Winterswijk: Dan speelden we op de deel, rondom de knollen

Willemien Legters

In een rustige, groene woonwijk in Winterswijk woont Willemien Legters. Wie naar goed Achterhoeks gebruik ‘achterom’ komt, ziet meteen dat ze een voorliefde voor ‘buiten’ heeft: een mooi verzorgde tuin en een volière met vrolijk fluitende vogels. Binnen, bij de gashaard en onder het genot van een kopje thee, vertelt ze over haar jeugd.

Auteur: Else Klomps (op verzoek geen foto’s)

“Mijn opa en oma woonden er, op Kruisselbrink. Mijn vader, die boeren zou, trouwde erbij in. Ik ben geboren vlak aan de Groenloseweg. Van die eerste pachtboerderij kan ik me eigenlijk niets meer herinneren. Die is afgebrand toen ik twee was. Verderop op het Ariesveld is een nieuwe boerderij gebouwd, en daar woonden we toen.

Eén keer in het jaar kwam de Scholte op visite. Alles in de grote keuken moest dan sjiek en netjes zijn. En met de schinke gingen ze speciaal naar de slager om er heel dunne plakjes van te laten snijden. Dat was wel een bijzonder moment altijd. En één keer in het jaar gingen wij op visite bij de Scholte, de familie Mensink op Wissink. Dan speelden we op de deel, rondom de knollen, met de kinderen van de Scholte. Vangen, piepverstoppen en dat soort spelletjes. Ach, als kinderen merkten we er eigenlijk niet veel van dat de een van de pachter was en de andere van de Scholte. We speelden gewoon met elkaar.

Tot die ene keer dat de oude Scholtinne – oma zeiden wij – aan mijn moeder vroeg hoe oud ik was. Mijn moeder zei: ‘die is elf’. En toen zei de oma dat ik dan ’s zaterdags daar wel kon komen helpen. Dus toen moest ik daar elke zaterdag heen, naar die oma, om te helpen met poetsen. Dat vond ik helemaal niet leuk, want op zaterdag gingen we altijd met een heel stel kinderen uit de buurt naar Schuddebeurs. Die man gaf elke zaterdagmiddag hobbyen in de gereformeerde zondagsschool aan de Groenloseweg. Daar liepen we altijd met het hele stel heen en ja, dat kon ik toen natuurlijk niet meer. Dat mocht niet meer.

’s Morgens om acht uur op de fiets naar Miste, en ’s avonds tegen zes, zeven uur was ik weer thuis. Licht of donker, warm of koud, er werd niet naar gevraagd. Het moest gewoon gebeuren. En dan had ik een gulden verdiend, maar ik denk dat ik hem wel af moest geven aan mijn vader en moeder, dat weet ik eigenlijk niet meer. Tussen de middag kreeg ik een snee brood, want ze aten daar ’s avonds warm. Helpen met poetsen moest ik, maar ik was elf en ach ja, wat weet je dan helemaal? Ik moest wat stof afnemen, met een bezem de keuken vegen en het aanrecht schoonmaken. Met heel veel Vim deed ik dat, en dat hielp heel goed. Maar ik wist niet dat het ernaast in de gootsteen kwam. Van de oma moest ik komen kijken en ze zei: ‘Moet je eens kijken, daar heb je wel een halve bus Vim in zitten’. Wist ik veel, ik kende dat spul niet en ik had dat werk nog nooit gedaan. Het werd je ook niet geleerd. Je kreeg de spullen en dan moest je je maar redden. Maar de oma werd niet boos, het was best een aardig mens.

De voorkamer die ze hadden was mooi, met ornamenten aan de plafonds en zo. Ja, dat vond ik wel mooi, maar ik kwam er eigenlijk nooit. Ze woonden in de grote keuken, niet in die kamer. Ik weet ook nog wel dat de oude Wissink ziek was. Hij lag in de voorkamer in bed en dan moest ik er naartoe om goedendag te zeggen als ik ’s zaterdagmorgens kwam. Daar zag ik vreselijk tegen op. Zo’n oude man en dan in bed… Ja, dat zijn van die dingen… Daar had je toch eigenlijk wel een soort van schrik voor, ook omdat je van kleins af aan altijd hoog tegen de Scholte opzag allemaal. Daar renden ze voor als boer.

Bij de buurman, bij Graaskamp, hadden ze een telefoon, en als mijn ouders zagen dat Graaskamp eraan kwam fietsen dan zei mijn vader: ‘Oh, daar heb je het. Het is weer zo laat. Ik moet naar Mensink heen.’ Nou ja, dan moest hij inderdaad de fiets pakken en naar Mensink toe, want dan was daar het hooi droog en moesten ze aan het werk. Het eigen werk moest je dan maar laten liggen. Ja, zo was dat toen. Maar dat was overal zo. Er waren ook Scholten die een bel hadden. Degenen die vlakbij woonden moesten erheen als ze de bel hoorden. Zo was dat toen. We hoefden nooit wat af te staan. Eerder was dat wel. Maar nee, dat hoefde niet meer. Alleen als het nodig was dat vader daarheen moest, dat hoorde bij de verplichtingen van het werk.

Thuis hadden we vijf melkkoeien en we hadden kippen. En ongeveer zeven hectare grond, dacht ik. Een kleine boer dus. Toen mijn vader ziek werd en het boeren niet meer ging, kon hij op de boterfabriek beginnen, bij ons achter de boerderij. En toen ik een jaar of veertien was, zijn we van de boerderij af gegaan, en in het dorp gaan wonen. Voor die tijd al was ik gestopt met werken bij Mensink. Ik ging toen naar de Jan Ligthartschool en had huiswerk. Ik deed net of ik heel veel huiswerk had en dat ik dus niet meer kon. En nou ja, toen was het wel goed als ik stopte. Maar eigenlijk was het huiswerk niet de reden. Ik had het zin er schoon af, van dat poetsen. Het was altijd hetzelfde: keuken vegen, stof afnemen, en het aanrecht doen en afwassen. Ach, zo snel ben je dan ook nog niet….

Thuis heb ik ook altijd geholpen met wat er maar te doen was, vooral nadat mijn zusje geboren was. Ik moest op de kleinen passen als moeder naar het land moest. Oma woonde er toen ook nog bij in. Zij kookte altijd en ze maakte warme klompen voor ons als we naar school gingen. En als je thuis kwam, dan mocht je met je benen in de oven als je het koud had. Die was altijd heel zorgzaam voor ons.

Het liefst was ik altijd buiten, mijn vader helpen op het land. Toen ik negen jaar was, wilde ik per se leren melken, en dat heb ik ook voor elkaar gekregen. Dat poetsen vond ik niks aan, maar buiten…
Weet je, zo was het vroeger gewoon. Je zat om half zes ’s morgens in de weide te melken, maar dat kon je ook wel. En je werkte totdat het donker was. Na de middag hadden we wel ‘middagen’, tot twee uur, van 1 mei tot 1 september. Als de ‘R’ in de maand was niet meer, dan ging je gewoon de dag door, zelfs al was het 30 graden. Als het werk gedaan was en er was nog tijd over, dan speelden we nog wat. Vaak buiten, met mijn nichtje. Touwtje springen, bokhinkelen, al die spelletjes die je vroeger deed. Zo veel speelgoed was er niet tijdens de oorlog. Maar we verveelden ons nooit. En een tuintje, we hadden altijd een tuintje.

Later ben ik nog vijf jaar bij Kolenberg geweest. Eerst werkte ik bij wasserij Siebelink, maar ik wilde per se naar een boer heen. Kolenberg was toendertijd dé boer van Winterswijk. Daar heb ik het werken ook echt goed geleerd. Daar heb ik het hartstikke goed gehad, dat heb ik. En toen ben ik bij Pasman in Corle geweest, maar daarna ben ik toch nog een paar jaar in de fabriek geweest, want daar kon je goed verdienen. Toen heb ik op de confectie gezeten want ik naaide ook wel graag en daar kon je veel leren.

Het was best een arme tijd. Maar de mensen wisten zich toch altijd te redden, en je had naobervisites en zo. Als kinderen speelden we dan op de deel, om de knollenhoop heen. We hadden een grote naoberschop en met alle kinderen gingen we lopend naar school. Bij ons in de buurt werd ook niet gekeken naar rang of stand of rijkdom. Later hoorde je dat dat wel eens anders was. Als je er nou zo over aan het denken bent, ja dan vind ik dat nog wel mooi, dat we zo met elkaar omgingen.”

Kijk ook eens op: