Landgoed Reuversweerd: ”Ja ja, Cortenoever, dat is goeie grond en zeelucht.”

Verhaal Dhr. H. (geb. 1925)
Pachter

Een grote vlucht ganzen vliegt roepend over als ik op weg ben naar H. H. woont op de boerderij ’t Heyendaal aan het eind van de Weg naar het Ganzenei. 86 jaar geleden is hij op eerste Kerstdag op deze plek geboren, achterin Cortenoever, een fraaie uiterwaard langs de IJssel in de gemeente Brummen. Als jongeman werkte H. op het naburige landgoed Reuversweerd, eigendom van baron van A. Zijn vader was pachtboer op het landgoed. We gaan samen terug in de tijd -niet voor de eerste keer overigens- en we komen algauw tussen de Gelderse peerden en de vorkjesschudders terecht. H. is niet voor niets een paardenman in hart en nieren.

Tekst Willem van Ommeren, beeld Peter van Dinther

LandgoedReuversweerd_Huisvanafweg_PetervanDinther_MG_0422_www Landgoed Reuversweerd: ‘Ja ja, Cortenoever, dat is goeie grond en zeelucht’. Het landhuis Reuversweerd is in 1830 gebouwd in de zogenoemde Empire-stijl. Het is een statig landhuis gelegen langs een oude strang van de IJssel, die vorstelijk door de voortuin loopt. Het huis wordt geflankeerd door een drietal rijzige platanen van dezelfde leeftijd. Vaak rijd ik hier langs en het valt me op dat de grote klok in de voorgevel de neiging heeft om op tien voor half drie te blijven staan. Maar misschien is het niet zo vreemd dat de klok stilstaat: het huis is namelijk niet bewoond. En al lange tijd niet meer; om preciezer te zijn: sinds april 1945. Op 13 april van dat jaar werd de bewoner baron van A. door Nederlandse SS-ers uit het huis gehaald en nog diezelfde dag samen met zeven anderen op Kasteel Engelenburg in Brummen gefusilleerd. De barones heeft toen besloten dat bij haar leven en welzijn (en na haar dood) het huis niet meer bewoond zou worden. En zo staat het eens zo voorname huis al decennia lang leeg en onbewoond te verweren. Het huis mag dan niet meer in gebruik zijn de landerijen er omheen wel en zo was het ook in vroeger tijden, toen H. en zijn vader en vele knechten en meiden hier het werk deden.

‘In april 1945 zaten we hier in de vuurlinie, de Canadezen waren aan de overkant. Op de Emmerikseweg reed regelmatig een Canadese pantserwagen en die moest de Duitsers, die aan deze kant van de IJssel zaten, in de grond zien te houden. Wij zijn toen geëvacueerd en we zijn naar ome K. op de Cortenoeverseweg getrokken en daar hebben we veertien dagen gezeten. Samen met de buren W. hebben we de melkkoeien meegenomen en ook nog twee of drie peerden. Die hebben tussen haakjes nog twee veulens gekregen daar. De Canadezen bleven schieten, want die moesten de boel eerst een beetje lam hebben. In die dagen zijn ze met een Baileybrug bij Gorssel de IJssel overgestoken, want de bruggen bij Doesburg en Zutphen die lagen op de kop. Toen we waren geëvacueerd konden we het huis nog een week zien staan. En toen twee dagen voor de bevrijding, het was op een donderdag, als ik het goed heb: een grote rookwolk en een vuurgloed en weg was ’t Heyendaal! Zondagmiddag waren we bevrijd en zijn we er naar toe gegaan: de boel brandde nog. En we hadden niet meer over dan de klompen en de broek die we aan hadden en een paar koeien en een paar paarden. Maar het werd voorjaar en er moest haver gezaaid worden en gerst. De koeien moesten naar de wei. Daar lagen voor ons huis nog dertien stuks jongvee, die waren doodgeschoten. En op de Reuversweerd hingen er paarden over de draad, die dus ook allemaal scherven en schoten hadden gehad. En toen kregen hier in Brummen de NSB-ers, eerst werd ze de kop kaalgeschoren, een grote schop en die moesten al die dode koeien begraven. Ja, die hadden er al, denk ik, een kleine veertien dagen gelegen, dus dat moest hoognodig gebeuren.

LandgoedReuversweerd_Huisvlakbij_PetervanDinther_MG_0414

Voor de oorlog was het landgoed eigendom van de R., van de oude heer L. Ik zie Meneer nog lopen in het bos. Daar moesten een paar grote eiken gezaagd worden. En wij moesten de takken verzamelen, mijn broer en ik. En wij als kwajongens hadden een vuurtje gemaakt. En toen kwam daar die oude heer L. aanlopen en die zag natuurlijk ons vuurtje en wij gauw weg. En toen kwam in 1933 Meneer A. en die trouwde met barones N. En bij dat gazon, nu is het weiland, stonden allemaal vetpotjes. Wanneer ze nou getrouwd zijn… het was wel mooi stralend weer, maar wanneer? Dat kan je de jonge meneer nog wel vragen. Maar ik weet nog hoe het ging en ik hoor de muziek ook nog, met de trompetten voorop. Maar ja, nu woont er niemand meer op het huis en op de boerderij ernaast woont de melker en veeverzorger. Er stonden een hoop boerderijen overal, die bij het landgoed hoorden. Ja, ook ´t Heyendaal en de boerderijen van D. en van Q. en van Z. Ja, bliksem nou, die mensen hadden overal land liggen, de R. en later de A.: hier op Cortenoever, maar ook in Huissen en Zevenaar en bij Millingen aan de Rijn, daar lag een grote polder van zo’n driehonderd bunder en daar stond ook een steenfabriek en een pannenfabriek. Hier op Cortenoever lag veel weiland, wel tot aan de nieuwe Zutphense brug en dan hadden ze ook nog heel wat bos liggen richting Oeken. Alles bij mekaar wel acht, negen honderd hectare, denk ik.

Ja, Reuversweerd was een bekend hengstendepot en een stoeterij. Ze zijn daar begonnen voor de oorlog met de hengst Tobias, een Gelders peerd. De foto hangt -als ie er nog hangt- op het kantoor. Maar met die stoeterij hebben die mensen enorm naam gemaakt. En dan nodigden ze allerlei vooraanstaande personen uit en dan hielden ze een grote parade en dan kwamen alle paarden, beetje ineen gevlochten en met een nieuw halter om, moesten ze allemaal even op de baan, langs de smederij en weer terug en werden ze gemonsterd. En Meneer deed overal uitleg van, van elk paard. En alle kleuren waren er, mooie vossen ook. En in de goede tijd dan, nou, dan stonden er zekers tachtig paarden op stal. En ik denk met de jonge paarden wel negentig.

Ze hadden toen nog in Zevenaar en Millingen allemaal droogstaande koeien staan voor de vleesproductie. En die gingen in oktober, of al eerder in september als er goeie tussen waren, naar de markt. En de joden kochten die op. Die waren er toen nog, die mensen, die hadden een handel en die konden zo tien, twintig koeien naar Rotterdam, of naar Amsterdam sturen. En naar Amersfoort, daar had je grote kazernes. Vette koeien met een pak vlees erop en droogstaand, die kregen geen kalf meer. Ze mochten net 1 kalfje gehad hebben, maar de tweede liever niet. De kleine tand, het melkgebit, moest er nog in zitten, dan waren ze nog geen vijf jaar oud, anders ging de kwaliteit achteruit. Ja, en toen ging mevrouw ook weg na de oorlog en toen kwamen er bedrijfsleiders. Met een stuk of wat peerden moest het allemaal weer gebeuren. In het begin kwam er nog zo’n klein trekkertje, maar ja… die kon amper een vrachtje hooi trekken. Dus dat was allemaal nog niet zo behendig (We praten hier met H., een overtuigde paardenman! WvO).

Er moest wel gearbeid worden en daar liepen toentertijd wel, nou twintig, vijfentwintig personen. En schrik niet, ik denk dat ze voor de oorlog begonnen bij dertien gulden in de week. Maar dat gaf allemaal niks, die mensen gingen met groot genoegen daar naartoe. Meneer zorgde voor een paar mud aardappelen daar op het bedrijf, die kregen ze. Ze kregen een grote wagen met brandhout. En die mensen konden daar nog een koetje laten lopen. De meiden moesten als het druk was in het hooi of in de graanbouw een paar hengselmanden met broden meebrengen naar het land. En Meneer die ging zelf ook mee met de wagen en die ging er een tijdje tussen zitten. En dan riep hij: “Jongens! Jongens! Vooruit! Nog een poosje!”
Ja, nou en of, die had hart voor de zaak. Denk er goed aan! En dan waren er de paardenknechten, zo’n stuk of vijf, zes, denk nog wat meer. En er liepen een paar van die oude kereltjes, die er al wel dertig jaar hadden gelopen. De hele dag achter de paarden, daar waar ze aan het werk waren en voer in de bakken doen. En al die paarden moesten worden gewaterd, ja, met de emmers. En dan waren er, schrik niet, veertig dragende merries op een rij. En de eerste tien dagen na het veulenen hoefden die merries niks te doen, maar dan moesten ze toch weer een paar uur aan het werk en van de veulentjes af. Die merries moesten die uiers een beetje weglopen. Kijk, die paarden moesten allemaal worden gedekt, maar die moesten ook de zware kleigrond ploegen. En de jongens moesten er weer netjes mee thuis komen, want die veulens moesten blijven zitten. Je moet dat niet forceren. En als die paarden daar ’s avonds met het schuim op de rug bij huis kwamen… oh, God, kerel, dat kon Meneer niet hebben. Die jongens kregen een schop onder de kont en die kwamen nooit meer op het bedrijf.

En ’s winters stonden er een hoop koeien op de stal, want ze moesten minstens een paar vaalten mest hebben, waar een paar meter in zat, voor die zware gronden. En dan moesten ze in het voorjaar wel drie weken mest rijden naar die zware klei. Of Meneer kreeg een schip met grind voor de verharding van de wegen en dan kwamen er een paar van die grote koppen voor de kar te staan, ja, van die ruinen. Dat grind is zo smerig zwaar gerei.  En die ruinen die trokken dan die karren onderuit de loswal omhoog bij het Halfvasten, ja, de boerderij van mijn broer. Of ze gingen naar het Bronkhorsterveer, als dat makkelijker was. Of ze gingen naar de Noorderhaven in Zutphen. Er ging dan zo’n oude kerel mee, met zulke grote bakkebaarden, oude U. Die ging elke donderdag, vast pandoer, met de stadwagen, die had kleinere voorwielen, naar Spiek en Elferink. Dat was een overslag- en foeragebedrijf. En die moest dan voor twintig bunder haver en voor vijftien bunder zaaitarwe meenemen.

Ze slachtten zelf natuurlijk ook wel eens een koe. Officieel mocht dat niet van de Duitsers, die moesten anders ook wat hebben. Er moest zo’n zestig, tachtig pond rundvet in die koe hangen, dan waren ze rijp, anders had je nog niks. Daar werd reuzel van gemaakt en dat ging in grote potten de kelder in. En dan was er nog een grote groentetuin voor de keuken van het kasteel, maar ook voor de jongens, die daar ’s middags aan tafel zaten in het bakhuis aan de lange tafels met de banken erachter. In elke schuur sliepen er een paar: tussen de schapen sliep er één en tussen de koeien sliepen er een paar, die ’s morgens op tijd wakker moesten worden om de koeien te melken. En dan in de paardenschuren, loodsen zeiden ze toen. Ja bliksem, er moest ’s nachts een beetje bewaking zijn. Voor als er wat gebeurde. Dat er niet wat losliepen. En Meneer had ook een paar schilders lopen en twee timmerlieden. In vaste dienst, ja. En dan werden er een paar grote eiken gezaagd voor wagenhout. Tien centimeter, veertien centimeter breed voor de wielen en voor de bakken van de stortekarren en de boerenwagens. Dat was winterwerk. Met de boerenwagens werd het graan binnengehaald en dat werd op het huis zelf gemalen. Dat gebeurde met een roswerk, dan liepen de paarden buiten en met stangen en tandwielen werden de molenstenen in de molen aangedreven. Dat roswerk, dat kregen mijn vader en moeder later cadeau voor hun trouwdag en dat ligt hier nog bij de boerderij.’

De telefoon gaat en H. heeft een uitvoerig gesprek met één van zijn buurvrouwen. Het gaat over van alles en nog wat: over de honden, de peerden en over het weer.
Ik hoor hem zeggen: ‘Ja, ja, Cortenoever, goeie grond en zeelucht.’

Kijk ook eens op: