Landgoed Oldenaller: Ik kon mijn brood hier niet verdienen

 AartvanGensPortret

Aart van Gens (1943), oud-pachter landgoed Oldenaller

Aart van Gens woont op boerderij Ons Genoegen op het landgoed Oldenaller. Een prachtig gelegen oud huis aan een onverharde weg. Het beukenbos van het landgoed komt tot aan de achtertuin. Oorspronkelijk is het huis gebouwd als buitenverblijf door de dames van Lynden. Pas vanaf 1900 is ‘Ons Genoegen’ boerderij. Er werd een achterstuk aan gebouwd en in tweeën bewoond. Het waren hele kleine bedrijfjes. Aart van Gens is hier geboren en getogen. In 1944 is zijn vader bij de razzia in Putten weggevoerd en niet meer teruggekomen. Zijn moeder moest het met twee kleine jongens alleen verder rooien. Dat was armoe troef. Van haar heeft Van Gens geleerd dat vrouwen in een boerenbedrijf evenveel van financiën moeten weten als hun man. Bij het begin van ’t huwelijk met zijn vrouw Hennie heeft hij daar net zo lang op aangedrongen dat ze overstag ging. Nu kan ze regelmatig zelfs de boekhouder verbeteren.Met vuur en enthousiasme legt hij uit wat hij in de loop der jaren te weten is gekomen over de geschiedenis van de boerderij en van de landgoederen in de omgeving. Van Gens analyseert scherp en verwoordt zijn conclusies misschien nog wel scherper. 

Lees hier zijn verhaal over landgoed Oldenaller en hier het verhaal van zijn vrouw.

Verhaal Margreet Gründemann, Beeld Peter van Dinther.

‘In 1932 is mijn grootvader, ook Aart van Gens, met mijn grootmoeder van de overkant, uit Harderwijk gekomen in de plaats van de familie Kleijer. De boerderij met vier hectare grond was alleen maar gepacht. Er was niet iets van een dienst voor ’t landgoed. Toen kon je je brood verdienen, als je drie of vier koetjes had. De mensen waren met veel minder tevreden en gingen d’r gewoon bij klussen. Mijn vader ging samen met mijn opa ’s zomers naar Noord-Holland, gras maaien en bieten rooien. Dat was heel gewoon voor Puttenaren. In januari 1943 zijn AartHennyvanGensOorlogmonumentmijn vader en moeder getrouwd en ze trokken er gewoon bij in. Zo ging dat.
Ik zat in dezelfde situatie als mijn vader; de boerderij was te klein. Ik kon mijn brood hier niet verdienen. Wij begonnen in 1968 met een stuk of tien, twaalf koeien en wat varkens. De boerderij was niet meer dubbel bewoond. We hadden dus een dubbele hoeveelheid grond, maar dan is het nog niks. Veels te klein.
Ik heb ouwe pachtcontracten van vroeger. Daar stond in hoe je het land moest beheren. Je mocht bijvoorbeeld absoluut geen mest afvoeren. Die moest je gebruiken voor je land, want kunstmest was er niet en ’t land was schraal. Natuurlijk deed je dat als goeie boer niet, maar het was ook contractueel vastgesteld. Over zaken als hagen, essenranden en elzensingels werd niets gezegd.  Daar mocht je eigenlijk niks aan doen, want dat deed ’t landgoed zelf. De Boreels verkochten die singels als hakhout. Vóór die tijd, hoorde ik, hadden ze eikensingels en daar werd eek van gemaakt. Voor de leerlooierijen. Maar de pachters hoefden dus geen onderhoud aan houtwallen te doen. Het enigste wat ze moesten doen was de sloten schoon maken. Dat hoorde erbij. Dubbele en driedubbele rijen van elzensingels kom je op meer landgoederen tegen. Gewoon voor de houtproductie. Dat waren vaak hele lage percelen elzenbroekbos. Je kunt er niet lopen. Het hout moet er eens in de vijftien tot twintig jaar uit, anders gaan die bossen dood. Dat verrot, wordt moeras. Elzenhout is allemaal stookhout. Daar kun je anders niks mee. Geriefhout zijn lariks, douglas, eiken en zo. Essen daar maakte je stelen van. Je ziet hier ’t meest berken, elzen en lijsterbes. Als hier essen staan dan zijn ze vaak door Natuurmonumenten aangeplant.
Bij onze grond zat vroeger ook wat bouwland. Ze verbouwden tarwe en rogge. Ik heb ’t direct in gras omgegooid, want er was in mijn tijd al geen kwartje aan bouwland te verdienen. Toen ik zestien jaar was ging ik bijverdienen op boerderij de Blankenvoort, waar Van de Kamp zit. Ook een boerderij van Natuurmonumenten van twintig hectare. Eenderde van die boerderij was bouwland. Hij verbouwde rogge, haver, gerst, van alles. Maar als ik daar de inkomsten zag!  Van de Kamp zei tegen mij:  “Aart, ik denk dat jij met je werk meer verdient als ik met mijn boerderij”. Ik heb jaren meegemaakt dat-ie een inkomen had van drieduizend gulden! Dat was in begin jaren ’60.  Daar moest alles van betaald worden! De mensen hadden ’t wat voedsel betreft best. Dat was geen probleem. Maar dingen als kleding heeft mijn moeder vaak moeten krijgen.
Ik moest altijd bijverdienen. Ik had naast koeien en varkens, mestkalveren. In 1969 heb ik een schuur gebouwd en daar kon ik zestig mestkalveren houden. Dat was in die tijd heel goed. Tot ’78. Toen begon dat héél in ’t groot en dat mocht op Oldenaller natuurlijk niet. Je zit in een natuurgebied. Op een gegeven moment kwam ik in contact met jonker van Haersma de With en die vroeg of ik jachtopziener wilde worden. Zodoende ben ik dus voor zestien uur in de week jachtopziener op Salentijn geworden. Ik houd toezicht op het landgoed. Ik zorg dat er niet gestroopt wordt en dat de pachters zich aan de regels houden.
Vroeger waren pachters vaak eeuwenlang op de boerderijen. Mijn grootvader vertelde dat rond 1900, als de jonker een pachter niet mocht, hij een maand kreeg om te vertrekken. Dat komt omdat de grondprijs zó omhoog ging. De verpachter wou centen beuren. Die families waren gewend op grote voet te leven en als die pachter van de boerderij af was, dan kon ie ’m duur verkopen. Daardoor is de pachtwet ontstaan, ter bescherming van de pachter. In de pachtwet staat het continuatierecht, eerste recht van koop of overgaan van vader op zoon. Daarnaast had je natuurlijk de erfpachtconstructies. Dat is een goudmijntje. Een boerderij bracht bijvoorbeeld tienduizend euro pacht op.  Als die boerderij vrij komt, gaan de landerijen d’r af. Men verkoopt het huis met één of twee hectare grond aan een man met paarden die centen heeft. Op erfpacht voor, zeg maar, tweeënhalve ton mét een erfpachtcanon van twintigduizend euro per jaar. De ondergrond blijft van de oorspronkelijke eigenaar. D’r zijn er hier drie verkocht door Natuurmonumenten en ze zitten allemaal aan de grond. Ze weten niet meer waar ze het roeren moeten.

AartHennyvanGensBoerderij

Natuurmonumenten kwam in 1973. In de begintijd was het wat moeilijk met Natuurmonumenten. Later toen Henk Ramper directeur van Oldenaller was, hadden we als pachters een hele goede verhouding met hem. Hij is rond eind jaren ’90 vertrokken. In de jaren ’70 kreeg ik een brief van de toenmalig directeur van Natuurmonumenten, ik betaalde veel te weinig pacht. Dus dat gingen ze met zeventig procent verhogen. Maar ik had een studie Agrarisch Recht gedaan en ik zei: “Meneer, daar ga ik mee akkoord als u mij de kosten terugbetaalt die wij gemaakt hebben. Want het enige wat ik van u huur is een gebouw van muren. De rest is van mij. Ik huur een boerderij zonder elektriciteit, zonder water, zonder wc binnen”. Er stond een pomp buiten, dat was al. Alles heb ik er aangebracht. Ik kreeg een brief terug, dat ik nergens verstand van had. “Nou, prima”, zei ik “dan doen we het voor de grondkamer en degene die verliest, die betaalt”. En ik kreeg van de rechter geen pachtverhoging maar een pachtverlaging. De rechter zei: “U hoeft geen rente te betalen over uw eigen centen”.
Bij Boreel was dat al zo, die betaalde ook niks. In ’60 of ’61 hebben wij op eigen kosten hier stroom aan laten leggen. Wij zaten hier met een petroleumlamp aan het melken. Een melkmachine hebben we pas in ’64 gekregen toen d’r stroom kwam. Ja, buitengebied was onrendabel. Niemand in het hele gebied hierachter had stroom hoor! Behalve boerderij De Poort, die zat langs de Rijksweg.  Maar nu nog is er boven bij ons geen verwarming. Als het buiten twintig graden vriest, is het bij ons op de slaapkamer drie, vier graden onder nul. En geen dubbele ramen! We hebben een stookkosten! Ik ben hier alleen aan aardgas drieënhalfduizend kuub kwijt per jaar. Het is hier eensteensmuur. Maar de deel was halfsteens, dat heb ik tot aan de zolder steens gemaakt, maar de hele achtergevel is halfsteens. Toen we mestkalveren kregen, hebben we propaangas genomen, een tank. En heb ik direct alles aan laten leggen, zodat ook het huis verwarmd werd met propaan. We hebben jaren op propaangas gestookt, dat is veel duurder als aardgas tegenwoordig.
Ik heb me wel eens kwaad gemaakt om de tweeslachtigheid. Bijvoorbeeld toen we aardgas konden krijgen, heb ik dat in naam van alle pachters aangekaart. Iedereen moest een vast bedrag betalen en dan kreeg iedereen aardgas. Kreeg ik bericht terug, dat het prima was als wij dat deden, maar niet op kosten van Natuurmonumenten. Maar de bewoners van kasteel Oldenaller stookten op aardolie. Die olietank ging lek, dus die moest eruit. Toen moest d’r toch aardgas komen. Maar de bewoners wilden het niet betalen. Dus moest Natuurmonumenten aardgas aanleggen. Naar Cor Jansen en naar Oldenaller. En die leiding kwamen langs twee boerderijen, dat hebben ze allemaal betaald! Nou daar was ik behoorlijk kwaad om.  Ze meten dus met twee maten!

Er waren geen voorschriften over de verharding van het erf. In het begin was het allemaal zand natuurlijk, maar ze beseften wel dat als je het erf niet verhardde, er niet te boeren viel. Op een goed moment zei mijn buurman: “Aart, we kunnen de Withagersteeg verharden met subsidie. 50 procent provincie, 25 procent door de gemeente en 25 procent de aangelanden”. Nou we waren blij, want ’s winters zat je tot zó diep in de blubber hoor! Maar dat was buiten de waard gerekend. Ik mocht van Natuurmonumenten geen aansluiting maken op de verharde weg. De melkwagens kwamen hier, maar je moet niet vragen hoe. Op een gegeven moment was het zó slecht dat ik Natuurmonumenten verantwoordelijk gesteld heb voor alle schade. En hebben ze 500 ton zand in de laan laten rijden.
D’r is hier op Oldenaller praktisch geen boer meer over. De enigste grote boer is  Aart van de Beek. Die boert biologisch, zoals Natuurmonumenten dat hebben wil. Maar ook van hem hoor ik dat ’t eigenlijk niet te doen is. Er is nauwelijks brood te verdienen.

Ik heb ’t land hier altijd keurig beheerd en nu moet het biologisch worden. Er mag geen mest meer op en wat zie je? Kijk maar uit ’t raam, dan zie je de biezen komen. Dat betekent dat de hele grond verzuurt. Zij vinden dat prachtig, maar ik vind het een aanfluiting. Van de buurvrouw is een stuk grond verkocht. Dat moest blauwgrasland worden. Nou, prima, wat doe je dan? Je gaat verschralen! Maar nee! D’r was een potje geld om grond af te graven. Die grond is twintig centimeter afgegraven en is bij een andere boer op ’t land gebracht. Dat heeft een vermogen gekost en de enige die zich een ongeluk lacht is die aannemer. Maar voor de buren is ’t een rotgezicht, want het is een moerasgebied geworden.
Ik heb in mijn boerentijd altijd met een buurman samengewerkt. Uit de kunst! We deden met machines en alles samen, omdat ik te klein was. Hij was wat groter. En we hebben 25 jaar, zonder ooit problemen samengewerkt. Allebei waren we pachters van Natuurmonumenten. Hij zat in de boerderij De Poort. We zijn beiden tegelijk gestopt. Hij heeft geld gevangen en de keus gemaakt om naar Putten te gaan. Nou, na een half jaar heeft-ie geld aan Natuurmonumenten geboden om terug te mogen komen. Dat ging natuurlijk niet. Maar ik zei: “Ik wil maar één ding. Ik ben hier geboren en getogen. Ik heb hier zoveel met mijn moeder meegemaakt, ik wil hier graag blijven wonen.  Als jullie dat op papier zetten, wil ik geen gulden van jullie beuren”. Zo heb ik het geregeld, ik mag hier levenslang blijven zitten.’

Kijk ook eens op: