Landgoed het Medler: ”Maar nimt ‘m toch maar mit en geef ‘m de pastoor maar.”

Verhaal Dhr. R (geb. 1929)
Pachter

R., een vriendelijke en nog glasheldere tachtiger, is geboren en getogen op landgoed ’t Medler. Tegenwoordig woont hij in een nieuw huis in een keurige wijk in Ruurlo en bewoont zijn zoon de boerderij op het landgoed, zoals ook de vader van R. boerde op ’t Medler. Al de derde generatie R. R. doet zijn verhaal over het leven op een landgoed onder het genot van een kopje koffie….

Tekst Peter Driessen

‘Ik ben geboren op het landgoed ‘t Medler. Ja, in 1929. Mijn vader heeft in 1918 of 1919 de boerderij gepacht van het landgoed ’t Medler. Vader is daar nieuw begonnen direct na de eerste wereldoorlog. Hij kwam uit Varssel, daar heb je het landgoed Zelle. Daar kortbij is hij geboren. Het landgoed Zelle is van familie van de baron van ’t Medler, de broer van O. z’n vader zat op Zelle. Mijn vader heeft toen een boerderij op het Medler gepacht. Vroeger was alles eigendom van het kasteel, dat heb ik zelf nog meegemaakt. Later kwam de erfpacht. Ja, dat kwam hierdoor weet je: het onderhoud van die gebouwen werd zo groot. Daarom heeft de baron deze vorm gekozen. Doordat de bedrijven wat groter werden en er nieuwe ligboxenstallen gebouwd moesten worden. Dat kwam toen allemaal in opkomst. En ja de baron die zei: “Dan zijn jullie ook vrij, dan kunnen jullie ook bouwen zoals jullie het zelf willen. Anders moet je altijd weer toestemming van mij hebben om dat soort dingen neer te zetten.” En ja, dat was voor de baron natuurlijk ook een onhaalbare kaart om zoveel te investeren. Dat kwam er nooit meer uit. Dus toen hebben wij de gebouwen van de baron van ’t Medler gekocht.

Vanaf 1972 zijn de meeste boeren van het landgoed op erfpacht overgestapt. Het maakte op zichzelf niet veel uit, het was meer een constructie om vrij te zijn in het bouwen van stallen. En van de andere kant had de baron ook niet meer de verantwoordelijkheid meer voor die gebouwen. Voor de tijd van de erfpacht was het zo met de pachters geregeld, dat als een boer iets bouwde dan moest hij dat in 20 jaar afschrijven. Maar als er iets gebeurde en die pachter zou vertrekken, dan moest de eigenaar binnen die 20 jaar wel datgeen wat de pachter had geïnvesteerd, vergoeden. Zo was dat via de pachtwet geregeld. Maar na 20 jaar was het afgeschreven, en dan hoorde het bij het onroerend goed van de baron.

Ik ben geboren op het landgoed. Als peuter merk je er niet veel van natuurlijk, maar dit is mijn oudste herinnering. We moesten altijd heel voorzichtig zijn met het straatje, niet erop lopen met smerige klompen en zulke dingen. Als we terug van het land kwamen, eerst even netjes langs de heg de klompen een beetje schoonmaken. De baron, dat was toen O. zijn grootvader, had een ontzettende hekel aan rommel, d’r moest alles even glad wezen. Het Medler straatje moest schoon blijven! Er waren wel kinderen op het kasteel, maar die waren wel jonger dan wij. Dat waren dus geen speelkameraadjes. En later waren onze kinderen weer veel jonger dan de kinderen van het kasteel.

In de tijd toen ik boer werd, hadden de boeren meestal melkkoeien, varkens en kippen. Het was eigenlijk een gemengd bedrijf. En zo zijn wij ook begonnen, ja. Later kwam die specialisatie met ligboxenstallen en zo, toen hebben wij de varkens en de kippen afgestoten. Toen hebben we alleen rundvee gehouden. De baron liet ons helemaal vrij in de bedrijfsvoering. We hadden wel contact met de eigenaar, toen nog O. zijn vader. We hadden vlak voor het kasteel land liggen, de Kamp heette dat. En als ik daar aan het werk was, dan kwam die wel eens even een “preutje maken”. Zo ging dat. Ik kan me heel goed herinneren dat ik aan het knollenplukken was. Die worden in november, december gerooid. Het is voer voor het vee. Toen kwam de baron bij me, en het loof was nogal bevroren. “R.,” zei hij, “dat is koud werk! Maar goed stoken!” Dat kreeg ik als tip mee.

Er waren verschillende pachters op het Medler. Ook pachters die alleen een stuk land pachtten, maar geen boerderij. We hadden behoorlijk veel contact met de andere pachters, als buren maar ook wat de bedrijfsvoering betreft. We hielpen malkander vaak en zo. Daar kan ik nog wel een leuk verhaal van vertellen. We waren een keer bij buurman K. aan het hooi lossen. En ik had daar een ladder staan en ik was met de gavel aan het opsteken. En toen viel die ladder om, door 2 ruiten heen van de schuur. En daar kwam net de baron aanfietsen, en toen zegt de baron: “R., je treft het niet!”
Ik weet nog heel goed, op de dag dat we getrouwd zijn, was het heel warm en mijn vrouw die kwam van Azewijn. En in die tijd trouwde je waar de bruid vandaan kwam. De baron is toen op de receptie geweest bij ons, met de barones. Het was het erg warm, en de mensen die op het landgoed werkten, moesten die dag een kavel hooi inhalen. Toen de baron ’s middags thuiskwam van de receptie werd hem gevraagd: “En hoe was het bij R.?” “O goed, goed, flink gepimpeld”, had hij toen gezegd. “Maar misschien hebben de heren ook wel zin in een biertje?” “Ja, dat hebben wij wel.” Maar de mensen hadden toen al eerder stiekem een paar biertjes uit de kelder gehaald. “Wacht,” zei de baron, “ik zal wel gauw efkens naar de kelder gaan en wat halen.” Maar alles was al op. En hij had het niet in de gaten. “Ja,” had ie gezegd, ” de jongens zijn thuis geweest en hebben verdomd alle bier opgedronken! Maar wacht ik ga naar Eikelkamp fietsen”, en toen was hij met een karretje naar het dorp gefietst.

Er waren wel contacten met de landheer, ook de baronesse kwam regelmatig. Dat was O. zijn moeder, die kwam regelmatig op bezoek. Ja, er was toen wel een beetje afstand tussen mensen die “boven zijn”, groter als tegenwoordig. Ik  kan me heel goed herinneren dat als de huisarts bij ons thuiskwam, moesten we de pet afzetten. Ja, en de baron was “meneer de baron”. O. en E. kwamen ook wel eens naar de boerderij. Ik herinner me dat hij na een reis naar Rusland ’s avonds uitgebreid kwam vertellen wat er allemaal gebeurd was en dat de hygiëne in Rusland zo slecht was. De verhouding was best gemoedelijk, het was niet zo’n grote afstand. Maar dat was, denk ik, ook niet met O. zijn opa. Hij was wel de eigenaar, hij was baron, maar toch wel weer gemoedelijk. Ik denk bijvoorbeeld dat er met de huisarts een grotere afstand was als tussen de baron en de pachter. O. en E. noemden we wel altijd bij de voornaam, maar de baron en de barones waren altijd wel de baron en de barones. Dat was de generatie boven mij.

Ook ik kwam wel regelmatig op het kasteel. Toen we de pacht nog contant betaalden kwamen we in het koetshuis, daar deed de baron dat. Twee keer over in het jaar. Maar later ging dat allemaal over de bank. Ik weet nog heel goed, dat vader er kwam, en vader rookte helemaal niet, maar de baron zei altijd neem toch maar een sigaar mee, en als je hem zelf niet oprookt dan geef hem de pastoor maar. “Ja,” zo zei die dat, “maar nimt ‘m toch maar mit en geef ‘m de pastoor mar.” Met kerstmis was vroeger op het kasteel voor alle kinderen van de pachters een kerstboom en daar zat dan een cadeautje in. Ja, dat was natuurlijk het hoogtepunt voor de kinderen. Ik kan me nog goed herinneren dat O’s moeder een keer ziek was dat P. en E. dat verzorgden. De pachters zeiden toen al dat feest zal van het jaar wel niet doorgaan. Maar dat hebben E. en P. toch verzorgd. De kerstboom was er met allemaal cadeautjes erin. Er waren wel zo’n 30 kinderen. En dan kregen ze een drankje en dan zongen ze kerstliedjes.

Van mijn vrouw werden geen bepaalde dingen verwacht, nee. Ook hoefde ik geen bepaalde werkzaamheden voor het kasteel te doen. Dat was meer in de tijd van mijn vader, die had wel meer functies. Ik kan me heel goed herinneren dat vader dat vaak verteld heeft. De pachters moesten toen “schillen”. De bomen werden dan gekapt, en dat hout moest dan geschild worden. De bast eraf. En mijn vader had dat toen nog nooit gedaan, die andere pachters hadden dat al vaker gedaan. Mijn vader was er toen ook een dag heen geweest maar hij was daar helemaal niet handig in en hij zei: “Wat heb ik me toch op mijn hals gehaald!” Maar dan praat ik over de tijd van mijn vader. In de jaren 50-60 was dat allemaal anders. Toen hoefde je geen diensten te verlenen. In die tijd van mijn vader was bij je pachtcontract ingesloten dat je bepaalde dingen moesten doen. Zo herinner ik mij dat een paard een veulen moest krijgen, en dat vader ’s nachts er heen ging om te kijken, of dat veulen al geboren ging worden. Omdat vader er kort bij woonde ging hij er dan ’s nachts een paar keer naar toe. Er werd ook gejaagd op het Medler. Jagen op zich deden wij niet, wel drijven. Ik was daar niet zo kapot van, zo de hele dag door de bossen te lopen. Maar je had mensen zoals mijn buurman, die was daar gewoon gek van. De hele dag met dat wild bezig zijn en zo. Het jagen heeft mij nooit zo geïnteresseerd, maar de buurman: Oh god, als er jacht was dan moest hij ’s morgens vroeg d’r uit, zo dat hij met de jagers mee kon.

Wij hebben 3 kinderen die op het landgoed zijn opgegroeid. Die hebben dat nooit zo gemerkt of over nagedacht. Ze gingen gewoon in Kranenburg op school. De kinderen van het kasteel gingen ze niet mee om, die waren toen alweer een stuk ouder dan onze eigen kinderen. Bij mijn ouders thuis waren we met 9 kinderen. Een goed katholiek gezin, ja! Het geloof maakte voor de baron niets uit, hij was al wel breeddenkend. Daar werd je als pachter absoluut niet op geselecteerd. Of je hervormd was of katholiek telde helemaal niet. Wij zijn allemaal op het bedrijf opgegroeid. Mijn oudste broer die al overleden is, heeft ook een boerderij van ’t Medler kunnen pachten. Daar zat in de oorlog een NSB’er op, en na de oorlog ging die eraf en toen heeft mijn broer die boerderij kunnen pachten. Ik ben in 1960 getrouwd en toen hebben we het bedrijf overgenomen van mijn vader. Tot die tijd heb ik gewoon bij mijn vader gewerkt. Ja, toen in die tijd werd er ook niet gesproken over loon of iets dergelijks. Maar toen was het wel zo dat degene die op de boerderij bleef, de verplichting kreeg om voor de ouders te zorgen. Dat werd hem zo’n beetje toegeschoven. Mijn ouders zijn ook bij mij gebleven, ja, maar vader is trouwens in 1962 al weer gestorven, en moeder is in 1964 gestorven. Ze zijn niet zo erg oud geworden, moeder was 74 en vader ook. Wie de boerderij kreeg, had daar voordeel mee, maar had dan de verplichting om voor de ouders te zorgen. Er was al wel de AOW, maar dat was toen in de maand maar een klein beetje, daar konden ze toen niet van leven. Ze aten met de pot mee, dat was makkelijk en het voordeligst! Ik heb in die tijd wel veel zien veranderen en zei vaak als ik ‘s avonds aan tafel zat: “Wat is de tied toch veranderd in onze tied!” En niet alleen op de boerderij, maar overal, tot in de kerk toe!’

Kijk ook eens op: