Landgoed Oldenaller: Er zat een adellijkheid in

EvertVanDeBeekPortret

 Evert van de Beek

biologisch boer op landgoed Oldenaller

 

Evert van de Beek pacht sinds de jaren ’80 een boerderij van Staatsbosbeheer in het buitengebied van Ermelo, vlakbij het pannenkoekenhuis in Drie. Hij is geboren op landgoed Oldenaller op boerderij Klein Oldenaller, vlak achter het kasteel. Daar boert nu zijn zoon. Hij vertelt met smaak over de ietwat feodale verhouding die vroeger bestond met de adellijke familie.  Hij heeft er geen vervelende herinnering aan, het had ook zo zijn voordelen!

Auteur: Margreet Gründemann

‘Mijn vader pachtte de boerderij. Eigenaar was toen de familie Boreel. Ik geloof dat het toen zo’n beetje 23, 24  hectare was. Flink voor die tijd. Mijn vader had vooral rundveehouderij. Met een klein beetje bouwland. Daar werd rogge en bieten verbouwd en later in het jaar knollen. Eerst werd de rogge gewoon gemaaid met de zicht. Later kwamen die zelfbinders. Dan zet je het op gasten en dan ging het tenslotte de hooiberg in. In de winter werd het dan weer gedorst. Ik weet nog dat de dorsmachine kwam in de herfst. Dat was altijd een hele happening. Die dorskast reed dan rond. Hij kwam bij de buren en daarna kwam-ie bij jou en dan hielpen de buren jou weer. Dat ging zo in een kring rond.
De boerderijen rond Oldenaller hadden allemaal een redelijke maat. De pachtboerderijen waren duidelijk groter als de eigen boerderijen. Pachtboeren hadden toch een redelijk aanzien. Het is een totaal ander iets als eigen boer zijn, want om pachtboer te kunnen wezen, had je toch een bepaalde feeling nodig. Laten we wel wezen, de adel was nogal feodaal. Daar moet je mee kunnen omgaan. Maar je kunt daar ook de kwaliteiten van genieten. Jonker Eddie Boreel was onze buur. Mijn vader en de jonker zullen mekaar qua leeftijd niet veel gemaakt hebben, maar ik heb de jonker altijd ervaren als de vader van de club. Als er bijvoorbeeld eens wat geregeld moest worden met de gemeente, dan gingen we eerst met de jonker praten, want die deed dat wel voor de boeren. Hij was duidelijk intellectueel de meerdere.  Toen ik klein was, woonde de oude Victor Boreel en zijn vrouw op ’t kasteel. Dat was echt een adellijk stel. Hij was opperhofmaarschalk van de koningin geweest. Oldenaller sponsorde toen ook ’t schooltje in de buurt. Wij hadden daar dan ook koninginnefeest op 31 augustus. Dan werden wij rondgevaren in een schoongewassen baggerboot door het personeel. En uiteraard moesten we het edele paar ook toezingen. Dat was traditie. En wij vonden het leuk. EvertVanBeekHuisOldenaller

Toen de oude jonker overleed, dat zal iets na de oorlog zijn geweest, is het landgoed verorven naar de jonge jonkers, die ook al ouder waren. Die waren lang niet altijd op het kasteel hoor! Die hadden banen. Ik denk omdat ze niet konden leven van het landgoed.  In die periode waren de pachten laag. En ik weet nog dat mijn vader zei: “Ik schaam me gewoon, zo weinig geld als het is”. En dat de jonker zei: “De boeren hebben het beter als ik”. Hij liep in een gekneuterd pakje rond. En het personeel werd minder en minder. Ja, ze hadden nog een chauffeur en nog iemand in de keuken. Maar daar hield het onderhand ook mee op. Mijn moeder wist nog dat er twintig mensen liepen. En toen ik klein was, liep er een man of vijf. Tot er tenslotte nog twee liepen. De verhouding tussen pachter en verpachter was bijna als een soort familie. Het was ook je beschermheer. Wij hebben daar goeie herinneringen aan. Mijn vriendinnetje was de freule van Oldenaller. Ze was veel bij ons op de boerderij. Dilène zo heette ze. Ze hadden altijd iets andere namen als wij.Als er buitenlandse gasten kwamen op ’t kasteel, dan stond ik daar ook bij, op m’n klompies. Dan werd mij wel eens een vraag gesteld. Toen hebben ze me de eerste Engelse zin geleerd: I don’t know. Als je dat maar zegt! We hadden natuurlijk allerlei avontuurtjes als kinderen. Na de oorlog kwamen ze nog wel, maar alleen op vakantie. En het raakte steeds leger. ’t Kasteel werd niet meer permanent bewoond. Tenslotte heeft Wouter Bouw d’r nog een tijd gewoond als kasteelbewaarder. Ja, en toen is het in ’72 over gegaan naar Natuurmonumenten. Vrij plotseling.

Het kasteel deed geen onderhoud aan de pachtboerderijen. We betaalden zelf het onderhoud. De pacht was laag, maar in de crisisjaren leefde Boreel toch wel mee met zijn pachters. Toen hoefden ze  een jaar geen pacht te betalen. Na de oorlog hebben we dat weer moeten inhalen. Ik weet nog dat we een nieuw rieten dak moesten hebben. Dat is toen heel scherp aangenomen. Achteraf hebben we gemerkt dat we vreselijk in de boot zijn genomen. We bevroren zowat in huis, waaiden zowat weg bij de kachel. Later hebben we ontdekt, dat ’t bij het begin van het dek mooi dik was en dat het heel geleidelijk over ging tot een zeer dun laagje.
Later is er via ’t Schoutenhuis een rentmeester gekomen. De heer Munniken. Toen werd het allemaal wat professioneler. Meer volgens de pachtwet en dat soort regels. Op een zeker moment kregen we ook een nieuw pachtcontract.  Ik had in het begin nog een heel oud pachtcontract, waar nog recht van overpad van kerkpaden en zo in zat. En ook hand-en-spandiensten, zoals een vracht mest brengen. Wij moesten ook helpen met die grote tropische planten binnendragen naar de oranjerie. Maar dat raakte natuurlijk toch allemaal een beetje weg. Mijn vader ging bijvoorbeeld nog met paard en kar een van die mooie gietijzeren banken naar de smid brengen. Die was kapot. Hij staat nu te pronken in het gemeentehuis van Putten. De gemeente heeft veel gekocht op de veiling van Oldenaller.

EvertVanBeekHuisbrug

Indirect hadden de Boreels wel invloed over hoe de boerderij gerund werd. Dat zat in duizend kleine dingen, bijvoorbeeld na de oorlog begon het kuilgras te komen. Daar maakten we betonnen silo’s voor, maar het probleem op Klein Oldenaller was, dat het grondwater zo hoog zat. Die silo stond dus volledig boven op de grond aan het einde van de Oldenallerallee. Die hebben we op verzoek van de Boreels moeten verplaatsen, want anders konden ze de zon niet onder zien gaan. Die silo stond in het zicht. Zoiets moet je als pachtboer gewoon aanvoelen, dan ga je die silo verzetten. Daar lig je niet over te klieren, dat doe je. In die tijd kuilden we nogal natachtig gras in. Dat hoorde zo, meende men. Dat stonk heel verschrikkelijk. Dat is boterzuur en dan zat er zo’n putje naast de silo. Dat borrelde en dan stonk het vreselijk. Op een zeker moment was de wind recht naar het kasteel. Het was ondragelijk. Mevrouw kwam woedend naar ons toe: “Van de Beek! Je moet het putje bij die silo dadelijk dichtdoen! Want het stinkt zó verschrikkelijk!”. “Ja maar, mevrouw dat helpt niks.” “Je gaat dat putje dicht doen!”. Nou mijn vader pakte de schop en ging het putje dicht doen. Maar het bleef stinken. Toen heeft mijn vader iets wijs gedaan. Hij heeft contact gezocht met de landbouwvoorlichtingsdienst. Dat zijn mensen die ter zake kundig zijn en er werd een afspraak gemaakt. Mijn vader werd, bijgestaan door Van Rhoon de opzichter, keurig ontvangen op het kasteel. Hij kreeg een kopje thee. En de man van de landbouwvoorlichtingsdienst ging een keurige uitleg geven van de chemische processen die plaats vinden in zo’n silo. Dat ’t inderdaad helaas stinkt, maar dat er geen mens in de ganse wereld is, die dat kan tegenhouden. Dat hoorden ze aan. Ze stonden op en boden hun excuses aan: “Van de Beek, neem mij niet kwalijk. Wij hebben dit nooit kunnen begrijpen, het is over en het is goed”. Ja zo was het. Er zat een adellijkheid in.

Over de houtwallen stond in het pachtcontract dat je anderhalve meter of zo van de rand moest blijven. Daar had je dan je afrastering op af te palen. Verder hadden wij over die houtranden niet veel te vertellen. Dat was duidelijk van de verpachter. Wij zeggen niet esranden, wij spreken altijd over houtwallen. Vooral de koeien mochten er niet in komen. Men was er best zuinig op. Boeren wilden wel eens proberen om een doorsteekje te maken of zo, maar het waren heilige gronden. Daar bleef je echt van af. Bij ons waren nog enkele restanten van doornhagen. Hier en daar staan wat struiken. Die doornhagen waren de voormalige afrasteringen. Maar in mijn tijd was ’t prikkeldraad.
Die houtranden met een slootje d’r tussen, dat was vooral in drassige gebieden. Oldenaller lag ietsjes hoger in het landschap. De hele oude naam voor Oldenaller is Hogenalder. In hele oude geschriften, schreef men Hohen Alder. En de volksmond, om ons heen, zei ook altijd Hogenalder. Ik denk dat Aller de officiële naam is, want je hebt bij ons drie Allers hè? Je hebt Aller aan de Diermenseweg. Een stukje verder naar de zee had je Oldenaller. Nog weer dichter aan de zee had je Alder. En ook dat schijnt ooit een kasteelachtig gebeuren geweest te zijn. Geen idee wat de betekenis van de naam Aller, Alder is geweest. Men zegt dat Alleir iets te maken heeft met bos, of struweel. Nou ja Oldenaller is waarschijnlijk de oudste.
Die houtwallen zijn vaak natuurlijke scheidingen. Soms tussen hoog en laag, soms tussen grondsoorten. Dat je aan de ene kant duidelijk zand hebt en aan de andere kant klei. Dat zijn hele ouwe scheidingen. Ik weet niet of ze aangeplant zijn. Of dat het natuurlijk opgeschoten is. Ik weet dat ze er indertijd bomen bij plantten als ze erg hol werden. Enkele eiken stonden d’r vaak in. Het kunnen zaadbomen geweest zijn. Je had van die enkele bomen af te blijven, die groeiden dan uit tot volwaardige bomen. Dat hout was veel gevraagd. Het werd toegewezen. Dan kocht je een perceel hout en dat hakte je zelf. D’r waren openbare verkopingen van hout en van ries en zo. Het is redelijk waterrijke grond. Ik denk dat elzen het toevallig het beste doen op die grond.  Er zat ook nogal wat populierenhout, peppelhout. Wilgen had je natuurlijk ook.Ik dacht dat het hout ongeveer eens in de tien jaar afgezet kon worden. Dan was het weer zo ver. Later is dat helemaal in onbruik geraakt. Toen groeiden ze ook helemaal ‘uit de nuk’, zeggen wij dan. Het werd veel te zwaar. Op dit moment wordt er weer meer gekapt. Maar het brengt nu ook weer wat geld op. We haalden het hout er met een paard uit. Meestal hadden we twee paarden. Dat was wel zo’n beetje standaard in mijn vaders tijd en van mijn opa natuurlijk.’

Kijk ook eens op: