Winterswijk: Ik had het gevoel dat ik in de tijd terugging

Annie Kruisselbrink

Met haar man Jan woont Annie in Kotten, op de grens met het Woold, aan de Kienveenweg in een huis dat Jan zelf bouwde. Zelf groeide ze op op het Mentink, dat gepacht was van de directeur van de tricotfabriek, die meer boerderijen en grond bezat. Het was een wereld van verschil met de pachtboerderijen van de scholten. Toen Annie verkering kreeg met Jan en in Kotten kwam wonen, had ze het gevoel terug te gaan in de tijd.

Auteur: Else Klomps (op verzoek geen foto’s)

“Meneer Martin was de directeur van de tricotfabriek en hij bezat de hele Mentinkhof. Wel een tachtig tot vijfentachtig bunder had hij. De fabrieken gingen toen hartstikke goed, dus hij kon dat zo kopen en allemaal zo betalen. Nu niet meer trouwens, nu is alles van het Gelders Landschap of van Natuurmonumenten. Maar toen was er geld genoeg. Bosman, Mentink-Huusman, Lichtenberg, Mentinkberg, dat  hoorde allemaal bij de Mentinkhof.

De huizen waren goed. Bij alle boerderijen heeft een oud huis gestaan, maar voor de oorlog zijn overal al nieuwe huizen gekomen. Er was nog geen elektriciteit, maar in de huizen lagen al wel overal buizen, voor later. Er was ook een waterreservoir, tussen de keuken en de kelder, het duusterhok. Daar kon je pompen uit de put naar de watertank, een heel groot vat. Een douche kwam pas later.
We hadden denk ik een stuk of tien beesten, en een guste-stal. En een varkenshuisje, daar hadden we varkens. Jongvee hadden we ook.

Bij ons op het Mentink, had meneer Martin ook nog een kamer. Naast de voordeur is een raam. Daarachter lag zijn kamer. Er was een grote stoep waar ze buiten konden zitten als ze bezoek hadden. Mijn moeder vond wel dat het altijd netjes moest zijn als meneer Martin kwam. Ze kwamen voor, aan de voorkant van het huis binnen en alles moest dan keurig in orde zijn. Er zat natuurlijk altijd wat spanning op. Tenminste, dit moest schoon en dat moest weg. Ja, dan had je toch wel iets dat in de richting ging van het scholtengebeuren. Meneer Martin was altijd heel gewoon, mevrouw was wat afstandelijker. Dat was echt een mevrouw, mevrouw Martin.

Meneer Martin woonde vlak aan de Groenloseweg, tegenover de Chinese Muur. Dat was vlakbij de spoorbanen en daar werd flink gebombardeerd. In de oorlog woonden ze nog bij mijn ouders in. Ik weet daar zelf niks van, ik ben pas op het laatst van de oorlog geboren. Maar je kunt je wel indenken dat dat een gedoe was, de huisbaas er bij in met zijn drie kinderen. Dat kun je je nu niet meer voorstellen.

Het verschil tussen Kotten en de Mentinkhof was groot. Het was moderner op de Mentinkhof, ook de mensen op zich. Ik moest er echt aan wennen, ik had het gevoel dat ik in de tijd terugging. Het leek ouderwets, maar dat kwam natuurlijk ook omdat ze op de Mentinkhof overal al waterleiding en elektrisch hadden, en hier in Kotten nog niet. Op het Mentink was het ook veel groter. Ik weet niet anders of er was een meid of een knecht, altijd wel drie of vier dagen in de week. Hier deden de ouders van Jan alles zelf.

Spelen deed ik met lucifersdoosjes en zo. Daar maakte je dan poppetjes van. Je kon echt veel met die lucifersdoosjes, zoals poppenhuisjes maken. Op je eigen manier. Misschien hadden we ook wel lege dozen van levensmiddelen, dat weet ik niet meer. En stokjes die je buiten vond, daar speelde je ook mee. En hinkelen: tekenen in het zand, en dan hinkelen.

Helpen moest ik ook. Als je terugkwam van school dan moest je helpen of je nou wilde of niet. Eerst kreeg je thee en dan moest je naar de hilde , het losse hooi aantreden. En helpen rogge binden, en aardappels rapen. Zin of geen zin, daar werd niet naar gevraagd. En in huis moest altijd eerst het dweilen af, voordat ik naar dansles mocht.

Na de lagere school ben ik eerst naar de Jan Ligthartschool gegaan. Dat was voortgezet lager onderwijs. De jongens van de Jan Ligthart kregen ook wat les op de technische school, en de meisjes gingen dan naar de huishoudschool, om te koken. Daarna ging ik een paar dagen in de week naar de landbouw-huishoudschool. Daar leerde je van alles, een beetje huishouden en ook tuinbouw. En naaien, verstelwerk leerden we daar ook. Eigenlijk van alles wat bij de boer voorkwam.

Het was toen wel heel anders als nu, heel anders.”

Kijk ook eens op: