Landgoed Oldenaller: Vroeger was het netjes opgeruimd maar nu blijft het hout liggen

CorvanHartenPotret

Cornelis van Harten, de buurman van landgoed Oldenaller

Een mooie oude boerderij aan de Leembruggerweg is de plek waar Cornelis (Cees) van Harten bijna vijftig jaar woont. Met die woonplek is hij een buurman van het landgoed Oldenaller. Vanuit de boerderij kijkt hij over de weilanden rechtstreeks naar de bossen rond het kasteel. In de boerderij van 1903 zitten we in de mooie kamer, bijna onder een prachtige, enorme schouw, die rondom betegeld is. Aan de rechterkant zijn nog de bedstededeuren aanwezig. In het plafond van de schouw zitten de luiken waarmee de droog- en rookruimte te bereiken is. Daar werden vroeger de hammen, spekzijden en de worsten van de eigen slacht gedroogd en gerookt. Cees is hier niet geboren maar bij het huwelijk ‘ingetrouwd’ bij zijn schoonvader. Hij is geboren op een boerderij aan de Luxoolseweg, aan de zuidoostkant van Nijkerk. Hij verontschuldigt zich een beetje want hij voelt zichzelf te jong om oude verhalen over Oldenaller te kunnen vertellen. Zijn vrouw weet er volgens hem veel meer van omdat zij hier geboren is. Jammer genoeg is zij plotseling opgenomen in het ziekenhuis. Toch komen tijdens het gesprek veel zaken aan de orde. Hoe het vroeger was op de boerderij en in de buurt. Cees is een gezellige verteller.

Auteur Jan Hassink

‘Er is in die vijftig jaar dat ik hier woon toch wel het een en ander veranderd. De boerderij waar ik geboren ben, aan de Luxoolseweg, hoorde vroeger  bij Oldenaller. Mijn vader was gewoon boerenknecht. Toen de boerderij te koop kwam, heeft hij die gekocht! Dat was een hele stap. De buurt heeft toen gezegd of gedacht: zou hij dat wel kunnen bolwerken, die boerenknecht?. Natuurlijk heb je als boerenknecht heel veel geleerd van het boerenwerk. Hij heeft heel hard gewerkt, altijd. Je zou bijna zeggen, dag en nacht. Toen mijn vader overleed moest de boel verdeeld worden. Wij, de jongens hadden geen geld. Dus werd de boerderij gewoon verdeeld. Een slootje er doorheen getrokken, en zo. We hadden toen ieder tien bunder (hectare, red.) ongeveer. We zouden er drie avonden over doen om het af te spreken. In één avond waren we klaar! Een beetje zus en een beetje zo. Als er iets erg goed was, moest je wat bijbetalen.
Mijn broer, hij is nu 70, woont nog op de ouderlijke boerderij. Hij is ongetrouwd. Hij is gestopt met boeren. Hij had misschien betere capaciteiten om boer te zijn dan ik. Hij moest een keer een nieuw straatje aan leggen voor die grote melktanks. Hij zei toen: “Ik laat mij niet bedillen door die mensen. Dan moet ik een klein straatje aanleggen en even verder sta ik weer in de modder”. Toen is hij gestopt. De boerderij staat er nog, maar het is nu een beetje een vervallen rommel aan het worden. Er stonden een paar bergen (hooibergen, red.) met vier roeden, vijf of zes roeden zelfs. Een paar zijn al weg. Een is er verbrand. Daar hebben ze weer een nieuwe kap voor gemaakt en betonnen roeden. Er stond ook een schaapskooi. Die stond er gewoon. We hebben verder nooit schapen gehad. Er was een oud bakhuis, met een oven er achter. Dat bakhuis was in twee gedeelten en achter de schutting was de oven. Naar achteren uitgebouwd, net als een klein schuurtje achter aan het bakhuis. Mijn zus heeft die tien hectare gehouden. Ze heeft nu een stuk verhuurd. Daar staat een grote manege.CorvanHarteOldenallerPvD
Het landschap, oh ja, dat is wel wat veranderd, maar toch ook weer niet zoveel. Zo hier en daar zijn de percelen wat groter geworden. Het land is gewoon ouder geworden en de bomen ook. Er staan heel wat oude bomen. Ook bij de boerderijen. Soms levensgevaarlijk. Veel dood hout erin. Als die om gaan vallen… Je zou ze om moeten zagen en nieuwe poten. In de oorlog, toen stonden hier twee mooie rijen jonge bomen. Die hebben ze gestolen. Ja, de mensen die moesten ‘brand’ hebben! Ze haalden ze zo neer. Een stuk of tien vielen zo neer.We hadden vroeger zo’n dertig tot veertig koeien. Op de deel stonden er ongeveer twintig. En een paardenstal voor drie paarden. Dat was voor die tijd een grote boer. Mijn vader was gek op paardenfokken. Hij had verstand van paarden. Hij had ook een hengst. Er waren twee hengsten onder Nijkerk en mijn vader zei: “Die andere hengst is niet zo goed als die van ons”. En hij had gelijk want die ander kwam niet door de keuring voor dekhengst. Die van ons wel. Dat was een kanjer, die hengst. Mijn vader heeft hem toen meteen verkocht voor 8000 gulden. Dat weet ik nog best. En toen, een half uur later, kreeg hij er een premie bij. Dat scheelde weer 2000 gulden. Die hengst is toen naar Barneveld gegaan.
We verbouwden het meeste voer voor de koeien zelf. We hadden ook meestal  knollen, na de graanoogst. We hadden een keer bijna geen knollen want er groeide zoveel herik op het land. We hebben toen knollen geplukt bij Wout Klappe op Deuveren. Die had hele goeie. Dat is wel een beetje veranderd. Je moest water hebben voor de koeien op de deel. Vroeger was er water zat. Je kon ook gemakkelijk een bron slaan. Dat deden ze bij Van Esveld. Ze spoten zo een gat in de grond, een buis erin en je had water. Nu de Veluwemeren gekomen zijn, is dat veel minder. Je krijgt nog wel water maar veel minder.
Van de Boreels merkten we niet zoveel. Je zag ze lopen maar ze kwamen nooit op de boerderij kijken. En als je ze een keer tegenkwam, begonnen ze meteen in het Engels te praten. Dan verstond je ze niet. Wij zouden natuurlijk ook plat Nijkerks kunnen gaan praten. De freule was volgens mij de langstlevende Boreel. Op Koninginnedag was het altijd feest op Oldenaller. Alle kinderen van de school in Hoef kwamen in een optocht naar het kasteel wandelen om daar een aubade te brengen aan de heer en mevrouw Boreel. Die stonden op het bordes boven aan de trap met hun drie kinderen, twee jongens en een meisje. De kinderen stelden zich op voor dat bordes. De bovenmeester ging als een dirigent voor hen staan met de rug naar het bordes. Hij was nogal een levendige dirigent en de kinderen Boreel vonden dat prachtig en gingen vaak, overdreven mee-dirigeren. De echte dirigent, de schoolmeester, zag daar natuurlijk niks van, want hij stond met de rug naar de familie Boreel. Maar de kinderen des te meer. Die konden hun lachen bijna niet inhouden. Daarna werden spelletjes gedaan op een grasveld. Ieder jaar moesten ze op het kasteel een kar mest hebben. Die moest je brengen op een klein kampje, daar dichtbij die fontein. Dat was voor de tuin. Die lag daar dichtbij.
Bij de jacht hoefden we niet te helpen. Daar hadden ze andere mannetjes voor. We hebben eens een tijdje de jachtopziener Jan Bouw bij ons in het bakhuis gehad. Hoe dat precies kwam weet ik niet maar die heeft daar met zijn huishouden zowat een jaar gewoond. Hennie, de oudste dochter moest toen zo’n beetje het huishouden doen. En die andere, die heette ook Jan, geloof ik. En Jannes, waar die gebleven is, weet ik niet. Ik weet nog goed dat we een keer een houtwal gingen rooien. Dat was toen mijn vader die pas gekocht had. We waren net begonnen toen meneer Van Roon kwam kijken. Hij zei: “Van Harten, dat mag nog niet want je hebt nog niet betaald!”. We zijn toen maar even gestopt. Een tijdje later zijn we gewoon weer begonnen. Dat was zomaar een houtwal. Er stond niet veel bijzonders op, alleen een beetje ruig spul. Een beetje een troep.
We moesten die houtwallen afzetten. Er stond eik op. Ook oude, kromme eikjes. We hebben een keer die stoelen (oude eikenstobben, red.) verkocht, voor een deel. Die man was er heel blij mee, voor brandhout. Hoe vaak we zo’n wal afzetten, lag een beetje aan de vraag naar brandhout. Een tijdlang kon je het bijna niet kwijt. Nu is er weer veel vraag. De mensen hebben weer houtkachels en open haarden. Ik had een keer een perceeltje verkocht en ik zei: “Kort bij de grond afzetten”. Tegenwoordig laten ze hele stukken er op staan. Dat deed je vroeger niet. Het liep toch weer uit en het is geen gezicht.De houtwallen zijn groot (oud, red.) geworden door het kort bij de grond af te zetten. Het dikkere hout was brandhout en van de dunne takken maakte je een bos rijs. Die rijzebossen verkocht je voor 15 cent. Dan moesten we eerst naar zo’n bosje bij Woudenberg om jonge tenen te halen. Daar werden de rijzebossen mee gebonden. Nu hebben ze er plastic touwtjes om heen. Dat is veel beter want die verrotten niet. We hadden vroeger thuis een hele ‘rijzemijt’ (een stapel rijzebossen, red.) Later zaten daar vaak bunzings onder. Je had het dan over een ‘vimme’ rijzebossen (één vimme is honderd bossen, red.)Van zo’n rijzebos had je ook aanmaakhoutjes voor de kachel en voor de oven. In die oven werden in de herfst appeltjes gedroogd.
Hier waar ik nu woon, dat was de boerderij van mijn schoonvader. Wij wonen daar nu zowat vijftig jaar. Hier heb je stukken land, dat is klei van de Zuiderzee. Daar lopen van die kronkelslootjes door van vroeger, voor de waterafvoer. Dat is wel eens lastig. Trek toch recht die slootjes, tegenwoordig met al die grote machines. Maar ja, dat vinden ze landelijk mooi. Ik heb hier drieënhalve bunder gehad, vlakbij op de kamp. Die is nou weg door die verruiling. Volgens mij is die verruiling precies klaar. Of ze het al uitgemeten hebben, weet ik niet precies. Ze wisten ook pas of die boeren er op konden maar het is rond. Die Van Esveld van de Bloemendaalseweg die krijgt er ook een stuk van. De boeren krijgen de grond wat dichterbij huis. En naar dat polderland gaan ze nog naar toe. En dat natuurbeheer waar ze niks van terecht brengen… Het is gewoon een bende. Zo’n troep, voor de vogeltjes. En die vogeltjes gaan op het ‘groen’ (het jonge gras, red.) zitten. Dat vinden ze lekkerder.
Je kunt hier Oldenaller zo zien liggen. We zijn dus buren. Het oprijlaantje naar het kasteel is niet zo best meer. Het ligt helemaal rond en met grote slijtgaten erin. Dat verkeer hebben ze omgelegd. De grote melktankauto’s moeten nu door de polder naar de boerderij van Van Beek. Daar ligt een weggetje, op het laatst twee rijstroken. En als dat dan maar goed onderhouden wordt. En het onderhoud van het kasteelbos. Vroeger was het netjes opgeruimd maar nu blijft het hout liggen.
Vroeger thuis op de boerderij was er volgens mijn vader  een paadje vanaf de boerderij van Woudenberg. Over ons erf konden ze dan rechtstreeks naar Nijkerk. Ze hadden rechtstreeks een uitweg naar de Bloemendaalseweg en dan konden ze naar Nijkerk. Maar anders gingen ze van hun boerderij, hup, binnendoor naar Nijkerk. Die dam hebben we eerst weg gekregen en toen dat hele stuk… dat hebben we erbij laten ploegen. Ja, dat zijn van die kleinigheidjes die dan veranderen. Die jagers moesten heel wat bunders bij elkaar hebben voor een jachtrecht. Ik denk dat het dezelfde jagers geweest waren als die bij Oldenaller. De jacht is eigenlijk waardeloos. Al die vossen! Ze vreten alles op. Hier een kip en ganzen en zo. En dan zitten ze in de mais. Nu vind ik dat niet zo erg maar je komt ze tegen. Als ik zondagsmiddag ga lopen, zie ik ze wel eens. En herten (reeën, red.) zie je een hele hoop. Altijd een stuk of acht à negen. Vroeger had je hier een hoop fazanten, patrijzen, hazen en konijnen. Die konijnen gingen dood door de ziekte maar die zijn er zo weer, hè. Bij mijn broer op de Luxoolseweg, daar zitten konijnen! Veel te veel. Ach, ja, vroeger waren er mooie dingen maar nu is het ook goed.’

 

Beluister hier een fragment van het verhaal

Kijk ook eens op: