Winterswijk: De boeren in Winterswijk zijn enorm gedreven boeren, ze willen vooruit

th_vdLa_150320_111712_OH Wikkerink_MG_3306Henk Wikkerink

Henk Wikkerink (56) uit Miste is eigenaar van een landbouwbedrijf temidden van buren met veel grondbezit. Henk zat dertig jaar lang in besturen van allerlei agrarische verbanden, regionaal en landelijk. Maar hij was ook actief op het gebied van landschapsbeheer en duurzaam landgebruik. Ik geloof dat zo’n beetje alle boeren, grondeigenaren en natuurmensen in Winterswijk Henk wel kennen. De titel Winterswijkse vergaderboer is met recht op hem van toepassing. Zijn lijfspreuk is: de dingen die je doet moet je goed doen.

Auteur: Ina Brethouwer, auteur foto’s: Jan van de Lagemaat

“Mijn ouders stimuleerden mij om de dingen die voor mij zinvol waren verder te onderzoeken. Ik wilde bijzonder graag de praktijkschool voor varkens en pluimvee volgen, een intensieve opleiding. Het kon, er werd bedrijfshulp ingehuurd. Vervolgens kwam ik in het bedrijf. Vooral mijn moeder vond het bedrijf voor ons drieën te klein. Ze wilde dat ik mijn gezichtsveld nog verder zou verbreden. Ze zei heel vaak: ‘D’r uut, gaot maor’. In het begin werkte ik als loonwerker bij de werktuigenvereniging Miste. Een tijdje haalde ik als bijrijder van een chauffeur bij allerlei boeren varkens op. Best leerzaam. Daarmee stopte ik toen een boer varkens met snuffelziekte had. Daarover hoor je nu nooit meer iets. Ik vond het wel besmettelijk. Omdat we thuis ook varkens hadden heb ik mijn kleren daarginds in de sloot verbrand en vervolgens liep ik naar huis.

Elke bestuursfunctie die ik vervulde moest raakvlakken hebben met het bedrijf of met mezelf. Anders boeide het me niet. Het is ergens begonnen en ik rolde van het een in het ander. Mijn eerste bestuursfunctie was hier in Winterswijk bij het AJK, het Agrarisch Jongeren Kontakt. Voor alle functies daarna werd ik gevraagd. Ik heb me er vaak over verbaasd: degene die niet lang genoeg nee zegt, wordt gevraagd. Zo werkt dat. Was ons bedrijf groter geweest, dan had ik minder mogelijkheden gehad om steeds maar weg te gaan. Na AJK werd ik voorzitter van GAJK, waar de zaken betrekking hadden op heel Gelderland. Ik vond mezelf toen veel te jong voor de functie van voorzitter. Veel te verlegen was ik om voor een zaal een presentatie te geven. Dat heb ik werkelijk moeten leren. Ik volgde een paar cursussen zodat ik beter het woord kon voeren, om datgene wat ik in mijn hoofd had beter te kunnen presenteren.

th_vdLa_150320_112159_OH Wikkerink_MG_3327Tegenwoordig is het veel makkelijker voor me, ik denk er minder bij na. Nu met het project Natura 2000 bijvoorbeeld is het zelfs zo dat ik er bovenop vlieg. Op zich is het best leuk vergaderingen te leiden. Maar al die voorbereiding, dat bellen en dat mailen… Steeds moet je vooruitkijken: wat speelt er over twee maanden en welk thema is volgend jaar aan de orde. Ik geloof dat ik acht jaar bij GAJK was. Daarbij zat ik vier jaar in het bestuur van NAJK (Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt) in Utrecht, want vanuit GAJK word je afgevaardigd. Ik heb in die tijd veel landelijke bestuurders ontmoet, mensen die nu nog regelmatig in het nieuws zijn. Ook heb ik gezien in andere landelijke verbanden hoe snel je joekels van kapitalen kunt verliezen. Een heel leerzame periode.

Binnen een bestuur moet je tegenpolen hebben, zodat je een goede discussie krijgt. Daar houd ik van. Vriendjespolitiek is aan mij niet besteed. Bij ABC maakte ik dat mee. Verder kan ik veel vertellen over al die fusies in de afgelopen decennia. Eerst hier de CWLB-jongerenraad, toen het samengaan met Doetinchem tot Coöperatie Gelderland, de fusie met Lochem, daarna met Twente erbij tot ABCTA. In 2002 stopte ik op een goed moment, vlak voor de discussie ‘vermogen op naam stellen’. Die organisatie heet nu For Farmers en is intussen nog groter geworden.

th_vdLa_150320_114050_OH Wikkerink_MG_3339In de jaren zeventig werd Winterswijk aangewezen als belangrijk gebied. Niets nieuws, maar hier in het gebied voelde je dat zelf eigenlijk niet zo. Minister Lardinois gebruikte de term Nationaal Landschapspark. Die naamgeving zorgde begin jaren tachtig voor een escalatie. De mensen hier zeiden: ‘Een ramp… er blijft geen boer meer over… complete leegstand van het gebied’. Je herinnert je vast nog wel de opstand hier uit die tijd. Winterswijk haalde met dat protest het landelijke tv-nieuws.

De landbouworganisaties wilden er nog wel in meegaan, een deel van de boeren absoluut niet en de landgoedeigenaren ook niet. Uiteindelijk is het niet doorgegaan. Maar de kwalificaties voor het gebied bleven wel bestaan. De sentimenten leefden nog lang daarna, tot op heden eigenlijk. Tot aan de jaren negentig gebeurde er op overleggebied vrij weinig. Men was uit elkaar gegroeid en wilde niet met elkaar aan tafel zitten. Als voorzitter van AJK heb ik alles van dichtbij meegemaakt. Het verhaal van de agrariërs was mij bekend en ook dat van de landbouworganisaties. Ik wist hoe de hazen liepen. Eigenlijk was er sprake van complete chaos, de landbouw zat op slot. Begin jaren 90 hebben de landbouworganisaties – die eer moet ik ze geven – het initiatief genomen om voor de toekomst bepaalde ontwikkelingen mogelijk te maken. Het Landbouwschap in Arnhem kreeg de opdracht een plan te schrijven. Bij de landgoedeigenaren was er eigenlijk nooit veel enthousiasme voor veranderingen. In die tijd had de gemeente Winterswijk z’n werk goed gedaan. Alle boerderijen hadden een milieuvergunning. Bij veel andere gemeentes waren ze nog niet zo ver.

Dat nieuwe plan van het Landbouwschap werd begin jaren negentig gepresenteerd en besproken met de boeren, de politiek en overige partijen. Naar mijn mening was het positief voor Winterswijk dat er een nieuwe burgemeester kwam: Paul van Erkelens. Hij omarmde het plan dat korte tijd later de naam Project Buitengebied kreeg. Hij dwong de natuurjongens zich te organiseren. En dat lukte! Hier zat namelijk van alles op het gebied van natuur en recreatie. Men roerde zich ook hevig. Maar het waren steeds weer anderen en er was geen aanspreekpunt.

Deze organisaties verenigden zich in het Platform Natuur en Landschap. Er kwamen provinciale fondsen, er werden projecten ontwikkeld, in eerste instantie alleen voor de landbouw: de mineralenboekhouding, een bedrijfsmilieu-analyse. In de boerenwereld leefde het gevoel dat het eigenlijk niet zoveel anders is dan twintig jaar geleden. Vervolgens kwam in 1994 het landelijk beleid Waardevolle Cultuurlandschappen. Waardevol Cultuurlandschap Winterswijk was eigenlijk maar een klein gebiedje van 30.000 bunder. Daarbij hoorde ook een groot gebied van Aalten, Lichtenvoorde en Eibergen. Vanwege de naam Winterswijk deden laatstgenoemde drie gemeenten niet mee.

Ik werd in die periode gevraagd als voorzitter van LTO maar ik voorzag mogelijk genäöl en gepröttel. In het begin kwam er 1,1 miljoen gulden voor investeringsprojecten, later werd dat wel 5 miljoen per jaar omdat provinciaal en Europees geld plus fondsen toegevoegd werden. Wat apart en grappig is: bestuurlijk wilden Aalten, Lichtenvoorde en Eibergen niet meedoen in WCL, terwijl hun boeren en organisaties er wel de meeste vruchten van plukten. Op voorlichtingsbijeenkomsten bij Schepersveld in Aalten en een zaal in Groenlo kwam onmundig völle volk af. Elke keer als WCL een bijeenkomst organiseerde dan was het bezoekersaantal boven verwachting. Vooral ook een groot deel niet-boeren kwam daar op af. Dat was altijd de wisselwerking; WCL was breed, stond voor de hele plattelandsgemeente.

Vervolgens hadden we het geluk dat in 1994 Christine Stigter Winterswijks burgemeester werd. Voordien was zij gedeputeerde van Gelderland, had ik haar in die functie al eens ontmoet en een goede indruk van haar gekregen. Zij was een kundig bestuurder met WCL in haar portefeuille, maar de mensen hier moesten zeer aan haar wennen. ‘Oh, now geet ’t helemaols mis, oh guttegut nog an toe, wat ’n drama’. De eerste vergadering vergeet ik nooit meer. Je mocht de discussie met haar aangaan, je mocht haar ook op basis van argumenten overtuigen. Dat kenden wij niet van de vorige burgemeester. Ze bleef altijd professioneel en onafhankelijk, je mocht onverholen je mening als boer geven. Gelet op haar eigen interesses voor de natuur heb ik nooit begrepen dat ze dat vol kon houden. Een paar keer moest ik met haar mee naar Den Haag of de provincie, waar ik ook aan het woord kwam. Wij mochten onze partij meeblazen en spraken daarbij ook voor het geheel.

Bernhard Harfsterkamp, de vertegenwoordiger van Platform Natuur en Landschap, had dat ook scherp door. Hij liep zich vaak het klaplazarus om goodwill te vergaren voor een plan. Hij werd echt hellig als er op landbouwgebied iets niet lukte. Omgekeerd had ik dat ook voor natuur. Vakinhoudelijk heb je kennis van elkaars gebied, je waardeert elkaars pleidooien. Ik werd duvels toen er gezegd werd door de provincie: ‘Je mag nu geen poelen meer graven want het geld is op’. Eén van de eerste projecten was het kamsalamanderproject, een combinatie van diverse poelen op bepaalde afstand van elkaar. Ik vergeet het nooit meer, het is een van de voorbeelden. Hadden we 110 poelen en zei de provincie: ‘Er zijn poelen genoeg, het geld gaat nu naar de andere kant van de provincie’. Ik was toch zo lillek tegen de gedeputeerde. Hadden we zo hard gewerkt en zou het project naar de verdoemenis gaan door politieke afwegingen. Dat kan gewoon niet.

Het succes van WCL is mede bepaald doordat wij konden aantonen dat er profijt ontstond: geld voor investeringen maar ook verandering van regelgeving. Het ammoniakreductieplan van de overheid kwam er. De landelijke normen brachten voor Winterswijk met zich mee dat slechts één boer een vergunning zou krijgen, notabene een hobbyboer. Dat kon natuurlijk niet. Na overleg met de provincie kregen we toestemming voor een eigen gemeentelijk reductieplan. De ammoniakreductie kwam ten goede aan winst voor landbouw en natuur. Door dat plan ontstond veel draagvlak bij de boeren. Hun ogen werden geopend. Omstreeks 2002 kwam er geen WCL-geld meer beschikbaar. Toen werden we aangewezen als Nationaal Landschap Winterswijk. Ik zei toen: ‘Noo begint ’t gedonder weer van veur’n af an’. En dat was ook zo, het bleek een forse rem. Elke keer wanneer de overheid ingreep, zag je in Winterswijk een geweldige daling in omzet het jaar erna. De naam riep weerstand op bij de landbouw. De recreatiesector probeert de naam nog wel uit te buiten overigens. Het is zo’n schitterende naam voor kleurrijke folders. Maar de landbouworganisaties houden de naam tegen. We hebben het nog steeds over Stichting Waardevol Cultuurlandschap. Er moet werk gebeuren. Dat is belangrijker dan gesteggel over de naam.

Velen met mij hier hebben het beeld dat er in Winterswijk enorm gedreven boeren zijn. Niet anders dan elders. Maar toch, we hebben hier een groot aantal kampioenskoeien gehad van de Gelderse fokveedagen en zelfs ook van de nationale fokveedagen. Nergens in Nederland waren zoveel fokstudieclubs als in Winterswijk. Groepen van vijf tot acht boeren die maandelijks bij elkaar kwamen en het bedrijf doorlichtten. Er is hier veel enthousiasme bij boeren om kennis te vergaren, met elkaar over de gang van zaken te discussiëren. Men wil hier vooruit. Kijk, als je dat weet, dan kun je daarop anticiperen. Dat is ook de huidige situatie. De boeren die hier vooruit willen, kun je allemaal zo met de vinger aanwijzen. Het enige dat een beperking kan zijn, is het autonome proces van geen bedrijfsopvolger of stoppen om andere redenen. Dat kun je niet voorkomen.”

Kijk ook eens op: