uit Brummen. En Engelbertus is daar weer met een zuster van getrouwd, tante Rika. Zoals dat dan ging vroeger, van een bruiloft kwam vaak een bruiloft, dus tante Rika is van weerskanten familie.
Mijn grootmoeder Martina Roerdink, die dus met Boeijink in Ratum trouwde, had vier kinderen en de oudste, J.M.Boeijink, mijn moeder, is in Bronkorst op het Hooge Huys gaan wonen, nadat ze met mijn vader trouwde. Dat was haar tweede man. Mijn moeder is eerst met een Breukink getrouwd en de tweede keer met een Huetink uit de Bakerwaard. Mijn moeder moest oom en tante zeggen tegen tante Rika en oom Bertus. Ik ben dus een achterneef.

th_Jan Huetink 20150425-_PEE4666Mijn oom was geweldig vooruitstrevend, hij had zelf opleiding HBS en hij was goed bij de pinken. Voortijd had hij aan de achterkant van het bos daarginds allemaal appelbomen geplant, dat noemen wij altijd nog ‘de Appelhof’. Want zijn vrouw tante Rika kwam uit Brummen en langs de IJssel hadden ze allemaal appelbomen. Daar interesseerde hij zich ook wel voor.
Na het derde, vierde of vijfde jaar werden die appels rijp, en hebben ze ook een vereniging opgericht van fruittelers. Ze hadden ook allemaal gereedschap dat met fruit te maken heeft. Een lange zaag en een korte zaag en een appelvanger. Dat is een hele lange stok met een netje eraan of zo en een doekje erom, om de appels te oogsten. Dat was allemaal hoogstam natuurlijk. En die appels bewaarden ze in de grote keuken, in die midden keuken, die wij gehuurd hebben. In het eerste jaar, in 1959, stond alles vol met appelkisten. Daar had oom Bertus die appels in. Eén keer in het jaar, in de herfst, ging hij naar de veiling, achter Terborg, Gendringen, daar ergens. Hij deed dat in de Karpioen, dat was zo’n kleine wagen op vier wielen met een paard ervoor.

th_Jan Huetink 20150425-_PEE4645Over die appelbomen is nog wel een mooi verhaal uit de oorlog. In die tijd waren er waren overal evacués, ook hier in het dorp. Van Eerden was bij ‘De Rozenhoeve’ geëvacueerd, en er waren ook een heleboel kinderen bij. Die gingen ’s avonds in het half donker de boel verkennen. Daarbij, de appels bij de buurman smaken veel lekkerder dan van je zelf. Dus gingen ze door het bos naar de appelenhof, om lekker appels eten. Oom Bertus had dat een keer door gehad. Op de één of andere manier, aan de afdrukken van klompen of zo kon hij zien dat er jeugd geweest was. En toen heeft hij ze een keer opgewacht. Dat vertelde die Van Eerden me laatst zelf nog. ‘Nou op een gegeven moment waren we boven in de boom. En daar kwam Roerdink aan, met de zweppe en toen kregen we toch met die zweppe langs de benen heen. Oh oh. Wat konden wij hard lopen om weg te komen.’

th_Jan Huetink 20150425-_PEE4606Oom Bertus is kort na mijn komst gestorven, ik geloof in 1961. Ik heb hem eigenlijk niet zo meegemaakt. Hij was niet erg groot. Ik heb nog wel foto’s dat hij met de geubel, naast de Schoppe, aan het graan malen was.  Vroeger gingen ze eerst met een ‘vlaegel’ met de hand met zo’n klos op de deel, aan het graan malen.

th_Jan Huetink 20150425-_PEE4601Tante Rika en oom Bertus wasten geloof ik één keer in de zes weken. Voor personeel en iedereen die daar aanwezig was werd buiten in de fornuispot de was gekookt. Dat is zo’n hele grote ijzeren pot, die ingemetseld is en aan de voorkant is er een groot vuur en daar onder werd hout gestookt, in het washuis. Het was aan de voorkant bij ‘Het Roerdink’. Het is er nou nog, maar het is nou paardenstal geworden. Daarna werd alles geweekt, gekookt en gedaan. En dan ging dat hele spul met paard en kar naar de Brandkolk. Daar werd het weer schoon gewassen en dan werd het op het gras gebleekt. De Brandkolk is in de oorlog gegraven door arbeiders van de werkverschaffing. Met een sleep aan een hele lange stok haalde ze dat heldere water van de brandkolk, waar heel veel grint in zat, naar boven. Die sleep had een lange slurf eraan en een lang vat erop, en dan goten ze dat zo over dat wasgoed heen om het te bleken. Dat werd nog zo gedaan tot net voordat ik kwam. Ik heb het zelf niet gezien.

th_Jan Huetink 20150425-_PEE4682Ik heb wel een keer meegemaakt dat de oom en tante met het rijtuig op visite gingen. Dan gingen ze naar Winterswijk en wilden ze niet gezien worden en dan deden ze de gordijntjes van boven naar binnenin dicht, met zo’n rolletje. Op een gegeven moment waren ze met de ponymax bij Toers, een eind verder, bij boerderij  ‘Haverwieske’. Daar werd aan de waterleiding gewerkt en daar schrok het paard zo van dat hij op links zo de sloot in ging. Het rijtuig half om half ondersteboven. Dat was heel erg schrikken. Ze kwamen er wel met schrammen en dergelijke uit, maar dat was een natuurlijk een hele consternatie. Het paard was verder heel goed. Hij was natuurlijk aan het springen maar zat vast en lag op de rug in de sloot. Op de een of andere manier hebben ze hem er toch uit gekregen, met behulp van de buren uit de omgeving. ‘Daornao ging ’t hele spöl dan weer op huus an en was de visite afelopen veurdat dee begonnen was’.

th_Jan Huetink 20150425-_PEE4691Ze verplaatsten zich altijd in het rijtuig, want zij hadden toentertijd geen auto. Dat was toen nog niet de gewoonte, hoewel oom Bertus wel een brommer had. Een solex, voor die tijd was dat wel iets heel bijzonders. En die mocht ik ook wel eens gebruiken. Als ik het vroeg dan, hè. Ik moest het wel vragen, anders kreeg ik door de benen.
Ik vond het nog wel jammer dat die brik later verkocht werd. Een oud ijzerhandelaar, zo’n sjacheraar, uit Brummen, uit de buurt van het ouderlijk huis van tante Rika is daar gaan vragen of ze niet wat te verkopen hadden, oud ijzer of zoiets dergelijks, of een rijtuig, of een Tilbury. De familie van tante Rika heeft hem toen naar ‘Het Roerdink’ gestuurd. Ik was ’s morgens net naar de markt geweest in Doetinchem en ik was er weer om twaalf uur, half één zoiets en toen stond er iemand bij het huis van tante Rika. Hij kwam de brik ophalen, die had hij gekocht, zei hij. En hij vroeg ook nog aan tante Rika, of er nog lampen bij waren.  Ze heeft die mooie koperen lampen met kaarsen erin zo maar meegegeven. Hij heeft hem geloof ik gekocht voor vijftig gulden, het was toen nog guldens tijd.”

th_Jan Huetink 20150425-_PEE4607De Scholten gingen heel goed met elkaar om. Ze gingen bij elkaar op visite. Als er het een of ander te doen was, dan kwamen ze bij mekaar. Ik heb er nog hele mooie foto’s van. Zo waren ze eens bij elkaar gekomen op een tuinderij. Er was iets nieuws op kunstmest gebied. De schoolmeester was erbij om tekst en uitleg te geven. Al die stugge Scholtenboeren, van ‘Het Gosselink’, van ‘Het Lintum en van de Scholte uit Ratum, zaten daar allemaal met de bolhoed op. Het was wel een beetje de society, de elite.
De pachters hadden veel ontzag voor ze. Dat was helemaal, met de pet af en met de pet onder de arm. Ik heb hier meegemaakt dat de oude Naves, van ‘Broekert’, met de pet onder de arm bij tante Rika aan de bel kwam, of ze toch ‘Astebleeft een stuksken grond mochten huren. Want ze wilden toch ook een klein betjen wieter’.
En als in Miste de Scholtinne eraan kwam bij een pachter,
dan werd gauw de suiker en de eieren van tafel af gezet. Dat moest zo gauw mogelijk weg, want ze mocht niet zien dat ze zo ‘rieve’ (verkwistend) waren.”

Kijk ook eens op: