Landgoed Oldenaller: Nu doen we het boekhouden altijd met z’n tweeën, niks geheim

HennyVanGensPotretHenny van Gens, vrouw van oud-pachter landgoed Oldenaller

Henny van Gens (1948) woont met haar man Aart op een pachtboerderij van Natuurmonumenten op het landgoed Oldenaller bij Putten. Prachtig gelegen aan de bosrand. Ze hebben hun hele huwelijk daar geboerd, maar zijn een aantal jaren geleden ermee opgehouden. Gelukkig kunnen ze tot in lengte van dagen in het huis blijven wonen. Dit verhaal gaat over haar jeugd op de boerderij van haar ouders.

Lees hier het verhaal van haar man over het boerenbestaan en hier over landgoed Oldenaller.

Verhaal Margreet Gründemann, beeld Peter van Dinther.

‘Ik ben geboren in Putten aan de ’t Oeverstraat. We waren met twee kinderen. Mijn vader was voornamelijk koeienboer. Hij had alleen grasland, geen akkerbouw. Ze woonden in ’t ouderlijk huis van mijn vaders vader. Daar woonde ook een tante en oom, maar die hadden geen kinderen. Toen ik acht jaar was, zijn we verhuisd naar de boerderij van mijn moeders vader aan de Arlersteeg.  Mijn opa woonde daar ook. De broer van mijn moeder is weggevoerd in de razzia. Mijn grootvader had eerst nog het idee: hij komt wel terug en dat zal dan de opvolger zijn. Maar toen ie inmiddels eind zeventig was, zag-ie toch wel in dat dat niet zou gebeuren. Hij werd te oud om met knechts en meiden te boeren. Mijn vader is dus daar op de boerderij gekomen. De oom en tante van mijn vader zijn in ’t andere huis blijven wonen en hebben de boerderij verpacht. Opa woonde bij ons in. Dat was gezellig. Hij paste niet op ons, wij moesten meer op hem passen.
De boerderij heette Beldersgat. Op ouwe kaarten kom je de naam al tegen, net als Arler. Een van de veldnamen om het erf is Oudemannenhuis. Dat zat net achter de boerderij. Dat is waarschijnlijk vroeger eigendom van een bejaardenhuis geweest. En dan het Land van Dove Beerd. Die man, Beerd van Winkoop heette die, was dovig. Daar hebben ze de kamp van gekocht. Komt van Berend hè?

Toen ik begon te helpen met melken, waren d’r een goeie twintig koeien. Er zat twaalf hectare grond bij de boerderij. Bij de andere boerderij lag maar een hectare of vijf. Mijn vader kon d’r met wat kippen van leven. Hij is nooit gaan werken of zo. Toen hij tien was, kwam-ie van school en ging thuis op de boerderij helpen. Ze deden veel in paardenhandel. Gelderse werkpaarden, die op de boerderij gebruikt werden. Ze kochten de paarden voor de monstering in Nijkerk, voor de cavalerie. Dan gingen ze op het paard z’n rug met een touw in de hand met twee paarden, helemaal naar Utrecht toe. En dan met de trein terug. In ’58, kwam de trekker, een Eicher. Toen heeft mijn vader het paard weggedaan.  AartHennyvanGensBoerderij
We hadden ook varkens. Hun voer kwam van de meelboer. Ik weet nog dat ze bij opa op de boerderij rogge voor de koeien aan het dorsen waren met de klepel. Dat gooide je over de gemalen bieten heen, met pulp of wat lijnzaaddoppen. We hadden zo’n honderd kippen. Eén keer in de week werden de eieren opgehaald. We maakten zelf advocaat. Voor eigen gebruik. Dat doe ik nog wel eens hoor.
Er was een moestuin.  Mijn moeder was reumapatiënt, maar zolang ze wat kon, hielp ze d’r  aan mee. Verder deed mijn vader het met mij. We hadden worteltjes, erwtjes, boontjes, andijvie, boerenkool en spinazie. En aardappelen voor de hele winter. Veel uit de tuin werd ingemaakt. We hadden rooie, zwarte en witte bessen. Die werden allemaal ingemaakt of jam van gemaakt. Bij winterdag kreeg je bijna alleen geweckt eten, maar daar heb ik nooit hinder van gehad. Het was lekker. In de boomgaard stonden perenbomen en appelbomen. Zoete appels, zure appels. Echt met die oude namen allemaal. De peren werden gestoofd en geweckt. En er werd appelmoes gemaakt. Ze slachtten zelf. Wel eens een koe, maar vaker een varken. Er waren toen geen diepvriezen. Alles moest gebraden worden en werd geweckt. Dat ging allemaal de kelder in. En het werd in ’t zout gedaan. Een zij spek of een ham ging in een pot en daar werd een goeie laag zout over gestrooid. Daar kwam een stuk wit katoen op. Dan een steen d’r op en dan moest iedere keer gekeken worden of  ’t goed bleef. Er waren snijbonen die in ’t zout gingen. Zuurkool ook.  Maar bij ons thuis deden ze al geen sperziebonen meer. Ik had altijd het idee van boontjes in het vat, dat ik daar niks aan vond. Die waren vaak veel te zout. Laatst  zei een nichtje van Aart: “Ik heb boontjes in het zout gedaan”. Ik zeg: “Oh, ik moet er niet aan denken”. Toen gaf ze me wat mee.  Nou die waren heerlijk! Net zo lekker als vers. Ze  gaan rauw in het zout. Je zet ze een nachtje in het water en dan gewoon koken. Heel lekker! ’t Vlees werd meestal tijdelijk gezouten en als ’t goed doorgetrokken was na een week of zes, dan werd ’t gerookt in de schoorsteen. Later werd ’t naast de schoorsteen gehangen. Daar hingen roeien en daar hingen de worsten en zo aan.

AartHennyVanGensDeelVoordat mijn vader boer werd, had opa een knecht en een meid. Mijn vader heeft nooit een knecht gehad. Die meid deed het huishouden. Ze deed gewoon alles wat zijn vrouw ook gedaan had, zeg maar. De knecht sliep op de hilt, boven de koeien. Volgens mij sliep de meid op de kelderzolder. En opa had een kamer naast de schoorsteen. De kelderzolder daar zeiden ze vroeger opkamer tegen. Bij ons zat een vaste trap naar de kelderzolder en dan kon je via opa z’n kamer in de kelder komen. Bij mijn andere opa was een trapje, dat kon je aan de kant klappen. Dan kon je naar beneden en deed je hem dicht dan kon je naar boven naar de opkamer gaan.
In de siertuin stonden ‘hofnagels’. Ze bloeien met van die trossen en ze woekeren nogal. De andere naam weet ik effe niet. Verder hortensia’s en éénjarige planten, afrikaantjes en astertjes. Achter de hooiberg langs liep een heg, dan had je een heel stuk open totdat er weer een andere schuur stond. Daarachter was een heg en dan had je ’t weiland. Je kwam dus tussen twee heggen door. Beukenhagen. Dat was bij veel boerderijen: een dubbele heg, waar een weggetje tussendoor liep. Langs het tuinpad was een buxushaagje. Halfweg liep ze rond en daar stond in het midden een conifeer.
Het bakhuis is gebruikt totdat mijn ouders d’r kwamen. Mijn moeder wilde niet meer ’s zomers naar het bakhuis en ’s winters op de boerderij, omdat ze al moeilijk kon. Maar opa ging ’s zomers naar ’t bakhuis. Hij sliep in de boerderij. Dat bakhuis was best groot. Een meter of acht lang en vijf meter breed zeker. De voordeur zat in het midden en rechts en links was een raam. Het was gewoon éne grote kamer met rechts in de hoek de oven. Daar een stukje bij vandaan was de schoorsteen. Daarachter zat een kamertje. Buiten stond de pomp. Er zat een ijzeren zwengel aan met een koperen knop. Toen we daar ging wonen, is dat ding weggegaan. Toen is er stromend water gekomen. Een eigen boring van, ik denk vijftig meter diep.  Later is die honderd meter diep gegaan. Ze hebben nog steeds eigen water. Het beste water wat er te vinden is.
We hadden twee hooibergen. Een vijfroedige en een tweeroedige hooiberg. Ik héb wat meegeholpen met hooien. ’t Hooi werd bij mekaar geharkt en geschud. Je moest er altijd nóg een keer met de hark doorheen. Met de hand. En dan werd het bij mekaar gehaald met een paardenhark. Zo’n ronde hark was dat en dan ging het los op de wagen. Ik moest boven op de wagen. En dan ging het met een jakobsladder de hooiberg in. Mijn vader en ik stonden meestal bovenin de berg om het aan te pakken. Het was zwaar werk.

We stookten hout. En kolen. Dat hout kwam van de houtwal. Achter bij ons liep de Schuitenbeek en daar had je een houtwal. Dat werd eens in de vijftien jaar gekapt. Iedere keer een stukje natuurlijk. Daar zat van alles tussen. Eiken, beuken, van alles wat. Dat groeit gewoon weer aan. Maar er was ook wel eens een rotte peren- of appelboom. En die werd dan omgezaagd.We hadden twee kachels in huis. Een in de keuken en één in de kamer. Maar daar zaten we alleen als d’r visite kwam. Wij sliepen geen van allen boven. Alleen mijn broer sliep op de keet boven de koeien. Mijn vader en moeder sliepen op de kelderzolder. Daarachter zat een kamer, waar mijn opa sliep. En ik sliep naast de woonkeuken. Voor mij viel de kou ’s winters mee, want ik had de woonkeuken d’r naast.

De koeien en de pinken stonden op de deel. Bij mekaar twintig stuks. Het was een grote boerderij en de schuur die d’r naast stond was bijna even groot. Aan de ene kant van de schuur zaten varkenshokken. De paardenstal van vroeger zat er en de trekker stond er. Dan waren er een paar kippenhokken op ‘t erf. De mesthoop was naast het huis. Een betonnen plaat met een rand d’r om. Daar zat de gierkelder onder. Meestal werd de mest aan het eind van de winter geruimd en op ’t land gedaan.
De meisjesvereniging was in Hoef. Voor de pauze werd een bepaald bijbelgedeelte behandeld. Na de pauze was er een spelletje of iets dergelijks. Toen ik trouwde ben ik daar mee gestopt. Ik ben jaren later pas lid geworden van de vrouwenvereniging. Daarnaast had je de jongeren van de landbouworganisaties. CPJ waren de jongens en CPM waren de meiden. Dat was één keer in de maand. Maar alleen bij winterdag hè? Bij zomerdag niet hoor! Maar dan werd er een meimelk-wedstrijd gehouden. Handmelken heb ik eigenlijk nooit aan meegedaan. Toen ik met de hand kon melken, kregen ze bij ons thuis de melkmachine! Aart kon dat beter. Die is vier keer kampioen melken geweest. We kennen mekaar van het CPJ, maar met name van het schaatsen. We deden heel veel aan kunstrijden. Samen springen en trekken. Ik mocht het op een gegeven moment niet meer nadat ik een nekhernia heb gehad. Daar heb ik het erg moeilijk mee gehad. Dat ik dat niet meer kon. Ik ging wel mee kijken, maar dan nam ik absoluut geen schaatsen mee, want dan was ik bang dat ik er toch op zou stappen.
In oktober was hier Ossenmarkt, dat is er nog altijd. Vroeger kregen de boerenknechts één keer per jaar hun loon met Ossenmarkt. Dan werd er enorm gedronken. Dan wisselden ze van werk, gingen van de ene boer naar de andere. Er staan nu paarden, maar na de MKZ mochten koeien en zo niet meer. Er staan een paar grote koeien van de slager om het gewicht te raden.  En een enorme show van tractoren en landbouwmachines.En dan de gewone markt en de kleedjesmarkt van kinderen.
Als meisje deed ik eigenlijk van alles op de boerderij. Ik reed trekker en werd overal ingezet. Toen ik trouwde nog wel. Ik hielp altijd mee met de boerderij. Het enige verschil was dat ik door Aart direct aan de boekhouding ben gezet. Dat kenden ze bij ons thuis helemaal niet.Mijn moeder kreeg van vader geld en als de portemonnee leeg was, dan kreeg ze weer. Aarts moeder heeft meegemaakt dat  haar man weg viel en toen zat ze met de problemen. Zij zei altijd: “Zorg dat je ‘t samen weet”. Ik wou d’r eerst niks van weten. Ik vond het helemaal niks, boekhouden. Dan zei Aart: “Hennie, we moeten vanavond wat boekhouden”. “Nee, vanavond moet ik strijken, of ik moet wat naaien”, of weet ik wat, maar Aart  ging niet zelf aan de gang. Dus ik kwam d’r niet onderuit. Nu doen we het altijd met z’n tweeën, niks geheim. Langzaam maar zeker begon ik de lol er van in te zien en het nut. Want tot drie keer toe heb ik een groot boekhoudbureau die voor ons werkte, op de knieën gekregen. Ze hadden fouten gemaakt.’

 

Beluister hier een fragment van het verhaal

Kijk ook eens op: