Winterswijk: Mijn voorvaderen hebben ook goede dingen gedaan

th_Joke Obbink-Tenkink20150530-_PEE5466-oral historyJoke Obbink-Tenkink

Joke Obbink-Tenkink is de oudste dochter van scholteboer Johan Tenkink uit de buurtschap Het Woold. Na haar huwelijk is ze weggegaan uit de Achterhoek. Tegenwoordig wonen zij en haar echtgenoot in een nieuwbouwwijk in Warnsveld. Joke heeft een aantal landgoederen in Winterswijk geërfd, waar ze het beheer over voert. Ze gaat er vaak heen, maar hoe mooi ze het Achterhoekse coulissenlandschap ook vindt, ze zou er nu niet meer gaan wonen. Bij een kopje thee vertelt ze me rustig en weloverwogen wat ze zich herinnert van haar jeugd in Winterswijk.

Auteur: Nicolien van Doorn, auteur foto’s: Peter Eekelder

“Ik kom van een landgoed dat aanvankelijk heel groot was, met heel veel pachtboerderijen. Toen mijn opa was overleden, kregen zijn vier kinderen elk een deel. Mijn oom was de oudste zoon, mijn vader de tweede. Omdat oom Bernard reuma had en daardoor geen bedrijf kon leiden, deed mijn vader dat. Het was een typisch Achterhoeks gemengd bedrijf. Er waren koeien, een paar kippen en aanvankelijk ook nog wat varkens. Er werd rogge verbouwd en allerlei soorten graan. De koeien werden met een melkmachine gemolken, en deels met de hand. Mijn vader had één vaste arbeider. Mijn oom had nog meer mensen in dienst, die werkten daar een of twee dagen in de week, sommigen ook wel de hele week.

th_Joke Obbink-Tenkink20150529-_PEE5397-oral historyMijn vader was een lieve man, maar mijn oom was een echt heerschap. Om een voorbeeld te geven: het waterschap inde geld voor het reguleren van het watersysteem. Maar mijn oom, en dus ook mijn vader, wilden daar niks mee te maken hebben. Voor dat werk hadden zij hun eigen mensen. Die maakten het jaar rond alle sloten op die gronden schoon. Dat is heel lang zo doorgegaan, maar de tijden veranderden. Ik weet niet precies waar het omslagpunt lag, maar op een gegeven moment kon het niet meer uit en werden er geen nieuwe mensen meer in dienst genomen.

Twee keer per jaar, op 22 februari en ergens in november, kwamen de boeren langs met het pachtgeld. Ze kwamen in de keuken en dan moest er natuurlijk iets op tafel komen. Mijn moeder verzuchtte weleens: ‘Woonde ik maar in het dorp, gewoon lekker aan de straat’. Want iedereen keek naar hen en leverde commentaar. Niets bleef geheim, alles werd doorgebriefd.

th_Joke Obbink-Tenkink20150529-_PEE5434-oral historyDe pachters betaalden alleen in geld. Wel kwamen ze helpen bij het binnenhalen van de rogge en het hooi en zo. Na afloop waren er dan altijd een paar potjes bier. Ik weet niet of ze daarvoor betaald kregen. Volgens mij ging het om noaberschap. Die was er ook wanneer er iemand stierf, dan werd de hele buurt aangezegd door de naaste buur. Zelf hoefde je dan niet veel te doen, de buurt nam alles op zich. Bij de begrafenis smeerden zij de broodjes, zetten de koffie en droegen de kist. En bij geboortes kwam iedereen kroamschudden. Dat was een vaststaand iets, daar kon je niet omheen.

Als klein kind heb ik me nooit gerealiseerd dat er verschil was tussen mij en andere kinderen. Dat merkte ik voor het eerst toen ik op de lagere school begon. Als ik dan bij een vriendinnetje speelde, kreeg ik opmerkingen als: ‘Je bunt er ene van een scholte’. Ik begreep daar niets van. Ik wist helemaal niet wat dat was. Ik weet nog dat er een keer tegen mij werd gezegd: ‘Jao, biej-oe tuus daor meug je nog geen kupken breken’. Dat sloeg natuurlijk nergens op, want bij ons vielen net zo veel kopjes kapot als bij een ander. Ik heb dat soort opmerkingen niet als positief ervaren. Daar kwam bij dat ik ben geboren op 4 oktober, ik was dus al bijna zeven toen ik in de eerste klas begon. Maar vlak voor de kerstvakantie van het tweede jaar werd mij medegedeeld dat ik een klas zou overslaan, want ik had allemaal achten en negens op mijn rapport. Na de kerstvakantie zat ik dus ineens in de derde klas, met veel oudere kinderen die mij eigenlijk niet accepteerden. Ik denk mede omdat ik van een scholte was. De kinderen die een klas lager zaten vonden het natuurlijk ook maar idioot dat ik een klas hoger zat.

th_Joke Obbink-Tenkink20150529-_PEE5457-oral historyIk heb van meerdere dochters, maar ook wel van zoons van scholteboeren gehoord dat zij er ook een tijdlang een behoorlijk negatief gevoel bij hebben gehad. Het grootste deel in zo’n buurtschap was geen scholte, en als jij dat dan toevallig wel was… Ik ging naar pianoles, verder deed niemand dat. De meesten waren nog nooit buiten de gemeentegrenzen geweest, maar wij gingen in de zomer naar een hotel in Noordwijk. Ik droeg ook modernere kleren, ik was het eerste meisje daar in de buurt dat maillots droeg. Ik weet nog dat die andere meiden zeiden: ‘Kiek joh, he maillots aan!’ En twee keer in de week ging ik naar Franse les. Want ik zou naar de HBS gaan, als enige meisje uit de hele buurt. Dat vond ik niet altijd leuk, maar dat werd gewoon voor jou bepaald. Dus daardoor had ik een tijdlang negatieve gevoelens, ook omdat ik van mijn ouders hoorde van hun zorgen over de pachtboerderijen en het onderhoud daarvan. Want het kostte allemaal wel bakken met geld.

Ik moest natuurlijk ook met de dochters van andere scholteboeren omgaan. Maar denk maar niet dat ik dat leuk vond, soms was dat vreselijk. Ik weet nog dat ik ergens moest logeren. We aten soep en ik bracht niet de lepel naar mijn mond, ik bracht mijn mond naar de soep en kreeg een uitbrander. Alles draaide om etiquette. Bij ons thuis werd daar iets minder naar gekeken. We leerden het wel, en we spraken ook alleen maar Hollands thuis. Geen dialect, al heb ik dat uiteraard wel geleerd toen ik naar school ging. Dat het bij ons thuis minder streng was dan bij veel anderen kwam denk ik omdat mijn moeder meer van de wereld had gezien. Zij had in Deventer op kamers gezeten en een tijdje in Zutphen gewoond. Ze had familieleden die in het westen woonden en daar ging ze logeren met haar zussen, waardoor ze hele andere dingen meemaakte. Ook heel deftig hoor, daar niet van, maar wel wereldser, niet zo gevangen.

th_Joke Obbink-Tenkink20150530-_PEE5479-oral historyMijn moeder was een open vrouw. Ik was de oudste en ze vertelde mij alles. Ook dingen die ik niet begreep en die ik pas kon plaatsen toen ik volwassen was. Er werd natuurlijk heel veel ingetrouwd in de familie. Als je die stambomen bekijkt, zie je alsmaar dezelfde namen. In het algemeen werd er, denk ik, niet uit liefde getrouwd, maar om de boel bij elkaar te houden. Het was dus misschien niet gek dat een man een keer vreemdging. Maar dat zeg ik met de blik van nu.

Scholten gingen over en weer bij elkaar op visite. Dan zat de hele kamer vol en werd er ontzettend veel gelachen. Mijn ouders werden bij verschillende mensen teruggevraagd, maar dat was wel altijd hetzelfde patroon. Dat had ook met godsdienst te maken. Wij waren Nederlands Hervormd. De katholieken, ‘die fien’n’, dat was een ander slag. Maar van de scholteboeren was iedereen geloof ik Nederlands Hervormd. Daarom heb ik nooit gehoord dat iemand qua geloof niet binnen die groep paste.

th_Joke Obbink-Tenkink20150529-_PEE5375-oral historyEind augustus, op Koninginnedag, was het volksfeest in Winterswijk op vrijdag en zaterdag. Vrijdagochtend zaten wij met gelijkgestemden bij hotel De Klok, daar kwam het bloemencorso langs. En ’s middags moest ik naar het Kinderbal. Of ik dat leuk vond? Tja, je werd er gewoon heengebracht, dat hoorde zo. Het was voor de bovenlaag van Winterswijk, Jan met de pet en de pachters kwamen daar niet. Die gingen op zaterdag naar het bloemencorso kijken en een week later hadden zij in het buurtschap een eigen volksfeest. Dan gingen ze uit hun dak door veel alcohol te drinken.

Omdat mijn voorvaderen het verenigingsgebouw in ons buurtschap hadden gesticht, waren de voorzitters altijd familieleden van ons. Ook mijn vader werd voorzitter van het bestuur en moest het volksfeest in Het Woold openen. Veel later heb ik me gerealiseerd dat mijn voorvaderen ook wel goede dingen hebben gedaan. Behalve dat ze het verenigingsgebouw hebben gesticht, hebben ze de bossen goed onderhouden. Want bij het bedrijf hoorde ook bosbouw. Er werden bomen gekapt en dat hout werd verkocht. Begin twintigste eeuw heeft een oom van mijn vader, die ook op het landgoed woonde, een zagerij opgericht. De planken die daar werden gezaagd, werden gebruikt voor onderhoud van de boerderijtjes en deels verkocht. Het verenigingsgebouw en de zagerij bestaan allebei nog. In die zin hebben de scholten dus ook wel goede dingen achtergelaten.

oral history winterswijk peter eekelder, joke obbink-tenkink

De bedrijfsvoering van de scholteboeren was behoudend, waardoor de opbrengsten ook minder waren. Niet bij allemaal hoor, er waren er ook die het hele bedrijf hebben omgegooid tot een camping of zoiets, en daar veel succes mee hadden. Veel boeren gingen mee met de plannen van landbouwminister Mansholt en bouwden ligboxenstallen. Mijn vader heeft dat niet gedaan. Hij zei dat het niet goed was voor de bodem en achteraf heb ik weleens gedacht dat hij gelijk had. Wel is het zo dat een aantal bedrijven die destijds heel groot waren daardoor zijn blijven steken. Het bedrijf dat mijn vader had, is ook geen boerenbedrijf meer.

’s Winters gingen de scholten op jacht. Het was een vaste kliek. Op oude foto’s zie je van die lange, statige mannen met een hoed op, geweer in de hand en een enorm tableau voor hun voeten van wat er allemaal geschoten was. Als kind van vier ging ik al mee, dat vond ik leuk. Na afloop zaten de jagers bij mijn oom en tante in de kamer, daar kregen ze een pannenkoek of soep. De drijvers zaten in de keuken. Of die ook eten kregen weet ik niet, ik mocht bij de jagers zitten. Ik meen me te herinneren dat de drijvers vaak een konijn meekregen. De hazen gingen geloof ik naar de jagers zelf. Of ze werden verkocht aan de poelier. Ook ging er altijd wel een stuk wild naar de huisarts, de dominee en misschien ook naar het schoolhoofd.

Mijn vader had geen tractor, het land werd bewerkt met paarden. Ik wou heel graag paardrijden, maar dat mocht niet. ‘Zorg eerst maar dat je je school afmaakt, dan kijken we wel verder’, zeiden ze. Andere meisjes mochten wel paardrijden, maar ik dus niet. Want wij mochten ook heel veel niet. Naar bepaalde feesttenten gaan bijvoorbeeld. Maar ik ging toch wel, stiekem. Vroeger ging iedereen dansen op zaterdagavond en als jij daar dan als enige uit zo’n buurtschap nooit heen mocht omdat je naar een of ander kliekgebeuren moest… ‘C’est Magnifique’ heette dat geloof ik, daar gingen de meiden en jongens van de scholteboeren heen om elkaar te ontmoeten. Ik ging stiekem naar zo’n andere tent. Dan ging ik zogenaamd bij een vriendin slapen en gingen we samen naar de Harmonie in Winterswijk. Maar als ik thuis kwam, wist mijn moeder allang dat ik daar geweest was omdat ze ingelicht was door de buren. Dat waren de pachters en ja, hun zoons hadden mij natuurlijk in de Harmonie gezien.

Mijn ouders moedigden mij niet aan om met een scholte te trouwen. Daar waren ze vrij uniek in. Ik weet dat anderen veel problemen hebben gehad als ze een vriend of vriendin hadden uit een ander milieu. Maar goed, dat speelde gode zij dank bij ons niet. Als dochter van een scholteboer werd ik geacht naar Rollecate te gaan om landbouwhuishoudlerares te worden. Dan kon je lesgeven op een huishoudschool. Mijn moeder had er ook op gezeten, veel meisjes gingen daarheen, want dan was je een goede partij voor een grote boer. Mijn moeder nam mij dus mee naar Rollecate. Toen ik daar was dacht ik: daar ga ik niet heen! Heel veel meisjes van mijn generatie deden het wel, dat was een normale gang van zaken binnen die groep. Maar ik wilde niet, al wist ik bij god niet wat ik wel wilde. Ergens studeren durfde ik niet. Dat vond ik bedreigend. Je zat toch in die omgeving gevangen en ik was toen nog bang om eruit te breken. Ik ben naar het ziekenhuis in Winterswijk gestapt en heb me aangemeld voor de opleiding voor verpleegkundige.

Maar toen kwamen de negatieve opmerkingen van buiten. Iemand zei tegen mijn moeder: ‘Verpleegster, dat kan elke meid worden!’ Met andere woorden: voor een dochter van een scholteboer is dat veel te min. Toen ik die opleiding af had ben ik naar Ede gegaan omdat Bram, mijn echtgenoot, daar werkte. Daar kwam ik met mensen in contact die nog nooit van scholteboeren hadden gehoord. Toen kon ik voor mijn gevoel mezelf zijn. Ik weet nog dat ik dacht: oh, een vrouw mag dus zelf kiezen wat ze wil. Want bij ons werd je door de groep in een keurslijf geduwd. Het was zo’n verademing dat ik mocht werken terwijl ik getrouwd was. Schande, dat deed je niet! En dus heb ik afstand genomen van het hele gebeuren. Pas veel later kwam ik er weer meer, want ik heb daar landgoederen geërfd en moest wel terug. Maar toen was ik een ander mens en trok ik me niks meer aan van wat men zou denken. Ik houd van het coulisselandschap en vind het een voorrecht mee te mogen werken aan het behoud daarvan.”

Kijk ook eens op: