Landgoed Oldenaller: Dat wij biologisch zijn, heeft te maken met ons geloof

EvertVanDeBeekPortret

Evert van de Beek, biologisch boer op landgoed Oldenaller

Evert van de Beek is in september ’39 geboren op boerderij Klein Oldenaller. Dat ligt net achter het kasteel Oldenaller. Hij had twee zussen, die veel later geboren zijn. Hij is van vóór de oorlog en zijn zussen van ná de oorlog. Hij is dus in een heel andere tijd opgegroeid als zijn zussen. Op Klein Oldenaller boert nu zijn zoon biologisch en zelf pacht Evert een boerderij van Staatsbosbeheer in het buitengebied van Ermelo. Hij vertelt hoe dat zo gekomen is.

Auteur: Margreet Gründemann

‘Ons land op Oldenaller lag om de boerderij heen. Wij hadden de grond wel wat verspreid. Een stuk aan de overkant van de Oldenallerallee en een stuk achter het huis van Cor Jansen. Vroeger liepen er sloten door. Die sloten aan de overkant zijn allemaal weggeschoven. Dat hebben wij zelf gedaan. Dat was geen probleem met de afwatering, Oldenaller ligt ietsje hoger hè? Het land achter Cor Jansen is op een zeker moment omgeruild in een pachtersruil. Toen is het in één blok bij de boerderij komen te liggen. Later kwam er steeds meer grond vrij en dat is erbij gevoegd.

Mijn vader deed niet aan biologisch boeren. Dat wij dat wel doen, heeft te maken met onze gelovige achtergrond. We zijn rentmeesters op deze wereld en dat heeft z’n weerslag in alles. Wij hebben een weerzin tegen kunstmest en al die chemische troep. Ik ben eind jaren ’80 al begonnen met die dingen. Ik was een behoorlijke voorloper, vergaderde met de echte pioniers. Geitenwollensokkenjongens. Het waren gedreven jongens hoor, die mannen van het eerste uur! We zijn meer economisch biologisch. Ze zeiden: “Jij met je vieze geld”. Maar ik zag dat toch een beetje economischer. Ik had te maken met een bank, die toch ook z’n geld moest hebben. Nou, wij stopten met kunstmest. Wij stopten met bestrijdingsmiddelen en de koeien kregen meer ruimte. Wij gingen over op mechanische bestrijding van onkruid. Dus schoffelen en wied eggen. Op een goeie manier ploegen en je grond zó behandelen dat er zo min mogelijk onkruid komt. Want voorkómen is altijd beter als genezen. Dat is een proces dat vrij lang duurt voordat je dat in de vingers hebt. Het is een andere vorm van denken. Mijn zoon had dat in het begin eigenlijk niet. Hij kwam van school, gewoon de middelbare landbouwschool en dat was het dan.EvertVanDeBeekBoerderij

Na 1983 was de melkquotering ingevoerd. De hoeveelheid melk die je mocht produceren en leveren aan de fabriek. Ik ben daar heel slecht ingegaan. Ik ben in ’82 geopereerd aan een nier en ik heb dingen moeten laten schieten. Ik was een ton melk kwijt. Toen de quotering een feit werd, werkte mijn zoon voor de bedrijfsverzorging. Hij wilde boer worden, maar op dat moment kon dat niet want we hadden meer omzet nodig. En je kon niet zo maar uitbreiden. We zijn gaan zoeken naar extra melk. Dat was honderd procent verbonden aan grond. Ik kon overal stukjes grond kopen, om aan dat melkquotum te komen. Maar ik wilde die grond helemaal niet; het ging om de melk. Ik heb er vanaf gezien, het was zó ingewikkeld! Toen hoorde we van dit bedrijfje in Drie.  Het ligt op afstand van Oldenaller, maar hier ligt alles compact om de deur. Alléén d’r was een huis bij! Daar hadden we helemaal geen zin aan. Want mijn zoon had maar net verkering. Maar ja, het was zoveel logischer. Alles op één plek. Dit was hoog. Hier kon je maïs bouwen. Op Oldenaller is maïs bouwen moeilijk, want je verzuipt soms in de herfst. En we hadden toch graag maïs. Toen hebben we het gedaan! We deden samen in  een maatschap. We hebben dit overgenomen van Staatsbosbeheer in erfpacht. Er ligt twaalf hectare bij. Dat was een toegift op Oldenaller. En zo is mijn zoon al heel jong op de boerderij Klein Oldenaller gekomen. Zó jong, dat als de vertegenwoordigers kwamen, ze zeiden: “Hé joh, is je vaoder thuus?” Dan zei m’n zoon: “Ik ben de boer!”.
Ik wilde biologisch, maar ik kreeg het eerst niet rond bij de bank. Ze zeiden: “Je bent een hele ideële figuur, maar je springt in de put waarvan je de bodem niet ziet vriend”. We waren bezig met een bedrijf in Barneveld, die onze melk zou verwerken. Dat is niet goed gegaan. De markt was d’r nog niet. Maar in de jaren ’90, begon het toch ook bij mijn zoon meer te leven en nou is ie zeker zo gemotiveerd als ik. Want hij zei pas: “Al zou ik niks méér krijgen voor mijn melk of voor andere producten, ik zou nog biologisch worden”. Het zit ‘m helemaal in zijn vingers.

EvertVanDeBeekCultuurgrondNatuurmonumenten heeft het landgoed in 1972 overgenomen van Boreel. Wij waren onder de Boreels al bezig met het bouwen van een ligboxstal. In ’72 was dat heel experimenteel. Precies in die tijd nam Natuurmonumenten het over. Dat rolde eigenlijk over ons heen. En dat gaf heel veel strubbelingen, want Natuurmonumenten was niet weg van die ontwikkeling. Helemaal niet. Die wilden gewoon de aanbindstal. En dat was voor ons een geweldige stap terug. Oosterloo was toen de districtsman, die promootte dat geweldig. Die hield tegen wat ie kon. Maar tenslotte, vanwege de fatsoensregels mocht het met een aangepaste stal, die zo laag mogelijk moest zijn, om weg te vallen in het landschap. Toen we een poosje draaiden werden we zelfs als voorbeeld genoemd door Natuurmonumenten. Ik weet nog dat staatsecretaris Meijer van Landbouw een keer op het kasteel was en de heer Stefels, dat was de man van Natuurmonumenten, liet alles zien aan Meijer. Toch wel trots.
We hebben heel veel last gehad van alsmaar veranderende inzichten met de veranderende mensen van Natuurmonumenten. Onder de Boreels waren we aan mekaar gewend en aan mekaar gewaagd. Je wist wat je kon doen en je wist wat je moest laten. Er was onder de Boreels een grote waardering voor goeie boeren. Ik weet van een boer die wat minder goed was. Die kreeg een briefje of hij de landerijen op een goeie manier wilde beheren. En of ie alsjeblieft die distels uit z’n land wilde verwijderen en het onkruid wilde bijhouden en al die dingen meer. Toen werd dus een vooruitstrevende boer geacht en een natuurlijke boer met onkruid, minder. Bij Natuurmonumenten was het in één keer precies andersom. Daar was waardering voor de boer die zijn zaken een beetje liet lopen, want daar waren meer insecten,  diertjes en vlindertjes te vinden dan bij ons. Ik had een geweldige discussie met die mensen. Ik beweerde dat ik grasland pachtte.  En de heer Stefels zei: “Nee, je pacht grond van ons met een veelzijdige vegetatie”. Ik zei: “Dat staat nergens!”. Ja, dat was heftig soms hoor!

Mijn opoe had de ouwe heerd helemaal intact en had heel veel oude spulletjes. Het gebeurde dat de Boreels buitenlands bezoek hadden en dan kwamen ze ons bezoeken. Maar ze kwamen eerst vragen: “Komt het uit?”. Gewoon beleefd. Maar onder Natuurmonumenten gebeurde het dat ze zó binnen kwamen: “Eens even kijken hoor”. Nou, mijn vrouw had er last van hoor! Het was zeer badinerend.
Na Stefels kwam er weer een ander. Met weer andere ideeën. Ja, dat wisselde hoor. Maar als die Stefels of Oosterloo geweest was, was ik een halve dag overstuur. Wij waren de vervuilers,  wij waren de horizonvervuilers, wij waren alles wat maar slecht was ongeveer. En dat was niet leuk. Maar het is heel sterk persoonsgebonden hè? Daarna kwam de periode met de heer Kessies. En ontstond er iets van samenwerking. Dat is een gouden tijd geweest. Die zorgde dat we met de tijd meekonden. Dat we konden groeien. Dat er meer grond bij kwam. In die tijd is op grond van opstalrecht een hele nieuwe stal gebouwd op Oldenaller. Dat is de grote ontwikkeling geweest en dat heeft toch te maken met meedenkende personen.Ik ben intussen een tijd wethouder geweest in Ermelo. Toen heb ik het hier sterk afgeslankt. Tenslotte ging alle vee naar Oldenaller, wat trouwens veel groter geworden is. We zijn ‘boerderij van het jaar’ geworden. We hebben zelfs Maxima een keer op bezoek gehad! Dat was leuk. EvertVanBeekKolk

Er wordt nu een stuk van 22 hectare van het land van mijn zoon onder water gezet voor de vogels. Dat is grond dat-ie op jaarpacht kreeg. Daar rusten dus geen rechten op en dat weet-je. Maar een gat van 22 hectare, dat is niet niks. Natuurmonumenten probeert vervangende grond te vinden, maar op dit moment is dat er nog niet. We hadden al een soort apart beheer op die grond achterin. Dat we daar pas ná 15 juni gingen maaien, bijvoorbeeld. Het is overigens hele bijzondere grond hoor. Daar ligt de grond nog zoals de zee die heeft neergelegd, toen het de Zuiderzee was. Je hebt er zandkoppen en kleigeulen. Het verschil in hoogte in een stuk land kan zó maar anderhalve meter wezen. De sloten liepen d’r allemaal kronkelig doorheen. Je moest alles met greppels ontwateren, want het kon zijn dat de wal aan de kant van de sloot een meter hoger was als midden in het land. En, dat is heel bijzonder. Er lag in elk stuk land een kolk.
Die kolk was nodig omdat in de zomer het Waterschap wel eens water in liet van de Zuiderzee. Dat was zout water. Dat deden ze omdat anders de koeien overal dwars doorheen liepen. De sloten waren de scheiding tussen de percelen. Je had wel een plus dat door dat zoute water alle begroeiing in de sloot dood ging. Dat was makkelijk. Na de jaren ‘30 is het IJsselmeer geworden. Maar het IJsselmeer was niet meteen zoet hoor! Dat slootwater konden de koeien dus niet drinken. En daarom hadden de boeren allemaal midden in hun land een kolk met zoet grondwater. Daar konden ze uit drinken. Die kolken liggen op enkele plekken nog.

Eigenlijk vind ik dat monumentaal land hè? Natuurlijk hebben we als boer het land zo veel mogelijk glad gemaakt. Je hebt niks aan die zandkoppen. Het  producerend vermogen van de grond is daardoor sterk toegenomen. Maar achterin bleef de grond liggen. Daar hadden we alleen maar de jaarpacht op. De boerderij zelf was gewoon twaalfjarige pacht. Toen wij dat stuk nog niet hadden, was het van verschillende pachters, van mensen ver weg soms. Men deed aan vetweiderij. Koeien die moesten groeien, vlees krijgen. En ze hooiden het. Mensen uit Speuld hadden land achter bij ons. Die kwamen uren rijden met paard en wagen en dan gingen ze maaien. Het gebeurde ’s zomers dat ze overbleven in ’t land, met een klein tentje of zo.
Achter ons land hadden we het Armenland, dat hebben wij later verworven. Dat was van een bejaardenhuis in Nijkerk. Daar kwamen allemaal van die ouwe mannetjes: in een hele rij kwamen die maaien en hooien. Alle stukken land hadden hun eigen naam. Dat ebt nu wat weg.  Ik merk dat mijn zoon eigenlijk die namen helemaal niet meer gebruikt. Je had de Basselaars. Je had de Maten, de Bloemmaat, de Katersmaat. Je had de Mijn, de Voormijn. Dat is voorpolder hè? Mheen! De Hofstee en de Stroeten. Er is ooit ene Hagoort geweest, die heeft al die namen boven water zien te krijgen, daar wilde hij iets mee doen. Hij is er in gedoken en heeft zoveel verhalen gehoord, dat-ie daar verder mee is gegaan. Hij heeft het opgeschreven, niet alleen van Oldenaller, maar van de hele streek.’

Kijk ook eens op: