Winterswijk: Van slègel tot doodskist, alles maakten we

Jan Kruisselbrink

Op een prachtige plek op de grens van Kotten en Woold, aan het Kienveen, woont Jan Kruisselbrink met zijn vrouw Annie. Zijn wieg stond op boerderij De Snieder, maar Jan werd timmerman, een keuze waar hij nooit spijt van heeft gehad. Op een mooie herfstmiddag zitten we samen in de kamer, uitkijkend over de weilanden, terwijl Jan vertelt over vroeger, over zijn werk als timmerman. Een tijd waarin hij van alles maakte, van slègel tot doodskist voor de scholte. Het wordt een aangename middag, en de tijd vliegt om…….

Auteur: Else Klomps (op verzoek geen foto’s)

“Mijn opa was timmerman, en mijn vader kon aardig goed timmeren; ik denk dat het een beetje in de familie zit. Mijn vader was boer, maar ik had geen zin ook boer te worden. Ik wilde altijd al timmerman worden, en dat is ook gebeurd. Als kleine jongen, al voordat ik naar de lagere school ging, was ik altijd met hamer en knijptang bezig. Als mijn vader ergens spijkers had liggen en ik vond ze, dan was ik aan het timmeren. Na de lagere school ben ik twee jaar naar de ambachtsschool gegaan. Toen zaten de aannemers hier in de buurt erg verlegen om volk. Zo kwam ik bij Wiggers in het Woold terecht. Daar heb ik het timmeren echt geleerd. Na die twee jaar technische school ben ik nog een paar jaar naar de avondschool geweest. Daarna moest ik in dienst en dáárna heb ik ‘Aannemer BU’ gedaan. Dat was hard werken, maar het is me gelukt. Al ben ik nooit voor mezelf gaan timmeren als aannemer.

Ik heb eigenlijk van alles gemaakt. Kruiwagens, een kar voor de paarden, ladders, legnesten, kippenhokken, voerbakken, vensters. Van slègel tot doodskist, alles maakten we, wat maar nodig was. De eerste keer op karwei viel niet mee. Op de technische school had je allemaal mooi hout, maar bij de boer was dat niet. Daar moest je zelf eikenhout schaven, en dat viel nog niet mee eerst. ‘Mo’j maor luk schuun ovver ’t stukke’, zeiden ze dan, en dan kreeg je de balken mooi glad, of nou ja, glad…Veel van wat je in de werkplaats klaarmaakte, zoals de deurtjes en de varkensslègels, nam je op de nek mee naar de boeren. Als je een paar kilometer moest fietsen ging het nog wel, maar op den duur drukte dat toch wel aardig door.

Eén van de eerste bouwen waar ik kwam was bij De Vrees in het Woold: een luifel boven de voordeur, met leitjes erop. En nieuwe goten aan het huis bij Hijink in het Woold, en later kwamen we ook nog in Ratum terecht. Je hield in die tijd veel dezelfde klanten, het verloop was niet zo groot.
Er werd bij de scholte zelf getimmerd, maar ook bij de pachtboeren. Als er een kippenhok bij het huis gezet werd, moest de pachtboer dat zelf doen. Dat deed de scholte niet. Toendertijd werden weinig boerderijen onderhouden: veel windveren kapot, de daken kapot. Tegenwoordig wordt dat veel beter bijgehouden. Ik denk eigenlijk dat de scholtenboeren de financiële middelen niet hadden om de aannemers uit te betalen. Ze hadden bezittingen genoeg en ook goed wat te eten. Maar geld hadden ze niet.

Wel lieten ze hun eigen kist maken, de scholtenboeren. Dat is natuurlijk een stuk status, dat geeft een beetje aanzien. Nu nog  vragen mensen weleens: ‘Heb je daar nog een kist voor gemaakt?’ De gewone man had toen al een kist uit de fabriek. Die bestond vaak uit opgelegd, gefineerd spaanplaat, een beetje lichter dan het eikenhout van de scholtenboer. De meeste scholten hadden eiken om het huis staan, of eiken in het bos waar ze af en toe eens wat van omzaagden. Dat hout ging dan naar de zagerij, waar ze er planken van maakten, dikke planken, of regels. Maar misschien dachten ze er ook wel over na dat daar op den duur nog een kist van moest komen. De meeste scholtenboeren hadden het eikenhout liggen.

Dat kist maken deden we altijd met twee man. Zo kon je dat net in een dag klaar krijgen. Eerst naar de scholtenboer. Die had de eiken planken in de schuur of op zolder liggen. En daar zocht je de mooiste uit. Als je er genoeg had, ging je ermee naar de werkplaats. En dan overlegden we eerst met een paar man. Was het een grote kerel, een kleine kerel, breed… daar werd een beetje rekening mee gehouden. En dan maakte je een mooie doodskist. Met een los deksel dat ze er af konden doen. Of met een ruitje erin. Dat ruit werd eruit gehaald en dan werd het dekseltje, dat er uit gezaagd was, er in weer in gelegd en vastgeschroefd . ’s Avonds kon je de kist nog niet wegbrengen, want je moest hem ook nog lakken en het duurde zeker een nacht voordat het een beetje droog was. Dus hoe sneller de kist klaar was, hoe beter. Dan had hij nog tijd om te drogen. De timmerman draaide uiteindelijk ook de kist dicht, hij had er beheer over. En het lijk er in leggen, dat deed de timmerman ook. De eerste keer is dat wel wonderlijk. Alles is stijf. Ja, dat is wel een hele ervaring.

Ik heb ook wel eens gebintwerk  gemaakt; echt ouderwets gebintwerk wat je met een stokboor draaide. Precies naast elkaar gaatjes maken en vierkant uitslaan met een beitel en vervolgens aan een andere balk een pen schaven die er precies in past. Dan zat je daar op je kont op de balken gaten te hakken en pennen te zagen, pennen maken, toogpinnen en alles mooi schaven zodat het paste. Er zaten heel wat uren in zo’n gebintwerk, maar het was mooi werk! Er komt geen spijker aan te pas, alles werd met hout gemaakt. Spijkers waren ook niet goedkoop toen, in verhouding met nu. Dat was smidswerk, handwerk. Daar gaat tijd in zitten.

We hadden, denk ik, net zo veel werk van de gewone boer als van de scholten. Het maakte me ook niet zoveel uit waar ik werkte. Ik heb eigenlijk nooit ruzie gehad. Je kwam wel eens wat tegen waar je een avond over na moest denken: ‘hoe lossen we dat nou op’. Maar ik heb nooit problemen gehad. Een beetje overleggen, en de plezierige kant bekijken. Het is altijd goed verlopen, gelukkig wel. Gemoedelijk, ja, gemoedelijk, dat was het.

Nee, ik zeg niet dat het vroeger beter was dan nu. Het was meer handwerk, meer lichamelijk werk. En de kleding… Vroeger stond je ook wel eens in de regen te werken. Dan had je een oud colbertjasje aan dat nat werd, en dan trok je na de middag een ander jasje aan. Nu trek je er gauw een plastic jas overheen en werk je nog niet met plezier in de regen, maar je blijft toch droger. Aan de andere kant konden we vroeger wel eens schipperen en zeggen:  ‘we werken binnen in het huis’ of ‘we gaan naar de werkplaats en daar maken we wat we nodig hebben’. Maar als je nu een grote bouw hebt, dan kan dat niet meer. Je kunt het niet meer zo indelen zoals je toen deed. Het was een heel andere tijd, heel anders. Je werkte met een handzaag, een schaaf, een winkelhaak, een paar beitels, hamer en knijptang. Je kon haast alles in de fietstas meenemen. Een handcirkel was er niet, schaafmachientjes waren er niet. We deden alles met de handen. Maar toch, ik heb met veel plezier gewerkt bij Wiggers, tot aan mijn VUT, precies 45 jaar.”

Kijk ook eens op: