Landgoed Oldenaller: Anders groeide hier natuurlijk geen moer op die arme grond

Hoonhorstportret

Boerderij De Hoonhorst – deel 1

Op een koude winterse morgen in januari 2013 nodigt de schoonzoon van de heer B. mij binnen bij Zorgboerderij Hoonhorst op landgoed Oldenaller in Putten. Samen met de heer B., zijn dochter, schoonzoon en twee kleinkinderen, die lekker hebben geschaatst, drinken we gezellig koffie aan de ronde tafel in de keuken. Als de koffie op is, nodigt de heer B. mij uit mee te gaan naar ’t bakhuus, dat omgetoverd is in een klein knus woninkje. Alleen de oorspronkelijke oven is eruit gehaald, verder is ’t gebouwtje intact en gevuld met enkele meubels en een harmonium. De potkachel brandt niet, de cv wordt even aangezet om ’t wat behaaglijker te maken. Dit is de plek waar de heer B. zich kan terugtrekken, als hij op de boerderij komt om zijn dochter en schoonzoon, die de boerderij sinds enige tijd bewonen en het bedrijf gaan overnemen, te ondersteunen.

Verhaal Annemieke van Buël, beeld Marianne Jans.

‘Er was een man in Putten, dat was Friso en die vertelde ons een keer: “Een eindje op Nijkerk aan staat de oudste boerderij, die was van eind 1500”. En de tweede nederzetting – dat waren gewoon nederzettinkjes toen – was van in de 1600, dat is deze boerderij. Deze boerderij was in 1890 zó verrot dat hij in mekaar zakte. Toen heeft jonkheer Boreel hier een nieuwe boerderij neergezet. Daarom is deze boerderij alweer wat jonger als de boerderijen er omheen. De buren bijvoorbeeld, die waren van 1860. Bij die boerderijen daar komt ’t dak bijna aan de grond. Hier zijn de zijmuren alweer wat hoger. Als je hier dat raampje ziet (hij wijst naar de boerderij, red.) dan begint die rieten kap wel meer dan twee meter hoog. En dat was al modern voor 1890.
Het oerhuisje, dat stond in ’t land van onze boerderij. Dat was een huisje, dat was opgetrokken van oersteen. Die waren gewoon uit de grond hier opgeraapt – van die bruine krommelige stenen – en op mekaar gezet met een beetje kalk er tussen, en dan smeerden ze er ook een beetje kalk langsheen. Nou, dat huisje was iets groter als deze kamer, dat hele huisje en ‘t dak heel laag naar de grond. Daar woonde de boswachter in en vroeger een arbeider of een boerenknecht. Natuurmonumenten heeft ’t plat gegooid, maar van de perenbomen en de appelbomen, daar staan er nog een paar van.

Hoonhorst1947Daarginds ligt ’t kasteel en je hebt hier bij de boerderij, tussen die bossen, schietlanen en -paden. Dat was puur ook aangelegd voor de jagers, voor ’t wild hè. Want er werd ieder jaar twee of drie keer gejaagd met allemaal heren uit Rotterdam, fabrieksdirecteuren. De jonkheer deed zelf niet mee. Hij verhuurde het want hij vond er niks aan hier. Hij ging altijd in Afrika jagen, daar was groter wild. Als die heren kwamen, dan moesten wij zorgen dat de boel op de deel voor ze klaar stond. En de drijvers, want een hoop boeren gingen mee drijven en dan kreeg je een paar tientjes of zo en een fles jenever. Ik ben ook mee geweest. Ze brachten zelf ook mensen mee, die voor de honden zorgden. Wij moesten dan echt door de bossen heen om het wild dat bleef zitten naar voren te jagen. Fazanten en veel konijnen, want dat was hier vaak een plaag. Hazen en een paar eenden, duiven, houtsnippen, watersnippen en dan had je ’t wel zo’n beetje denk ik.
Er was een poel voor schapen. Daar gingen wij vroeger als kinderen ook altijd schaatsen. Dat was een 25 of 30 hectare hei aan één stuk. Dat is nooit ontgonnen. En dat gebruikten ze voor schapen en voor mest want ze gingen die heide ook maaien. Daarom bleef die hei ook altijd comfortabel omdat ze ’t maaiden met een zicht. Dat is een klein zeisje met een heel kort steeltje en die hei gooiden ze dan in die schaapskooien. Daar sliepen dan in de winter ’s nachts de schapen in. Dat kon je mengen en dan had je wat mest. Dan groeide er ook nog wat. Anders groeide hier natuurlijk geen moer op die arme grond. Dat was vóór de tijd dat de kunstmest kwam. Toen de kunstmest kwam, konden wij hier ook gras laten groeien. Pas in de tijd van Natuurmonumenten is dat echt omgezet, zeg maar, in grasland. Dat begon net zo’n beetje op gang te komen. Plus dat je al die intensieve veehouderij hier omheen kreeg. Een overbuurman, die had toen al tienduizend kippen. Nou, dat was gigantisch en hij had altijd een mestprobleem want hij had geen grond. Dus begonnen wij al die mest op te halen en wij waren héél gelukkig met die mest. Tjonge jonge, als je dàt toch eens voor twintig jaar terug had kunnen krijgen!
Er liep hier een tuinbaas en een boswachter alle dagen over ’t bedrijf en door de bossen heen omdat de jacht heel belangrijk was. Die controleerden dat, waar de fazanten zaten en zo en hoe dat allemaal in z’n werk ging. Daar waren wij natuurlijk ook gek op. Als wij een fazantennestje vonden dan haalden we dat nestje uit. Ik vergeet ’t nooit. We hadden een nestje gevonden met fazanteneieren en die zouden we onder een krielkip zetten bij zo’n oud kippenhokje net tegen de bosrand. Wij waren dat een beetje fluisterend aan ’t doen, want we hadden dat niet aan onze vader durven vragen. Maar aan de andere kant van ’t boswalletje staat die boswachter net hè. En die denkt: wat fluisteren die jongens? Dus wij hadden dat allemaal daar neergezet en hij al ’ns kijken wat er gebeurd was. Tja… Foute boel! (lacht hartelijk, red.).

Ons land ligt rondom de boerderij. Die staat er precies middenin, aan alle kanten hebben we land. Ons land is afgewisseld door allemaal stukjes land met een lage wal of een hoge wal en daar staat hakhout op. Die randen die pachtte je niet, die bleven van de pachter. Je kon ’s winters zo’n stuk hakken of zagen. Tegen een kleine vergoeding mocht je dat afzetten.  Dat was immers hard nodig voor stoken op de fornuizen om voer voor de varkens te koken. En de tuinbaas, die kwam dan zeggen welk perceel je die winter kappen mocht voor je eigen behoefte. Zo ging dat. Daarnaast had je allerlei soorten. Je had elzen, heel veel elzenhout en berken en eiken. Dan wat essen, maar dat was nooit zo dik. Ja, voor onze houtkachels. De boerderij heeft een kachel in de kamer. Ik heb in ’t dorp ook een houtkachel. Wij vinden houtkachelwarmte heel lekker, dus zagen we ieder jaar een stuk om. En omdat we een zorgboerderij hebben, helpen die cliënten een beetje hout kloven en opstapelen.Ja, vroeger ging dat allemaal met ’t bijltje, dat weet ik wel, want kettingzagen waren er niet. ’t Werd allemaal met ’t bijltje afgehakt en gesnoeid en al die takjes op bosjes en dan ging er een touwtje omheen of een ijzerdraadje en die werden op een riezemiet (rijsmijt, red) gezet. Dat is een hoop, die afwateren kon. Waar we nu zitten is ’t bakhuus, om te bakken, specifiek brood. Mijn moeder deed ’t al niet meer, die kocht al brood van de bakker. Ze heeft ’t gedaan in de oorlog. Toen heeft ze hier veel gebakken, want er kwamen hier alle dagen mensen uit ’t westen vandaan, die honger hadden. Wat ze hadden, deelden ze ’n beetje. Dáár (wijzend red.) was een graanmolen op de hoek. Maar die is afgebrand ín de oorlog of vóór de oorlog en hebben ze er weer een gebouwtje neergezet. Ze hebben er meteen een elektrische molen van gemaakt. Er zit nou een aannemersbedrijf in. Er heeft er nog één gestaan, die stond weer vlakbij Oldenaller en die is ouder. De pacht, ja dat is nu nog precies ’t zelfde als toen: 1 mei en 1 november. ’t Zijn jammer genoeg geen guldens meer en er is wel wat veranderd! De afstand is groter. De bemoeienis van buitenaf. Dat begin van Natuurmonumenten hier lag héél moeilijk en héél gevoelig. Nu achteraf zeg ik: “Ze hadden gewoon helemaal de verkeerde mensen op de verkeerde plaats”. Dus dat botste van alle kanten. Er werd hier gevloekt. M’n vader – ik zie ’m nog – woedend was hij. Ja, ze werden bedreigd in bepaalde dingen, maar dat zat in mensen, niet bij Natuurmonumenten de vereniging als zodanig. Dat was met al die boeren zo. Niemand had één goed woord over voor Natuurmonumenten, omdat ze de verkeerde mensen hier neergezet hadden. En ook niet meedenken, maar van bovenaf tegen je zeggen: dàt moet je doen. Dat waren we hier niet gewend. Bij jonkheer Boreel kon ieder z’n eigen gang gaan, als je je maar een klein beetje aan ’t contract hield.

Nou, ik hoop aan ’t eind van ’t jaar te stoppen. Mijn schoonzoon en dochter wonen hier, maar ’t bedrijf is nog van mij. Per 1 januari 2014 wordt ’t van hen, dat is ’t plan.’

 

Beluister hier een fragment van het verhaal

Kijk ook eens op: