Landgoed Oldenaller: Dus ik liep daar met in m’n zak achthonderd gulden, als snotneus, naar ’t kasteel

 Hoonhorstportret

Boerderij De Hoonhorst, deel 2

Nadat de heer B. verteld heeft over het landgoed Oldenaller vervolgt hij zijn verhaal en haalt herinneringen op aan zijn leven op boerderij Hoonhorst op landgoed Oldenaller.

Verhaal Annemieke van Buël, beeld Marianne Jans.

‘‘Hoon’ dat komt van hoen, hoenders en ‘horst’ is een plaats, een bult, een berg. Maar voor de rest weet ik ’t niet, want heel veel zeggen hier ook ‘Hoenhorst’. Ik moet beginnen met dat ik hier geboren ben in 1949. Dat waren hier de jaren van ’t paard. ’t Was natuurlijk net na de oorlog. Er waren verder geen machines. Twee paarden waren er. Daar werd het werk mee gedaan. Dus dat was heel veel handwerk. Mijn moeder is met een zoon van de vorige bewoners hier ingetrouwd. En die jongen is – toen  ze een half jaar getrouwd waren – in de oorlog met de razzia van Putten meegevoerd naar Duitsland en is daar omgekomen.

De baron kende mijn moeder goed want hij had haar geholpen. Mijn moeder zat hier als weduwvrouw, toen die eerste man was weggevoerd. Maar ze had broers en die wilden hier graag boer worden. Dus ze dachten: mijn moeder eraf  en één van de jongens erop. Dat konden ze niet zo direct klaar krijgen, omdat alles net afbetaald was. Maar dat wilden ze aan gaan vechten in Den Haag. Dat mijn moeder geen goede boerin was, om haar eraf  te krijgen. Maar toen de jonkheer daar lucht van kreeg, werd hij zó boos. Hij is hier bij mijn moeder geweest en heeft hij haar gerustgesteld. Hij zei: “Al zal ‘t me tweeduzend gulden kosten”. Nou, en dat was wat. “Ik ga mee naar Den Haag en ’t is mijn land, mijn boerderij. Ik zal zorgen dat jij hier blijft!”. Nou, en dat is gebeurd.
’t Is voor mijn moeder hier een hele zware tijd geweest. Ze leeft nog en is nu 98. Zij zat hier in de oorlog alléén, als baas eigenlijk, als weduwvrouw met personeel. Ze gooiden hier aan alle kanten de bommen om ’t huis. Die spoorlijn daar, die loopt tussen Zwolle en Amersfoort,  die moesten ze raken. Mijn moeder heeft hier een jaar of wat alleen gezeten van ’45 tot ’47 of ’48. Ze is opnieuw getrouwd, met mijn vader, want ze had geen kinderen. Mijn vader kwam van ’t westen. Vandaar de naam B., die komt hier in de hele omtrek niet voor. Die naam die komt alleen maar uit ’t westen achter Utrecht: Mijdrecht, Waverveen, Vinkeveen. Mijn vader was een echte koeienboer. Hij had een andere manier van werken dan een hoop boeren hier. Mijn vader kocht altijd vee en verkocht ’t weer, maar fokte zelf geen kalfjes op. Hier in de buurt deed iedereen dat. Ik heb hem vaak horen vertellen dat hij erg moest wennen aan ’t bouwland hier. Hier waren hoge stukken land, daar kon geen gras op groeien. Ze hadden immers veel gebrek aan mest. Dat land verdroogde ’s zomers helemaal. Er kwam niks geen gras af. Dus zetten ze er rogge, haver en gerst op, ’n stukje bieten voor de koeien, stukje aardappels voor zichzelf. Dat verbouwden ze. Ik heb dat later omgeschakeld. Er is nu nog een gedeelte bouwland, dat is voor maïs. Dat is het ouwe bouwland, waar we ook wisselvrucht kunnen zetten.

Ik moest heel jong – ik was zeven jaar – helpen melken. Met melkenstijden waren er altijd handen tekort. Ze werkten veHoonhorstErfel met personeel. Zo had mijn moeder een vast meisje in dienst en mijn vader had een vaste knecht, die helemaal in huis waren. Er waren twintig koeien. ’s Zomers werd ’t andere werk met losse daghuurders aangevuld. Die moest je allemaal betalen. Ik weet nog dat hij die jongens hier uitbetaalde voor een dag werk: acht gulden. Dat  werd later een tientje en zestien gulden. Die daghuurder kreeg alleen maar eten ’s middags en ’s avonds brood en acht gulden. Dat was in de vijftiger jaren. Ze gingen bijvoorbeeld rogge maaien. Toen kreeg je net de zelfbindertjes. Er was een loonwerker, die had al een machientje achter de tractor. Je moest de kanten met de zicht en de haak los maaien. Maar wij als jongens moesten, heel klein al, die bossen opbinden en er garven van maken. Dat kon je al aardig gauw. Dat deden ze je voor en je moest daar maar mee helpen. Je zat op de lagere school, maar dat was meest in de zomervakantie. In juli of augustus, werd ’t koren gemaaid.

Ja, ik vond ’t altijd heel gezellig, vooral met dat personeel. Nou ja, er werd natuurlijk een hele hoop geouwehoerd. Ik kan me herinneren dat die knechts mij gewoon aan ’t opfokken waren. Zo van: je moet naar school, maar op school is ’t één slagveld. Ik wist heel niet wat een school was. Ik was doodsbang toen ik naar school moest. Ze zeiden al – iedereen liep op klompen, dus ik ook – dat ik spijkers aan de onderkant op mijn klompen moest slaan. Dan kon ik met die punten goed schoppen. Ja, en ik kwam op school. Ik dacht: ’t is hier maar een saaie boel (hij lacht uitbundig bij deze herinnering, red.). Die lagere school heb ik afgemaakt, hier in ’t buurtschooltje. Om half vier ging de school uit. Als je uit school kwam, moesten we helpen met melken om half vijf. Dus hadden we een uurtje voor onszelf en waren we tot zes uur onder de pannen. Daarna kon je eten. Dat was iedere avond raak. Zaterdag en zondag en de hele week. Toen ik van de lagere school af ging naar ’t vervolgonderwijs, moest je ’s morgens melken natuurlijk. Daarna kon je naar school. Maar dat heb ik niet zo lang gedaan. Mijn vader deed z’n knecht weg omdat ’t personeel duurder werd. Dat was in de jaren ’60. Alle personeel kon veel meer geld in de industrie verdienen en dat konden de boeren niet betalen. Mijn vader zei: “Ik hou wel een paar koeien minder”. We gingen naar zestien of zeventien koeien toe. Dan moest ik maar een beetje helpen. Hij liet zo min mogelijk personeel komen en zoveel mogelijk loonwerkers. Die huurde hij in mèt tractoren, toen al hè! Dus zo hebben we een jaar of zes, zeven samen gewerkt. Toen ben ik zelf gaan meepraten. We hebben een trekker en melkmachines gekocht en begon de ontwikkeling op gang te komen.

We waren zestien, zeventien, achttien jaar. Je ziet wat en je leest wat in De Boerderij. Ik weet dat er in De Boerderij een stukje stond. In Amerika daar liepen de koeien naar de boer,. Hier liep de boer altijd maar achter die koeien aan. Maar daar deden ze ’t andersom. Daar kreeg je die doorloopmelkstal van. Dat was veel beter. Ik hoorde dat er in Amsterdam iemand was, die dat had nagemaakt. Daar ben ik wezen kijken. Ik heb het daar weer van nagemaakt. Dus waren wij met iemand hier in de hele omtrek de eersten, die de koeien langs een put lieten lopen. Wij stonden in die put te melken. Ja, dat was heel kleinschalig. Dat was in de ouwe schaapskooi die er nog staat. Gewoon heel primitief ingebouwd maar ’t werkte. Toen was ’t probleem hier dat je dat ’s zomers kon doen, maar ’s winters niet. Dan stonden die koeien op stal hier binnen en die stonden allemaal vast. We zijn gaan denken over een grotere stal waar de koeien los in konden lopen, met een melkstal waar ze los gemolken werden. Dat is in de jaren ’70 geweest. ’t Bleef bij koeien, maar we hebben varkens tussendoor gehad. Mijn vader had een kippenschuurtje en dat stond leeg. Ik zei tegen mijn vader: “Als ik dat mag gebruiken, hoef ik geen zakgeld”. Loon kreeg je al helemaal nooit natuurlijk. Daar ben ik een beetje varkens in gaan houden voor hobby en een beetje verdienen. Nou, dat heb ik wat uitgebreid. Op ’t laatst had ik 250 varkens. Daar heb ik altijd mijn loon uitgehaald zeg maar, totdat ik trouwde. Deze boerderij, en hierachter stond nog zo’n boerderij, dat waren geen middelmatige bedrijven meer, maar grote bedrijven. Twintig koeien; de meeste boeren hadden hier zes koeien en een paar kippen.
Wij hadden zeven kinderen. Ik was één van de oudsten, de tweede. De boerderijen waren heel gezellig, dat herinner ik me heel sterk. Dat is nu niet meer zo. Je woonde vóór in de boerderij en achter in de boerderij stonden de koeien. Dus je moeder zat achter de ene deur en je vader achter de andere. En daar leefde je als kind in. Als je ’s morgens wakker werd, was je moeder in de keuken of kamer. Je vader zat in de stal ernaast. ’t Was overal warm. ’s Winters ook want de koeien gaven warmte. Als kind speelde je door ’t hele huis heen. De ene keer moest je laarzen of klompjes aantrekken en was je op de deel aan ’t fietsen. Rondjes vóór die koeien heen of met een driewielertje. Of je ging daar met winteravond stelten lopen, die maakte je zelf. En skeltertjes rijden, die prutste je zelf in mekaar mèt mekaar.

Ik weet nog dat hier geen telefoon of niks was. Als er bij mijn moeder een kleine geboren moest worden, kon mijn vader naar Nijkerk naar de dokter ’t gaan zeggen. Mijn moeder had altijd een dokter erbij. Maar later kon hij hier vóór aan de weg, een kilometer verder, gaan bellen bij zo’n Rode Kruis hulppost. Daar had je telefoon. Die dokter – dat weet ik nog – die kwam met zijn bromfiets met een tasje in z’n handen. Nou, en de rest moesten de dames doen. Je had een wijkverpleegster, die haalde hier al de kinderen zowat. Maar de dokter kwam effe en voor de rest regelde zij alles. Ze deed ’t alleen ook, als ’t moest. ’t Is gewoon niet meer voor te stellen! Ik weet ook nog dat de eerste auto’s hier over de straat heen reden. Wij kwamen van de markt af. Ik bij m’n vader achterop de fiets, dus ik was een jaar of vier denk ik. Twee auto’s tegen mekaar op. Er lag zo’n man te bloeden aan de weg. Die vrouw – dat zie ik nog steeds vóór me – die stond helemaal krom, want die auto van haar zat in mekaar. “Oh, m’n auto, m’n auto’ zei ze, maar bij die man zat ze niet. Nou, ik dacht: “Ik hoop dat hij nooit geen auto koopt, want dàt zijn gevaarlijke dingen!” Toen wij hier een auto hadden – ik was een jaar of zes denk ik, dat zal ongeveer ’56 of zo geweest zijn – was dat natuurlijk een uitkomst voor m’n moeder. Toen kon m’n moeder ook weg. We moesten hier altijd eerst een kilometer lopen naar de bus. Je kon met de bus, overstappen in Amersfoort en dan zat je op een trein.

Twee keer per jaar moest de halfjaarlijkse pacht betaald worden op ’t kasteel. Dat was 1 mei en 1 november. Ik heb dat gedaan toen ik een jaar of zestien, zeventien, achttien was. Mijn vader had geen tijd en hij moest naar de veemarkt. Je kreeg een brief, op die tijd kon je pacht betalen. Ik denk dat ’t zevenhonderd, achthonderd gulden was per half jaar en dat was anderhalfduizend of tweeduizend bij mekaar voor een heel jaar. Ja dat was heel groots, omdat ik zo jong was en ’t nooit gedaan had. Dus ik liep daar met in m’n zak achthonderd gulden, als snotneus, en op je fietsje naar ’t kasteel. Je kwam in zo’n grote kamer met een heel groot bureau. Daar zat de tuinbaas. Die kende je en daar zat de rentmeester, die beheerde dat vroeger en die inde die pacht. De baron zag je niet. Hij woonde er, maar daar hadden wij verder eigenlijk weinig contact mee. Hij had zijn personeel om dat soort dingen te doen, Hij wandelde wel ’ns een keer en dan zei je heel netjes: Dag mijnheer”.

We hadden contact met de naaste buren en zo, maar verder met de buurt en met de coöperaties van landbouw en vergaderingen van landbouw bemoeide mijn vader z’n eigen nooit. Ik ietsjes meer, maar heel weinig. Wij staken zelf meer onze vrije tijd ’s avonds in ’t geloofsleven. En trouwens nog hoor.’

Kijk ook eens op: