Winterswijk: Met de komst van het landschapspark vreesden de boeren een nieuwe Scholtenboer: de overheid!

th_vdLa_150324_140327_OH Berenschot_MG_3467Dhr.Henk berenschot

Op een zonnige morgen rijd ik de statige oprijlaan van landgoed Kotmans op. In de gezellige woonkeuken van zijn woning  praat Henk Berenschot onder het genot van een kopje koffie geanimeerd over zijn leven. Vol genegenheid vertelt hij over zijn jeugd in Corle en de verhuizing naar boerderij Kotmans in Miste op 12-jarige leeftijd. Trots vervult hem als hij vertelt hoe hij het bedrijf van zijn ouders heeft kunnen uitbreiden tot een middelgroot varkensbedrijf met eigen bedrijfswoning. Als in 1997 de overheid de varkenshouderij aan banden legt, stopt Henk weloverwogen als boer en creëert hij als bevlogen natuurbeheerder landgoed Kotmans.

Auteur: Anja Brethouwer. auteur foto’s Jan van de Lagemaat

Ik ben na de Tweede Wereldoorlog in 1945 in Miste geboren, hier heel dicht bij het ouderlijk huis op Het Brinke. Ons gezin bestond uit vader, moeder en drie kinderen. Ik ben in mijn vroegste jeugd in Corle opgegroeid. Mijn vader en moeder runden daar een tuinbouwbedrijf, want direct na de Tweede Wereldoorlog was er veel behoefte aan groente, fruit en bloemen. Later werd dat allemaal wat minder en zijn mijn vader en moeder in 1957 teruggekeerd naar Miste. Ze zijn toen een gemengd bedrijf begonnen op boerderij Kotmans, in het bezit van de familie Berenschot. Mijn vader begon met negen koetjes, wat varkens en kippen. Maar begin jaren 60 kwam de mechanisatie in ontwikkeling en gingen de ontwikkelingen in de landbouw(bedrijven) heel snel. Denk aan de komst van de combine en het machinaal melken.

Mijn vader kwam van Het Brinke. Dat was geen Scholtenboer, zoals ’t Kreil en Meenk Roosen. Maar hij was wel een wat grotere boer dan de andere boeren. Het Brinke had wel een pachtboerderij: Kotmans. En een boer met een pachtboerderij was een grotere boer in de noaberschap. Dat betekende ook in de noaberplichten, dat mijn ouders overal bij hoorden. Want zij hadden een paard en een rijtuig en zij reden bij trouwpartijen en begrafenissen. Daar stond tegenover dat ze wat meer hulp kregen van de noabers dan anderen. En ze hadden vaak ook een meid en/of een knecht en die kwam uit de buurt. Dat laatste was heel belangrijk!

th_vdLa_150324_135252_OH Berenschot_MG_3461De buurt gaf hen het gevoel van ‘meer zijn’ en dat zag ik soms terug in de manier waarop mijn ouders omgingen met hun zetel in de kerk. Ze betaalden namelijk voor een zitplaats in de kerk, hoewel ze niet vaak gingen. Andere mensen namen hun plaats in. En dan zei mijn vader: ‘Verdikkeme, ik ervoor betalen en een ander zit erop!’ Maar als ik zei: ‘Dan moet je dat gezitte maar verkopen’, kon dat écht niet. Dat was teveel status! Totdat de kerk er zelf een einde aan maakte.
Omdat hij een grotere boer was, mocht mijn vader met Scholtenboer Meenk Rosen op jacht. Hij zat in zijn combinatie. Later mocht ik ook mee en verzamelden we ons bij Mensink, een andere Scholtenboer.

Mijn ouders waren voor hun tijd vrij modern. Toen zij in Corle woonden, hadden ze een tuinbouwbedrijf. Dat was niet regulier. Mijn vader was secretaris van de Gelderse Maatschappij voor Landbouw. Ze hebben altijd stroom gehad, zowel in Corle als in Miste. Toevallig hadden deze gebieden al stroom, net zoals het Woold. Daar waren een paar Scholtenboeren die stroom wilden voor hun houtzagerijen. Maar de ouders van mijn moeder hadden nog geen stroom. Voor hen duurde die ontwikkeling lang. De laatsten in Winterswijk die werden aangesloten, kregen stroom rond 1950. Ook hadden mijn ouders telefoon. Dat hadden ze nodig voor hun tuinbouwbedrijf. De noaberschap in Corle kwam bij hen bellen. Zij hadden geen telefoon en moesten naar het postkantoor toe, naar het café of naar het PTT-gebouwtje in Miste (De Roos vlak bij Den Tappen). Toen mijn ouders in Miste gingen wonen, verbouwden ze het voorhuis en kregen ze als eersten een douche. De hele noaberschap liep uit, want ‘die leu hadden een douche!’. Rond 1955 werd het waterleidingnet in Winterswijk aangelegd en in de jaren daarna zouden overal de wastobbe en de eigen watervoorziening met drukvat verdwijnen.

th_vdLa_150324_134323_OH Berenschot_MG_3446In die tijd was het ook zó: ‘D’r wordt er één boer’. Vaak was dat de oudste. En als er in het gezin geen van de jongens boer wilde worden, dan bemoeide de halve familie zich ermee. Er waren talloze voorbeelden van jongens die boer moesten worden omdat het voorbestemd was. En dat was natuurlijk een drama. Bij ons was er geen sprake van voorbestemming. Mijn oudste broer ging met goedkeuring van mijn ouders studeren op de Hogere Landbouwschool in Deventer en mijn tweelingzus ging niet naar de ULO, maar naar het meisjes-Atheneum in Winterwijk. En ik werd boer. Omdat ik dat wilde. Ik was altijd al een buitenjongen en hield van het buitenleven.

Ik heb het bedrijf eigenlijk nooit met mijn vader gerund. Mijn vader had altijd wat tuinbouw (bonen) en koeien. Hij had een bedrijf van een hectare of tien en vond dat wel goed zo. Ik vond het bedrijf eigenlijk te klein voor de toekomst. Van jongs af aan heb ik mij gespecialiseerd in de varkenshouderij. Ik bouwde een varkensschuur en toen ik in ’71 met Jo trouwde, kreeg ik met het trouwbriefje de vergunning voor een bedrijfswoning. Daar was mijn vrouw heel erg blij mee, want zij had hele slechte ervaringen gehad in haar ouderlijk huis in Meddo met drie generaties in één boerderij. Iedereen bemoeide zich met elkaar en er waren veel spanningen bij haar thuis. Mijn vrouw heeft daardoor ook wel getwijfeld of ze met mij zou trouwen, maar de bedrijfswoning maakte het goed. En ze hoefde van mij ook geen boerin te worden. Ze kon haar eigen werk op het gemeentehuis als ambtenaar van de burgerlijke stand doen.

In de tijd van mijn ouders hielpen buren elkaar. Dat was een vast gegeven, daar werd niet over gezeurd. Als er ’s winters gedorst moest worden bij mijn vaders broer of als daar gehooid moest worden, dan ging mijn vader daar naar toe. Toen ik begon, deed ik veel alleen (met wat hulp van mijn vader). De noaberschap verloor rond de jaren zeventig haar functie door de mechanisatie en de automatisering. Buren konden elkaar niet meer helpen, omdat het werk te specialistisch werd. Ik had een varkenshouderij en mijn buren allemaal een rundveehouderij. Er kwamen meer zakelijke overeenkomsten tussen boeren. Op drukke dagen kreeg ik hulp van de bedrijfsverzorging, een dienst die zich ontwikkelde toen de noaberschap wegviel. Het bedrijf groeide gestaag en ik kreeg een vaste medewerker.

Ik kreeg er ook ‘baantjes’ naast. Zo was ik in het begin van de jaren zeventig voorzitter van Jong Gelre in de afdeling Oost-Achterhoek en in 1976 werd ik voorzitter van de Gelderse Maatschappij voor Landbouw afdeling Winterswijk. De overheid had het plan vanaf ’72 om van heel Winterswijk een landschapspark te maken. Er kwam veel verzet van de boeren. Zij waren eindelijk het juk van de Scholtenboeren kwijt, hadden hun eigen boerderij gekocht en geïnvesteerd in hun bedrijf door het bouwen van ligboxstallen. Met de komst van het landschapspark vreesden ze voor een nieuwe Scholtenboer: de overheid. Ik kwam door mijn functie in Jong Gelre in de actiegroep Anti-Landschapspark. Er werden spandoeken rond heel Winterswijk gehangen en staatssecretaris Meijer werd in Winterswijk verwelkomd met een ezel waarop een bord hing: ‘Mijn naam is Meijer’. Toen minister Fons van der Stee een ligboxenstal kwam openen van de familie Samberg in Huppel en daarna in een bus naar het gemeentehuis wilde om burgemeester de Vries te spreken over de situatie in Winterswijk, kreeg hij een spontaan georganiseerde escorte van trekkers. De boeren met hun trekkers hadden weinig haast en de minister vluchtte na een twee uur durende rit de bus uit, terug naar Den Haag zonder de burgemeester gesproken te hebben.

De spanning liep hoog op in Winterswijk en er moest een integratiecommissie komen om de boel te sussen. Ik werd daar lid van. Dat was geen gemakkelijke baan. In het bestuur van de integratiecommissie zaten mensen met tegengestelde belangen uit verschillende bewegingen en het was heel moeilijk om alles op één lijn te krijgen. Je moest geven en nemen en dat leverde conflicten, zelfs bedreigingen op. De boeren hadden echt het gevoel dat ze in hun bestaan werden aangevallen, dat ze zich niet verder konden ontwikkelen, dat er een nieuwe Scholtenboer kwam – zijnde de overheid – die hen weer ging vertellen wat ze wel en niet mochten doen. Dat die horigheid onder de Scholtenboeren groot was geweest, merkte je toen en nu nog! Er heerste en heerst hier in het noaberschap en op ’t Kreil zeker toch iets van: Je moet luisteren, want anders gaat het niet goed. Wat je ook doet in je leven, je moet je plaats weten. Wie voor een dubbeltje geboren is, heeft niet zo maar een kwartje. Dat zit er in die mensen ook niet in, want er wordt voor je gedacht en denk nou niet, dat je het allemaal beter weet! Nee, het is die Scholtenboer of die overheid, die hebben een veel langere arm. Je moet toch het onderspit delven en dan kun je je maar beter rustig houden.

Nee, dat was beslist geen leuke tijd. Maar we zijn er met z’n allen goed doorheen gekomen. En als je nu terugkijkt, zijn er ook leuke dingen te vertellen. Eind jaren zeventig waren er opnieuw wat spanningen en de burgemeester stelde voor om met staatssecretaris Wallis de Vries en de integratiecommissie te vergaderen op het nieuwe politiebureau. Herman van der Spek van het NOS-journaal hoorde van de spanningen en belde mijn vrouw op. Zij kon slechts aangeven dat haar man op het politiebureau zat. De NOS bedacht zich niet en rukte uit naar Winterswijk: de voorzitter van de landbouworganisaties zat vast op het politiebureau! Om de brand te blussen werd in allerijl de Harmonie afgehuurd. Staatssecretaris Wallis de Vries en enkele kopstukken zouden het woord voeren en namen plaats op een tafel om goed zichtbaar te zijn. Maar de tafel hield hen niet en voor het oog van de camera zakten ze erdoorheen!

Ik ben altijd bezig geweest mijn bedrijf uit te breiden. Met mijn vrouw had ik afgesproken dat ik zou stoppen rond mijn zestigste. Maar in ’97 wilde minister Van Aartsen, na de varkenspest in Brabant, varkensvrije zones en zat ik plotseling in een gebied waar voor intensieve veehouderij geen bestemming was. Dat betekende heel concreet dat ik nu een bedrijf bezat zonder ontwikkelingsmogelijkheden, een bedrijf dat heel moeilijk verkoopbaar zou zijn in de toekomst. Ik realiseerde me daarnaast dat ik met twee dochters met hele andere interesses geen opvolgers had. Bovendien werd mijn vrouw ernstig ziek. Helaas is zij gestorven in 2002. Dat doet ook wat met je als mens. Je gaat zaken van een andere kant bekijken. Dus toen heb ik gebruik gemaakt van de beëindigingsregeling intensieve veehouderij. Op dat moment had ik een bedrijf opgebouwd van 220 zeugen en bijna 2000 vleesvarkens. Dat was in die tijd een middelgrote varkenshouderij met twintig hectare akkerbouw. Ik kreeg een vergoeding voor de varkensrechten en de bedrijfsgebouwen en ik leverde mijn milieuvergunning en agrarisch bouwperceel in.

Maar ik wilde niet achter de geraniums zitten en besloot van de grond een landschapspark te maken. Dat stuitte in eerste instantie op verzet van de gemeente, maar in 1965 is hier door toeval, door werkzaamheden de Laag van Miste ontdekt: een laag in de grond uit het Miocene tijdvak ( 10-25 miljoen jaar geleden). In deze laag zaten unieke vondsten (schelpen). Ik stelde de gemeente voor om een informatiecentrum voor deze geologische vondsten te combineren met het park. Toen werd men enthousiast en kon ik mijn plan verder ontwikkelen. Ik kwam op een visite de schrijver Henk Krosenbrink tegen en al pratende kwamen we tot een andere activiteit op het park: Het Schrieverspad. Langs dit pad staan bomen geplant door lokale schrijvers/bekendheden en er staan bordjes bij met informatie over de boom en de planter. Het landgoed is ontsloten en voor iedereen toegankelijk. Vooral in juni is het prachtig door de bloei van orchideeën en korenbloemen. In augustus bloeit het heideveld. Ik geniet er elke dag van. Ik ben nu natuurbeheerder, maar als boer was ik dat eigenlijk ook al. Elke boer is in zijn hart een natuurmens. Het wordt alleen verdrongen door de eisen, die tegenwoordig aan de boer gesteld worden. Hij moet honderd procent boer zijn. Je doet honderd procent mee óf je vertrekt! En dat heb ik op tijd gedaan. Ik heb er geen spijt van!”

Kijk ook eens op: