Winterswijk: Mijn vader dacht, die deerne uit het westen moet ik hebben

th_Coen Tenkink 20150425-_PEE4529

Coen Tenkink

Coen Tenkink is een van de laatste bewoners van het Scholtegoed Lutje Kössink in Winterswijk-Henxel. Scholteboeren trouwden veel binnen hun eigen familie of met andere Scholteboeren om het bezit veilig te stellen. Zo niet de vader van Coen Tenkink. Tijdens de hongertochten in de Tweede Wereldoorlog kwam een familie uit Amsterdam diverse keren op de fiets naar Winterswijk om op het Lutje Kössink eten te halen. Door het gastvrije onthaal ontstond een relatie tussen de vader en moeder van Coen Tenkink. Het verhaal van Coen Tenkink over zijn Amsterdamse moeder Nel Donker.

Auteur: Johan G. Esendam, auteur foto’s: Peter Eekelder

“Mijn vader woonde op het Lutje Kössink. Tijdens de hongertochten in de Tweede Wereldoorlog bezochten mensen uit het westen Lutje Kössink om eten te halen. Zij kwamen hiernaartoe op fietsen zonder banden, hielden een dag pauze en gingen dan weer in één dag terug. Men vertrok ’s morgens om vier uur en kwam ’s avonds om acht of negen uur met de fiets aan. Ze moesten ook nog de IJssel met bootjes oversteken omdat in de oorlog de brug kapot was. En als je geluk had, werd het eten niet afgenomen door de Duitsers. Er was een familie uit Amsterdam bij met een meisje van ongeveer twintig jaar. Mijn vader dacht toen: die deerne kump uut ut Westen, en dee duut dat? Dat is vast een flinke deerne, die moet ik hebben, en is later met haar getrouwd. Oorspronkelijk trouwden Scholteboeren vaak binnen de familie om het bezit bij elkaar te houden. Maar mijn opa en oma dachten dat fris bloed van een flinke Amsterdamse deerne betere garanties geeft voor een gezond nageslacht dan in de familie introuwen.

th_Coen Tenkink 20150425-_PEE4540Mijn moeder heeft hier als westerse eerst wel moeten wennen aan de gebruiken en tradities, dat was een verschil van dag en nacht. Ze was al wel een buitenmens in de stad, was vaak in de tuin met dieren. Ze was gek op paarden. Een van haar opa’s was meelhandelaar met een trekpaard. Daar was ze vaak te vinden. Ze zocht het avontuur wel op.
Als haar familieleden met de trein aankwamen in Winterswijk, werden zij met paard en koets van het station opgehaald. Dat je met paard en koets van de trein werd afgehaald en hier naar Lutje Kössink reed, heeft bij haar familie indruk gemaakt. Het was een echt ouderwetse koets van een Scholteboer die hier op de deel stond, met van die ronde glazen ramen aan de zijkant. Er konden zeker vier mensen binnen zitten en twee op de bok. Die koetsen waren toen allemaal hetzelfde ongeveer. Ik denk dat er bij de Harminahoeve nog eentje staat.
Na het trouwen van mijn vader en moeder is eerst geprobeerd om apart te wonen. Maar mijn opa vond het veel gezelliger bij mijn moeder. Dus hij kwam bij mijn moeder koffie drinken in plaats van bij zijn eigen vrouw. Dat heeft een tijdje geduurd totdat mijn moeder dacht: dit functioneert niet. Ze maakten er één grote familie van; één huishouding waar één gezamenlijke pot werd gekookt. Mijn vader en moeder waren een echt team, het was een goed stel.

Ik ben hier in 1949 geboren en had een oudere broer en twee jongere zussen. Mijn broer is techneut en is elektricien. Hij heeft in militaire dienst regel- en meettechniek gevolgd. Zijn hele leven heeft hij in de elektronica gezeten. Mijn zussen zijn net als mijn moeder creatief. Zij hebben onder andere het winkeltje gehad in de Jonenstraat bij fotograaf Ribbinkschut. Marian heeft daar een tijdje cursussen gegeven aan huisvrouwen, allerlei technieken. Marian was getrouwd met een arts en is later naar Heerlen verhuisd. Margriet zat ook in het creatieve vak en woont nu in Houten.

Mijn moeder was heel creatief. Door de oorlog is haar studie mislukt, maar ze had wel haar kwaliteiten. Zij had de goede eigenschap om meisjes die uit de ouderlijk macht ontzet waren als hulp in de huishouding in huis te nemen en daar een beetje sturing aan te geven. Ze had overredingskracht. Gezinnen begeleiden die ontspoord waren, dat kon ze heel goed. Zij had die gave. Het was voor mijn moeder ook een uitdaging. Eén van die meisjes had op haar achttiende al acht pleeggezinnen gehad. Zij is lang hier geweest en is vanuit dit huis met een melkboer uit de buurt getrouwd.
Mijn opa en oma van mijn moeders kant waren westerlingen. Mijn moeders vader had een verwarmingsbedrijf. In 1928 heeft hij de gasvlam aangelegd in het Olympisch Stadion. Een jaar of drie, vier geleden was ik daar, op het punt waar die gasvlam stond. De deur kon ik nog open krijgen en ik zag toen aan de gaten in de vloer waar die de gaspijp naar boven geleid was. Ik dacht: goh, dat heeft mijn opa nog gemaakt. Dat was heel leuk om nog eens te zien. Het ding doet het niet meer. Het is nu een ander systeem geloof ik, niet meer zoals toen de vlam van onderen werd aangestoken.
Mijn leven is vooral gevormd door het vroege overlijden van mijn vader. Hij was toen 44 jaar en ik 9. Ik heb toen gelijk gevraagd: wat moet er met de boerderij gebeuren? Mijn moeder was degene die zei: ‘Wij gaan er mee door’. Mijn oudere broer kwam in aanmerking maar voelde er niets voor, met al die ‘rotkoeien’. Ik ben er toen heel gauw ingerold. Op mijn twaalfde zat ik al koeien te melken. Mijn leven is erdoor gevormd, je werd gauw zelfstandig. Ik had wel door willen leren, maar het was of de boerderij of doorleren. Dat was geen keuze. Als je de middelbare landbouwschool maar hebt, dan heb je al heel wat, was het idee. En die heb ik dus wel gehaald. Onder de les werd ik wel eens gebeld. Dan was er weer een stier losgebroken, tijdens een proefwerk. Ik ben toen naar huis gegaan om de stier uit de wei te halen bij een paar vaarzen die niet gedekt mochten worden. Binnen hetzelfde uur was ik weer terug op school. Een komische leraar, meneer van Bruggen, zei: ‘Jouw koeien zijn maagdelijke diertjes die worden bedreigd’.

th_Coen Tenkink 20150425-_PEE4591De dag begon ’s morgens vroeg om half zeven met het melken van de koeien. Daarna volgde het ontbijt met de hele familie: een bord pap, gebakken eieren, lekker stevig. Vaak was er karnemelk. Dat kwam met de melkboer mee. Vroeger werden de melkbussen met paard en wagen gehaald en deze kwamen dan ’s middags terug, mét een vierliterbusje met karnemelk. Dat was heerlijke karnemelk, beter dan de huidige karnemelk die aardig zuurder is dan gewone melk. Er was ook gortepap en bloempap. Het middageten was altijd warm en vaak gemaakt van geweckte spullen uit de kelder. In die tijd werd heel veel ingeweckt en in de kelder gezet. Vlees, groente, de hele kelder stond vol voor de winter. Daar stond ook een grote kist met aardappels. Alles kwam uit eigen tuin natuurlijk, maar ook wel eens van de groenteboer.

Het was maar zelden dat het eten naar het land gebracht werd. Koffie of thee vaak wel, dat werd dan door mijn oma of de meid gebracht. Ook tijdens de oogst van de rogge. Dan was er wel een man of vijf, zes aan het werk. Zo tegen acht uur ’s avonds was het avondeten. Henk, de oude knecht, was niet helemaal je-weet-wel, die at wel eens teveel. Mijn oma had een grote koekenpan waar de pannenkoeken in werden gebakken. Henk vond die pannenkoeken zo lekker, hij at wel acht, negen, tien pannenkoeken. ‘Henk, moi der nog ene?’ Hij stotterde vreselijk en zei: ‘Ak, ak, ak der nog ene, ene bie kriege dan bun‘k zat’.
De moestuin was het domein van de vrouwen en is nog lang in stand gebleven. Maar nadat mijn vader overleden was had mijn moeder daar geen tijd meer voor. Ze moest haar werk doen op de boerderij. De moestuin is toen langzaam uit beeld verdwenen. Later is de tuin wel weer door mijn moeder onderhouden met plantenborders en gazon. Dat was een siertuin, met daarnaast een kleiner moestuintje met diverse groenten, rabarber, sla en zo.

In de buurtschap is het ‘Nieuwjaar afwinnen’ nog altijd een traditie. Wij hebben daar niet zo sterk aan meegedaan, omdat mijn moeder vaak familie uit het westen op bezoek had met oud en nieuw, of omdat we zelf bij familie op bezoek gingen. De rituelen werden daardoor heel anders. Oorspronkelijk ging je als kind Nieuwjaar winnen. Dan ging je de zeven, acht, negen noaste noabers langs en kreeg je echt een ontiegelijk grote zak met snoep bij elk adres. Ik denk nu: wat een overdaad was dat. Soms zat je wel drie dagen pinda’s te doppen.
Als de kinderen rond waren geweest op nieuwjaarsdag – dat duurde tot een uur of twaalf – dan was er altijd een vaste boerderij die begon met de nieuwjoarsvisites. Daar kwamen ’s middags de ouwe leu dan Nieuwjaar winnen bij de boer die het eerst aan de beurt was. Dan ging men na verloop van tijd, elke veertien dagen of drie weken, bij de volgende boer langs, nieuwjoar winnen. Bij sommigen werd het uitgesteld en uitgesteld en was men soms in oktober nog aan het nieuwjoar winnen. Ik heb ooit een sterk verhaal gehoord, aj dat rekkent of dat woar was, maar dat waren negen naaste buren, negen noabers, die gingen negen avonden achter elkaar bij elkaar op visite. Noa, dat is dan ook niet leuk meer natuurlijk.

th_Coen Tenkink 20150425-_PEE4585Een andere traditie van vaders kant was dat de Scholteboeren altijd bij elkaar op verjaardagsvisite gingen. Met paard en koets en later met de auto of op de fiets. Dat was nog heel lang een gebruik. Het gebeurde dat je wel twee tot drie keer per jaar bij iemand op de verjaardag kwam. In de familie van mijn moeder uit het westen van het land ging dat toch wel anders. Zij kwamen met de hoogtijdagen hier: Sinterklaas, Kerst en met de zomervakanties. Veel van haar neven en nichten uit het westen kwamen hier ’s zomers logeren en kregen dan van mijn moeder diverse vormen van opvoeding: hoe een boerenbedrijf in elkaar steekt, waar Abraham de mosterd vandaan haalt en over de bloemetjes en de bijtjes. Ze tekende dan op een ondergrond een hele grote koe met een baarmoeder erin waar het kalf in lag. Dat was heel aanschouwelijk. Ja, mijn Amsterdamse moeder was een veelzijdig mens, een heel warm mens. Een heel warm mens, dat was haar moeder ook. Ik bewaar daar heel goede herinneringen aan.”

Kijk ook eens op: