Winterswijk: Toen zei ze, ‘Wat is dat hier? Is het feest?’

th__PEE3503 Jan KrosenbrinkJan Krosenbrink

Liever was Jan Krosenbrink (1923) timmerman geworden en vast een heel goede, gezien het bijzondere, zelfgemaakte houtsnijwerk in zijn huidige appartement. Prachtig tekenen kon hij ook, maar boer moest hij worden. Net als zijn vader, grootvader én overgrootvader, die rond 1850 op pachtboerderij de Stroete begon van Scholteboer Tenkink in het Woold. Begin jaren tachtig kwam aan deze traditie een eind door gezondheidsproblemen van Jan. En nu zit ik bij hem aan de koffie. Aan de muur meerdere schilderijtjes van zijn geliefde boerderij, waarover hij graag vertelt. Jan Krosenbrink is inmiddels bijna 92 jaar, maar nog vol humor en optimisme.

Auteur: Saskia Toebes-Stortelers, auteur foto’s: Peter Eekelder

th__PEE3428 pachtboerderij de Stroete“In achttienhonderd zoveel zijn er een heleboel naar Amerika gegaan om te boeren. Er werd bekend gemaakt dat het daar veel beter was dan hier. Veel zijn er overigens niet overgekomen. Toen had je nog maar gammele bootjes natuurlijk. Zo kwam het dat er zes à zeven plaatsen leegstonden in het Woold en grootvader en grootmoeder het voor het uitzoeken hadden waar ze heen wilden. Ze zijn naar boerderij de Stroete gegaan. Je had drie Strooterboeren bij elkaar: Strooter-Huiskamp, Strooter-Kamerman en Strooter-Krosenbrink. Mijn familie heeft daar 140 jaar gewoond en altijd huur betaald. De boerderijen waren in het bezit van een dochter van Tenkink die getrouwd is met iemand uit Borculo. Voordat ze trouwde, kreeg zij er twee boerderijen bij, waar ze van leven konden. Ze heeft twee kinderen gehad. Haar zoon is getrouwd, maar heeft geen kinderen gekregen en haar dochter is nooit getrouwd.
th__PEE3479 uit de oude doos J KrosenbrinkAls je op een pachtboerderij zat en je had een zoon of dochter die zo oud waren dat ze wel uit huis konden, dan wilde de heerschap ze hebben, dan moest je als meid of knecht naar de Scholte. Ome Jan was ouder dan mijn vader en hij moest dat ook. Hij is bij het Lintum paardenknecht geweest. Of het je nou aanstond of niet. Als je nee zei kon het zijn dat je de loszak kreeg, dat je van de boerderij af moest. Zo waren die Scholten. Vader had zo’n schrik veur ’n heerschop, als hij toch iets deed wat niet goed was… Ik was nog maar een bunze, ik ging nog naar school. Maar als de heerschap kwam, dan moest de boter gauw van tafel. Het spekvet moest er staan als die man kwam kijken. Als je het maar niet zó rijk had dat je boter had! Bij mijn vader is het een keer zo erg geweest.. Die reed melk toen hij een keer van iemand een mud eierkolen meenam die hij in het dorp moest afleveren. Hij kreeg daarvoor een sigaar en dacht: ‘Die kan ik nu wel bij me steken, maar met al die bussen en gerei druk ik hem misschien kapot’. Dus toen stak hij hem maar aan. Maar toen kwam hij de Scholte tegen en heeft hij die sigaar tussen de benen gehouden. Hij heeft zich een gat in de manchester bokse gebrand. Zo bang was men voor de Scholte!

th__PEE3531 uit de oude doos J KrosenbrinkAl ging je naar school, je moest ’s ochtends altijd werken. En wanneer je uit school kwam, ging de andere broek weer aan en moest je weer wat doen. Ik hield van tekenen, daar had ik een negen voor. Dat schilderij met die cactusplanten heb ik ook gemaakt, met Oost-Indische inkt. Die had de meester in het lesboek staan. Dat boek kreeg ik mee naar huis zodat ik ’s avonds in huis verder kon schilderen. Ik wou vroeger timmerman worden, maar dat mocht ook niet. Boeren mocht je.
Na het trouwen zijn wij we bij mijn oudelui in gaan wonen. Hanna en ik hebben nog een tijd de school schoongemaakt. ’s Morgens als je het melken af had en het eten op, moest je daarheen om de kachels aan te maken. Later zijn wij aan het gebouw gekomen, het Verenigingsgebouw. Daar hebben we ook veel gewerkt. Hanna met koken en zo voor bruiloften. Je was hele dagen druk.

th__PEE3480 uit de oude doos J KrosenbrinkHet gerei verbouwde je allemaal op het land en dat moest geharkt worden. We verbouwden rogge en aardappels. We hebben misschien zo’n tweeëneenhalve bunder gehad. Nee, nog meer met weides en alles. We kregen er later van de buurman nog meer bij. Je verbouwde van alles voor jezelf. Eerst moest je met zo’n mangelmachientje bietenzaad zaaien zodat de beesten wat hadden voor de winter. En dan had je de tuin voor, waarin van alles verbouwd; sla, boerenkool, noem maar op. En een groot stuk met aardappelen, die moest je met een stamper bewerken en erin gooien. Als de aardappels eraf kwamen, deden we ze in een kuil en we hebben ze ook nog verkocht in het dorp, met 50 pond tegelijk. Daar kreeg je dan misschien een gulden voor. Als je wortels verbouwde werd er eerst ook nog wel eens slazaad door gedaan. Dan kon je de rijen beter vinden; de sla kwam eerder uit dan de wortelen. Het was makkelijker om schoon te houden en later kon je daar zo de sla even tussenuit snijden.
We hadden 50 varkens, een stuk of 12 koeien en jongvee, een stuk of 8 à 9. En ja, dat moest ook allemaal wat hebben. ’s Morgens om zes uur moest je eruit om te melken, want om half acht moest je de melk an ‘n diek hebben staan. Dat ging dan naar de boterfabriek. Later kregen we een melkmachine, dat scheelde al. In de winter moest je de beesten nog water geven. Dan ging je ’s avonds met emmers vol door de keuken heen. Toen hadden we de pomp in de waskamer nog niet. Nadat we de leiding van de put onder de keukenvloer door naar de waskamer hadden gemaakt, hadden we daar de pomp staan. Dat was al een hele verbetering, daar moest je ’s avonds een tijd aan de pomp zitten opdat de beesten water kregen. Dat moest je met een emmer voorhouden, later kregen we zelfdrinkers, dat was veel makkelijker.
We hadden ook altijd zo’n 200 kippen. De eieren nam je mee naar Berenschot, naar de molen als je meel haalde. Daar leverde je de eieren af en nam je winkelwaren mee. Die verkochten ze daar ook. Als je weer naar huis ging, had je toch wel voor 600 gulden op de wagen liggen aan meel voor de varkens en gerei.

th__PEE3475uit de oude doos J KrosenbrinkTrekker heb ik nooit gereden. Voor het werk hadden we paarden. En voor de wagen, als je naar de molen ging en zo. We hadden een mooi Gelders ras en de Wooldse smid haalde dat paard altijd op. Die had een mooi koetsje en als Hanna en ik ‘s zondags naar de kerk geweest waren en we kwamen thuis, dan zeiden we: ‘t ‘Peerd is ok weg’. Dan had de smid hem weer en reed hij er overdag mee rond. Als het paard beslagen moest worden, deed hij dat ook en hoefde ik dat niet te betalen. Dan stond hij weer vierkant op ijzers. Op het laatst wou hij het paard graag hebben en heb ik hem niet te duur verkocht. Ik wist waar hij terecht kwam, dat was al heel wat waard.
We hadden ook nog een wevershuisje. Vroeger heeft daar een weefgetouw in gestaan. Daar werd nog geweven. Lakens en van alles werd daar gemaakt. Of mijn vader en moeder dat gedaan hebben of de generatie van daarvoor, dat weet ik niet. Dat spul stond er nog wel in, maar dat heeft vader eruit gebroken, want later hadden we dat niet meer. Een paard heeft er nog een veulen in gekregen en wij hadden er een varken in. Later hebben we het ingericht, eerst met een fornuispot en daarna met een kachel. Een zuster van vader heeft er nog in gewoond in de oorlog samen met nog een familie, omdat ze zo bombardeerden in het dorp. Ze hadden het drinkwater er dichtbij, omdat die put ervoor staat en dat water was zo helder! Nu is het helemaal opgeknapt en in het monumentenspul gekomen.

Vroeger moest je tijdens het oogsten eerst zorgen dat de heerschap het spul binnen had. Als die het graan eraf had, dan kon je aan je eigen beginnen. Dat waren warkedagen en die hoorden bij de huur. Het was een plicht van helpen. Hanna is met haar vader ook nog wel naar Tenkink in Ratum geweest. Dan moest haar vader roggemaaien, zij binden. En achter in het Woold had je Roert. Hij had een grote bel achter het huis en als hij volk wou hebben, begon hij aan die bel te rammelen en dan moesten ze komen.
En die ongetrouwde juffrouw later, die was ook wel wat mans. Och man! Eens hadden we het huis helemaal opgeschilderd en toen zei ze: ‘Wat is het hier? Is er feest?’ Niet natuurlijk, maar ze vroeg het omdat het huis zo netjes geworden was. Ik zei: ‘Ja, als je me nu netjes zou vragen hoeveel geld er voor de verf opgegaan is, dan kun je me dat terugbetalen’. Maar nee, dat hadden we achter haar rug om gedaan, dus dat gaf ongenoegen! Toen boerde ik al en hadden we met het heerschap niks van doen; die zat in Den Haag. Maar nog laten zien dat je baas bent!

Tenkink Lintum, die jongens, daar kon ik wel aardig goed mee. Maar die Bernhard die was ook niet de makkelijkste. Ik moest takkenbossen maken voor onszelf, afvalhout om kapot te zagen voor de kachel. Maar dat waren nauwelijks takkenbossen te noemen. Dat waren lange dingen en als je dat dennenspul en naalden eraf haalde, dan hield je niks over. Toen kwam hij in het bos bij me en heb ik hem weggekeken. Ik zei tegen vader: ‘Morgenvroeg, voordat ik weer naar het bos ga, ga ik eerst naar Tenkink heen. Ik wil nog eens weten wat hij daar allemaal opgenoemd heeft’. Dat mag je niet, zei vader Ik zei: ‘Dat doe ik wél. Ik wil weten wat hij mij daar allemaal toegeschoven heeft’.
Ik ben ernaartoe gegaan en die schansen zouden 9 cent kosten. Zijn vrouw was erbij en die keek mij een beetje lachend aan. Maar hij nam op het laatst toch nog een dubbeltje voor die dingen. Later als je hout wilde hebben, dan was het: ‘Ga maar naar het bos, daar ligt genoeg. Zoek het maar bij elkaar en haal het maar naar huis’. Ik zei: ‘Ik weet genoeg, dan hoef ik niet te betalen’. Maar dan wilde hij alsnog een tientje hebben voor al het hout. Daar moest je wel 4 à 5 keer met de wagen heen om op te halen en dan op het laatst voor één tientje. Dat was nagenoeg voor niets, maar toch wilde hij altijd zijn recht hebben.
Nadat ik een hartinfarct kreeg, hebben we een jaar lang bedrijfshulp gehad. Alles wat je verdiende op de boerderij ging daarheen. Dan kun je toch beter stoppen? Omdat het erfgoed was kon ik het niet kopen, zeiden de jongens van Tenkink. En zo is dat weer naar ’t Lintum gegaan. Een van de kinderen van Johan Tenkink woont nu in ons huis.”

Kijk ook eens op: