Winterswijk: Je kunt het heden niet eren als je het verleden niet kent

Jan Kruisselbrink

Jan Kruisselbrink groeide op op De Snieder, een pachtboerderijtje aan de Sieverdinkweg in Kotten.
Zijn vader was boer, hij timmerman in hart en nieren. Toen zijn vader met pensioen ging bouwde Jan een nieuw huis met woonruimte voor zijn ouders en zijn eigen gezin. Daar, in de gezellige woonkamer aan de Kienveenweg, kijkt Jan terug op zijn jeugd.

Auteur: Else Klomps (op verzoek geen foto’s)

“Mijn vader was boer en melkboer. Hij bracht de bussen melk van verschillende boeren naar de boterfabriek. Als je melkboer, of melkrijder, was dan kon je een paard houden, dan had je meteen een paard voor het werk. Doordat hij melkboer was, bleef er wel werk liggen. Het boeren op zich was toen ook nog veel werk. Er waren nog niet zulke mooie machines als nu, dus het was flink aanpakken en doorwerken.

De Snieder, het pachtboerderijtje waar we woonden , was gepacht van Grondman, dat  heel vroeger bij Oossink  hoorde. En Oossink hoorde bij Kloster  Burlo toendertijd. Oossink had meer boeren onder zich, zoals Joesman, Horsman, de Kuuper en Grondman. En die hadden dan ook weer boeren onder zich, maar eigenlijk was alles van het Kloster Burlo. Dat was zo groot, ik weet niet hoeveel bezittingen dat wel had. In elk geval moest mijn vader de huur betalen aan Grondman. Maar hij had geen helpedagen, dat bestond niet meer. Heel vroeger is dat wel geweest, het staat nog wel beschreven in een boekje over het klooster. Daar staat ook beschreven dat je kippen en het pachtzwijn en zelfs nog de eieren moest afdragen.

Het huis was slecht, heel slecht, zoals dat vaker het geval was. De Scholten onderhielden de boerderijen in die tijd slecht. Maar Grondman was ook geen echte Scholteboer. Het onderhoud viel in een schemergebied. Wie moest het aansturen? Grondman? Oossink, die ook weer moest afdragen aan Burlo? Of was het de taak van het klooster? Al met al kwam je er als pachter niets mee verder.

Begin 1900 hadden de boeren het goed, men begon kunstmest te gebruiken en kon zo meer produceren. Toen zijn er verschillende boeren geweest die een gebint bij aan het huis gezet hebben . De Snieder is er een van. Je kunt het nog herkennen als je binnenkomt; het gat van de middeler (een grote, uitneembare paal in het midden, red.) nog in de tweede balk zitten. Toen is het dwarshuis er ook voor gekomen. De buitenmuren waren steens, maar de binnenmuren halfsteens. Toendertijd werden de huizen zo op de grond gebouwd, zonder kruipruimte of spouwmuur. Je kon precies zien hoe hoog het vocht in de muren zat. Het leek schaduw, maar het was vocht. Wanneer je ’s winters, als het hard vroor, wakker werd en over de muur streek dan was het ijs.

Het voorhuis had een keuken met aan de ene kant een kelder en een kamer. En aan de andere kant had je een waskamer en een slaapkamer en geen kelder, maar een zolder. Dat was pakruimte voor hooi en stro. De vloer bestond in het begin nog uit veldkeitjes. Die werd vrijdags of ’s zaterdags geschrobd. Wat een werk was dat. Daar was je met twee man een uur druk mee. Eerst alles eruit halen. Dan water erin en maar schrobben. Dan was het allemaal wel mooi schoon, maar eerst echt koud. Want al dat vocht moest weer weg via de voordeur.

De keuken was echt groot. Daar hebben we later een gang afgetimmerd van de voordeur van het huis naar de deeldeur. Zo was de ruimte wat kleiner en kon je deze beter warm krijgen, want dat lukte in de winter nauwelijks. In de winter hadden we er een kachel staan, alleen in de keuken. Toen mijn zusje in de winter van 1946 is geboren, moest er van dokter Manschot ook een kachel in de slaapkamer gemaakt worden. Anders was mijn zusje doodgegaan. Het was echt veel te koud. Nou ja, er was verder ook niks. Er lagen wel tegels op de grond, maar die lagen gewoon in het zwarte zand.
We hadden geen elektriciteit. Als ik me goed herinner heeft burgemeester Vlam in 1957 bij De Busker op het Veen de petroleumlamp uitgeblazen en het knopje omgedraaid. Toen was heel Winterswijk aangesloten, op een paar boeren na, achterin Meddo. Toen er elektriciteit kwam, was dat een grote sprong vooruit. Tot die tijd maakte ik mijn huiswerk, zoals bouwtekeningen van constructies, bij een petroleumlamp. Ik deed echt mijn best wel bij de petroleumlamp. Wanneer ik klaar was, dacht ik dat het er goed uitzag. Maar de volgende dag zag ik in het daglicht dat ik er weinig van terecht had gebracht; de hoeken niet netjes dicht, de lijntjes scheef. We hadden wel een petromax die goed licht gaf, maar die moest tot half tien ’s avonds in het kippenhok hangen, omdat de kippen licht moesten hebben. Die lamp kon het daglicht haast vervangen, maar de petroleumlamp… die gaf net genoeg licht om te zien waar je naar toe kon. Het was niet anders, we waren er aan gewend. Waterleiding was er eerst ook nog niet, we hadden een pomp en een put. Toen we waterleiding kregen, zei m’n vader: ‘Ik maak toch in dat oude huis geen douche meer.’ We wasten ons in een grote teil.

We hadden vijf koeien, en dan stond er meestal nog een halfwas tussen. Varkens hadden we ook, en kippen. En dan nog land, een stuk grond in het Kottense Veen, in de Oossinkes en halfweg  achter Hareman. Dus het was altijd slepen met het spul. Met de mest, met knollen, met bieten, met rogge, met haver… altijd maar rijden. Als ik ’s avonds van de ambachtsschool kwam, van de avondschool, moest ik met mijn broer de beesten nog water. Dan ging er één buiten water putten, zo’n 21 of 22 emmers, en de ander sjouwde. Soms wisselde je halverwege. Als ik ’s avonds thuiskwam van het werk hielp ik ook nog wel eens mee. Even een koe melken of wat er maar was blijven liggen die dag. Er werd op je gerekend, ook op je vrije zaterdag. Maar je moet bedenken dat het boeren op zich in die tijd veel meer werk was.

De koeien gingen in die tijd al naar het slachthuis. Soms moest ik mee een koe of een pink aandrijven, lopend. ’s Morgens in de vroegte op pad, en dan bij vader achter op de fiets weer naar huis. De varkens werden nog thuis geslacht. Daar werd speciaal een varken voor gehouden dat werd vetgemest. Ze slachtten maar één keer in het jaar, dus het moest een flink varken zijn. Zo’n varken mocht je niet opjagen, want stel je voor dat het uitgleed en een poot brak. Het varken werd op de ladder geknoopt en dan rechtop gezet, buiten voor de muur. En aan het eind van de dag, in de namiddag wanneer het melken klaar was, dan kwam de buurman en dan sjouwden ze het varken door de voordeur naar binnen. Dat kan ik me nog wel herinneren. Binnen werd het varken weer rechtop gezet, en dan werd er even flink gepocht: vetpriezen. Toendertijd mocht het varken nog goed vet zijn, dat was juist de bedoeling. De buurvrouw zei: ‘Wat heb je toch een geweldig varken, wat zit er toch dik spek op’. Dan moest er een borrel worden gedronken op dat varken, want de boer was natuurlijk trots als de mensen zo pochten op zijn varken. De volgende dag kwam buurman weer, want dan moest het varken weer naar buiten worden gesjouwd. En zo ging dat door totdat de slachter tijd had om het varken af te houwen. Dat gebeurde nadat het varken was gekeurd. Dan pas werd het varken in stukken gesneden.

Als kind speelden we met wat er was: een hobbelbaard, een paar karretjes, wat klosjes hout van mijn vader. Die waren niet allemaal even groot en dat hoefde ook niet. Als je maar klosjes hout had. En ik was al gauw aan het timmeren. Mijn vader legde zijn spijkers altijd al ergens anders neer. Anders ging ik er mee timmeren nog voordat hij ze had kunnen gebruiken. We waren ook veel buiten. Dan gingen we met moeder mee naar de kippenhokken. Toen we wat ouder waren, gingen we op zoek naar vogels in nesten: houtduiven, eksters en zo. In de zomer gingen we wel eens zwemmen bij Slatman. Nou ja, dan stond er eerst een wagen met rogge of zo, en dan moest je die afdoen , en pas als dat klaar was, kon je naar Slatman om te zwemmen.

Mijn vader heeft voor het melkrijden een lintje gekregen, een ridderorde. Ze hebben het nagerekend: hij heeft één keer de wereld rond gereden met zijn paard en wagen. En dan het werk nog op de boerderij.. Ook mijn moeder heeft echt hard moeten werken. Zij had heel veel werk te doen. Soms kreeg ze het werk ’s morgens niet eens af. In de ochtend moesten wij naar school en moest zij dus die 21 emmers water naar de beesten brengen. En dan was er nog het werk in het voorhuis, en het verstelwerk. Alles wat kapot was werd weer versteld. Er zijn van die tegeltjes waarop staat: ‘Je kunt het heden niet eren als je het verleden niet kent’ en dat klopt. Ik heb mijn ouders hard zien werken, zij hadden haast geen vrije tijd, en ik heb pensioen en kan doen wat ik wil.

Toen mijn vader met pensioen ging, kon hij het boerderijtje huren of kopen. We hebben het er nog wel over gehad met Gronder  Jan, maar het huis was zo slecht, dat moest je haast platschuiven en weer opnieuw opbouwen. Toen dacht ik: dan moet ik maar actie ondernemen. Want ik wilde wat, en de oudelui die moesten wat. Het was wel lastig, want ik wilde zo graag in Kotten blijven wonen, maar er was nergens grond te krijgen. Uiteindelijk heeft Geert Enning grond voor ons gevonden, al was het wel een beetje uit de buurt, zo achteraf in het Kienveen. Daar woonde geen mens. Maar ja, je had wel twee bunder grond en het kostte niet te veel. Dus toen heb ik het toch maar gekocht en zijn we hier begonnen. Weer zonder elektriciteit, weer zonder water. Ook was er nog geen riool. Water konden we nog wel met een pomp oppompen, dat waren we al van plan. Maar zonder elektriciteit kon ik niks beginnen, een betonmolen heeft toch echt stroom nodig. Dat moest eerst geregeld worden voordat we hier huiet huis konden bouwen. Het waren toch nog flinke bedragen die erbij kwamen toendertijd. Nou ja, toen heb ik het huis getimmerd, in mijn vrije tijd, met hulp van anderen. En nu wonen we hier alweer 45 jaar.”

Kijk ook eens op: