Winterswijk: Ik hoorde tot de eerste generatie die zelf de handen uit de mouwen stak als boer

auteur foto Jan van de LagemaatGerrit Mensink

Al generaties lang wonen er Mensinks op boerderij Wissink. De laatste die er praktiserend boer was, is Gerrit Mensink. Met hem sprak ik in zijn verbouwde boerderij Dieselbrink die ernaast ligt, verscholen in het groen. Boerderij Wissink werd gebouwd door overgrootvader Hendrik Jan Mensink. Deze Hendrik Jan, zelf afkomstig van boerderij Buitink in Kotten, trouwde de vijfentwintig jaar oudere weduwe Janna Rosen. Zij woonde op het vroegere Wissink door haar eerdere huwelijk met Jan Wissink. Na haar dood liet Hendrik Jan in 1868 het huidige Wissink bouwen en stichtte een nieuw gezin. De boerderij is nu vakantieaccommodatie geleid door de dochter van Gerrit.

Auteur: Vlok van Harten, auteur foto’s: Jan van de Lagemaat

“Mijn grootvader was een herenboer. Hij zat in allerlei besturen van bijvoorbeeld het Waterschap en de Zuivelfabriek. Het boerenwerk liet hij aan anderen over. Hij had veel eigendom, waaronder pachtboerderijen. Die boerderijen zijn later afgestoten. Ik heb hem nooit als boer beleefd. Mijn vader is in dat milieu opgegroeid. Hij deed wel wat boerenwerk, maar niet veel. Hij kon ook niet veel omdat hij altijd ziek was en het echte werken had hij nooit geleerd. Dat hoefden ze immers niet. Hij ging graag op jacht. Dat vond hij leuk en dat je als boer ook je werk moest doen, kon je het beste met een korreltje zout nemen. Het is niet vergelijken met hoe het later ging.

auteur foto Jan van de LagemaatIk behoor tot de eerste generatie die zelf de handen uit de mouwen stak als boer. Mijn vrouw Lucretia komt uit Groningen en daar zie je precies hetzelfde. Daar was de boer vroeger een manager met vaak een heleboel personeel. Veel moest er met de hand gebeuren en op die grote bedrijven met veel graan, bieten en aardappelen was nogal wat te doen. Ik kom vaak in Groningen en dan zie je dat de boeren zelf aan het werk moeten, vaak samen met de vrouw. Sommigen hebben personeel, maar ook velen helemaal niet meer. Dat komt deels door de mechanisatie. Die heeft veel teweeg gebracht. We rijden geregeld door de polder. Daar zie je heel weinig beweging op het land. Vroeger had je zo’n bietenrooiertje, daar was je dagen mee bezig. Nu zie je een machine die een bunder doet in een uur. Je ziet heel weinig mensen op het land en toch gebeurt het werk. In mijn ogen was het een positieve verandering. Het werken met machines en het bewerken van de grotere oppervlakten paste mij wel.

Als kind ging ik mee het land op om aardappels te rapen. De pachters kwamen altijd helpen als de aardappelen gerooid moesten worden. Zij vonden het zelf nooit bezwaarlijk. Ze kwamen al op tijd vragen naar de planning. Mijn moeder bakte na afloop pannenkoeken. Dat was altijd een gezellige tijd. Als we op het land waren, werden er altijd hele verhalen verteld. Je hoorde wel verhalen van verpachters die misbruik maakten van de diensten van de pachters en neerbuigend deden. De verpachter was dan de Meneer. Maar ik heb dat bij ons niet gezien. Je bent toch gewoon mensen. Het waren allemaal pachters hier in de buurt en je ging gewoon met elkaar om. We kwamen ook wel bij elkaar op visite. Dat ging allemaal heel gemoedelijk. En toen ik een tractor had, hielp ik ook wel eens iemand met het ploegen van het land. Het was meer noaberschap. Vroeger had je de tienden, mijn vader heeft dat nog meegemaakt. Dan werd elke tiende schoof graan opzij gezet voor de pachtheer.

Ik herinner me nog wel dat ik als kleine jongen samen met de knecht de koeien molk. We deden toen nog veel met paarden, tot mijn grote ergernis. We hadden er twee van het Gelderse ras. Het hooien en ploegen en dergelijke gebeurde allemaal met paarden. Maar gelukkig kregen we al heel vroeg, ik was toen een jaar of vijftien, een tractor. Ik had helemaal niks met paarden. Wat was ik blij toen het laatste paard wegging.

auteur foto Jan van de LagemaatHet was voor mij vanzelfsprekend dat ik het bedrijf zou voortzetten. Ik vond het van kinds af aan al leuk. Al heel jong hielp ik na schooltijd, want ik wilde wel verder met het bedrijf. Ik kwam al vroeg na de middelbare landbouwschool op het bedrijf waar ik verder mee wilde. Ik had toen zo’n vijftig hectare. Eerst was het wat minder en doordat er pachters weggingen werd dat meer. In het begin was het een gemengd bedrijf. Dat deed ik samen met mijn vrouw. Op een gegeven moment hadden we er 120 stieren bij. Dat vond ik leuk om te doen. Maar dat melken, nee… Mijn hart lag bij de akkerbouw. Ik was eens bij een lezing en op een gegeven moment zei die man, hij was later staatssecretaris: ‘Een akkerbouwer wil de hele week dag en nacht werken en dat wil hij wel drie weken doen, maar niet het hele jaar. Niet elke dag altijd maar hetzelfde: ’s morgens melken, ’s avonds melken, 365 dagen in het jaar’. Die gebondenheid, dat beklemt. Akkerbouw geeft een groter gevoel van vrijheid en je hebt af en toe rustige periodes. Maar ook heb je periodes die vreselijk druk zijn. Dan moet je er zijn, dag en nacht. In de herfst, met de oogst heb je nergens anders tijd voor. Ik ging graag op jacht, maar ik ben in die jaren nooit op jacht geweest. Ja, ik had wel een akte, maar ik ging niet veel. Daar had ik geen tijd voor.

Ik ben eerst zaaizaad gaan telen. Allerlei gewassen: tarwe, rogge, mosterd, koolzaad. Dat deed ik voor een kweekbedrijf. Dat was heel secuur en specialistisch werk en het was financieel aantrekkelijk. Je kreeg er een goede prijs voor. Later is het Kwekersbesluit gekomen en toen was het niet langer interessant, want je kreeg een voerprijs plus een kleine bonus. Daarna ben ik me meer gaan toeleggen op aardappelen. Graan vonden we ook heel leuk om te doen, en suikerbieten. Maar aardappelen waren de hoofdzaak.

auteur foto Jan van de LagemaatDat is het uiteindelijk helemaal gaan worden toen mijn zoon Jaap thuis kwam uit school. Dat was een akkerbouwer in hart en nieren. Hij kwam van school en zei: ‘We moeten meer aardappels telen’. Ik zei tegen hem: ‘Ga je gang, maar weet je ook dat daar land bij hoort?’ Op een gegeven moment, midden in de week vroeg ik hem wat hij aan het doen was. Hij zei: ‘Ik ben over de grens aan het gaan.’ Ik zeg: ‘Lukt dat dan met die Duitse boeren?’ Hij had wel wat Duits gehad op school, maar ik dacht: ik ben benieuwd. Die zaterdag kwam hij naar me toe en zei: ‘Ik heb honderd bunder land gehuurd.’ Ik was heel erg verbaasd. Het was namelijk zo: ik was al eens bij een Duitse boer geweest met een heel groot bedrijf, maar die wilde zijn eigen graan verbouwen. Wel had ik een goed gesprek met die man gehad. Op een gegeven moment kwam Jaap daar aan de deur. Hij trof de vrouw van de boer thuis. Haar man was ziek. Hij had darmkanker en lag in Essen in het ziekenhuis en hij had gezegd: ‘Als die van Mensink komen en ze vragen naar land, zeg dan maar dat het goed is.’

En toen is onze zoon verongelukt in de schuur. We hebben nagedacht over wat we moesten doen en besloten om naar de Dieselbrink toe te gaan. Boerderij Wissink heeft een tijdje leeggestaan tot mijn dochter Hanneke met een plan kwam. Ik vond het mooi dat het in stand blijft.

Mijn vader was een echte liefhebber van de jacht. Met de overbuurman ging hij heel veel jagen. Mijn grootvader niet. Heel typisch, maar die gaf helemaal niets om jacht. Hij had een functie bij het Waterschap en daar betaalde hij ook de lonen aan de mensen. Dat was in die tijd zo. En dan was hij gerechtigd om een pistool of een revolver of zoiets te hebben. Ik weet nog dat ze eens de hele dag op jacht waren geweest om reeën te schieten. Mijn grootvader was er niet bij, die was ergens helemaal achteraf. Op een gegeven moment hoorden de anderen een schot. Toen kwamen ze bij mijn grootvader en hij vroeg: ‘Heb je al wat geschoten?’ Ze gaven aan van niet. ’Nou’, zei hij: ‘daar ligt er een’. Had hij met een pistool een ree geschoten.

Ik ben vroeger heel lang meegedaan met de jachtcombinatie hier in Miste en Corle, een grote combinatie. Op een gegeven moment stopte dat omdat ik geen tijd meer had. Toen Jaap de leiding over het bedrijf kreeg, ben ik wel weer gaan jagen. Veel reeën zitten hier niet omdat hier geen groot aaneengesloten bos is, maar er zijn er altijd wel wat. Ik heb op een gegeven moment tulpen gehad en bloembollen. Dat was een ramp. Toen liepen er wel twaalf, dertien reeën. De schade was kolossaal. Ik mag een bok en een ree schieten. Het wild dat we schieten slachten we zelf en gaat dan de vriezer in.

Het landschap is in de loop van de tijd niet veel veranderd, al is er hier en daar een walletje verdwenen omdat je dan economischer kunt werken. Maar je moet wel eens wat kappen. Ik ga bijvoorbeeld drie stukjes bos kaal maken met bomen die ik zelf nog heb ingeplant, populieren. Die zijn 35 jaar oud en dus goed om te kappen. Mijn moeder kreeg de dominee eens op visite en die zat te jammeren dat men al die grote bomen zo maar omkapte. Toen vroeg ze: ‘Wat vindt u van een maatschappij met alleen maar oude mensen?’ Dáár had hij nog niet aan gedacht. Kijk zo zit het met bos ook. Je moet af en toe aan verjonging doen. Er staat verderop een eik. Dat is zo’n monumentaal ding, ik zou het niet in mijn kop halen om die te kappen. Ik gun hem het eeuwige leven. Maar als je een productiebos hebt, is dat op een gegeven moment kaprijp. Dan verkoop je dat en plant je weer opnieuw aan.”

Kijk ook eens op: