Huis den Dam: ”Het is voor iedere jager mooi om een hoge fazant te schieten.”

SONY DSC
Jhr. J.B.F. Bosch ridder van Rosenthal (1922)
Eigenaar

We zitten op het houten terrasje boven de gracht naast het huis Den Dam in Eefde te praten, als met regelmaat de vogels in de hoge bomen elkaar toeschreeuwen en hanen vanuit de moestuin luidkeels hun positie in de pikorde aan elkaar bevestigen. “Ja, die zitten daar te donderjagen!”, lacht mijn gesprekspartner, de 89-jarige Bosch van Rosenthal. We praten over de lusten en verantwoordelijkheden van eigendom van terreinen, de dilemma’s rond schadelijk wild en de visie op de jacht. Het wordt een levendige reis door de tijd, die eind jaren ’30 van de vorige eeuw begint en die tot vandaag de dag voortduurt. En voort zal gaan, vanuit dezelfde waarden en gewoontes. De huishoudster brengt op gezette momenten nieuwe koffie, in klassiek aardewerk met patrijzen, fazanten, spaniëls en retrievers.

 

Tekst Dirk van Schie, beeld Marianne Jans en Dirk van Schie

 

‘Jonkheer Bosch ridder van Rosenthal? Gewoon Bosch van Rosenthal. Niks geen flauwekul er omheen: aanspreektitel “mijnheer”, gewoon. Ik ben in 1922 geboren, in Lochem. Geldersman, een Achterhoeker, om meer te preciseren (want De Veluwe is ook Gelders en dat is heel ander volk). Ik woon hier op Den Dam, met 15 ha. aan bos en terreinen omheen. Daarnaast heb ik ook terreinen waar de jacht gehuurd is, aan de overkant van de IJssel. Jachttraditie en jachtwaarden in de familie? Mijn grootvader joeg niet. Mijn vader en zijn beide broers joegen wel. Mijn vader is heel jong omgekomen, dus daar hebben we eigenlijk niet zo veel over te vertellen. Die waarden zijn min of meer automatisch ingegeven. Ik was een kleine jongen en toen ging ik al wel mee met mijn vader. Dan gingen we op de fiets en dan fietsten we naar de Boekhorst of wat. Er werd wat gejaagd en dan gingen we weer terug. Maar ja, daar liep ik als kwajongen bij. En dat heeft wel indruk op mij gemaakt, maar verder kan ik er ook weinig over vertellen. Ja, wat weet je als jongen van 16 jaar over jacht? Niks, alleen dat er een hond meegaat en dat je zelf wat kloppen moet om het wild los te krijgen. De vroegste herinnering aan de jacht was de ‘snipperjacht’ die ik zelf organiseerde met vriendjes, vanaf rond 1936. Daarna heb ik meegelopen met mijn vader, tot de oorlog begon. Ik heb de jacht hier sinds 1945, op eigen terrein en met gehuurde jachtrechten. Ik heb een enorme binding met dit terrein, waar ik nu 60 jaar de jacht heb. Het is nog precies zo als 30 jaar geleden. De lol van een jacht is de prettige stemming onder de deelnemers.

HuisdenDam_tableau_DirkvanSchie_www Van de eerste jacht in mijn eentje weet ik nog precies waar het gebeurde: in het land van Maas en Waal, bij Nijmegen. Ja, ik werkte bij een alleraardigste rentmeester – daar zat ik op kantoor – en die had daar een stuk jacht. ‘Jij wilt gaan jagen. Je mag dat stukje jacht wel gebruiken daarvoor, midden in de polder’. En ik woonde in Berg en Dal, en had alleen maar een fiets en een oude hond…. Ja, kwajongen met een jachthond. Het ontstaan van de jacht? Zo is de jacht ontstaan: de mens had het nodig voor eigen voorziening. Daarop is het wildvangen ontstaan, op alle mogelijke manieren en onmogelijke. De jacht is een traditie die natuurlijk al eeuwen bij de mensheid geleefd heeft, want men kon vroeger niet anders vlees vinden dan het zelf ergens op te duikelen – te stropen zeg maar. Vangen, dat is eigenlijk de basis van de jacht. Vroeger moest je dat met de stok doen, of met je handen. En die jacht is verder doorgekomen doordat er ook jachthonden werden afgericht. Dat hondenwerk heeft voor mij een eigen interesse, eigenlijk voor een heel aantal jagers. Ik heb altijd met honden gejaagd; een heel aantal jagers doen dat niet. En wanneer ben je geen jager? Er zijn er bij, die bemoeien zich niet met de opfok, ze bemoeien zich niet met het voer. Ze bemoeien zich nergens anders mee dan dat ze een fazant over hun hoofd krijgen en die schieten. En dat zijn schieters, geen jagers! Het is schieten, en dat schieten interesseert me geen bal! Wel om iets te schieten, maar dan moet er wel wat aan vooraf gaan. En niet een fazant over je heen gedreven krijgen waar je nog nooit van gehoord hebt. Da’s geen jagen! Soms is de verleiding groot. Het is voor iedere jager mooi om een hoge fazant te schieten, als dat zich voordoet!

SONY DSCHet afschot is het aantal te bejagen exemplaren binnen bepaalde tijd, bijvoorbeeld reebokken, dat te schieten is mits daarvoor toestemming op terreinen is en je vergunning hebt om (reeën) te schieten. We zien een vos oversteken voor ons, op die bolderweg die er doorheen loopt, en dan sta je voor de keus: Zal ik ‘m schieten, een roofdier tot en met, en ik: Nee, dáár moet je afblijven, want ik huur daar die jacht van Natuurmonumenten en die willen niet dat er vossen geschoten worden. Daar ben ik het he-le-maal niet mee eens, maar ’t is de wens van Natuurmonumenten, dus daar blijf ik af en ik heb geen zin om er ruzie over te krijgen. Vossen zijn de meest schadelijke dieren naar het kleinwild en naar alle kleine dieren in de natuur. Dat is een duidelijke zaak, maar het mag bij Natuurmonumenten niet dus mag ik het niet doen. Als je dat onder natuur verstaat… de meeste bos is geen natuur! In de jaren ’80 werd er gigantisch subsidie betaald als je van bouwland cultuur maakte, zoals dat heette: bos.

De jachtopziener heeft er mede een stem in welke stukken je gaat jagen. Dat is degene die daar de dagelijkse kennis van heeft. Pachters hebben niets te zeggen over jacht. De eigenaar maakt het uit. We gaan het terrein in en dan kijken we wat we moeten schieten. En dat vertel ik dan bij het begin van de jacht. We jagen dan met de geweren die te gast zijn. En de drijvers, met de honden, onder toezicht van de jachtopziener. Zo gaat het altijd. Hoe gaat een jacht in zijn werk? Doel van de jacht is om wild te schieten. Iedere rechtgeaarde jager weet wat dat inhoudt. Je wordt ergens op een plekje gezet en dan komen de drijvers in de buurt en die jagen het wild naar je toe. Zo simpel is dat nu eenmaal. En ja, zo is dat alle dagen altijd zo. Het zijn hazen en fazanten, en vroeger had je er ook nog patrijzen en konijnen bij. En als iets verboden is, zeg ik dat aan het begin van de jacht. Dat weten ze ook wel, waar de jacht op open is. Nee, dat is geen punt. Dat is een duidelijke zaak; dat weet iedereen. Het is de bedoeling dat iedereen weet dat er begonnen wordt. Vooral het begin van de drift. Een heel oud gebruik eigenlijk, het aanblazen van de jacht. Ik weet helemaal niets van muziek af en zeker niet van aanblazen. Je blaast aan op altijd dezelfde toon en met afblazen is dat ook zo. Wat jij dus gehoord hebt, is het eenvoudige aan- en afblazen. Maar daar kun je, als je van muziek houdt, nog een heleboel omheen blazen. Afblazen heeft ook een andere betekenis, maar die speelt hier geen rol (lacht).

Gezamenlijk de lunch? Dat hangt er van af. In Eefde doen we dat nooit gezamenlijk want dat kan ik niet hebben in het jachthuisje. Dat kan net met z’n achten of negenen, met de gasten. De rest gaat naar café de Zevensprong. Dat bespreek ik dan van tevoren. Als we op Empe jagen, zitten we in een grotere kroeg en daar zitten we aan een langgerekte tafel. In die hoek zitten de drijvers en in die hoek de geweren. Ja, dat is geleidelijk aan gegroeid. Dat wij altijd aan die kant van de tafel zitten en de drijvers die zitten aan die kant. Zodra we het café binnen komen moeten die drijvers meteen een borrel hebben, direct. Wij lopen wel even door. Op Empe lunchen we me z’n allen in een café in Voorst. Daar bemoei ik me niet mee. Daar kennen ze me al jaren. Ook een andere jachtcombinatie die daar ook geregeld komt. Ze hoeft maar één keer te zeggen van “Wat wilt u hebben: boerenkool met worst, of wilt u erwtensoep of wilt u…” Nou, geef mij maar boerenkool met worst, vooruit maar. Niks geen flauwekul, maak het maar eenvoudig. Het moet ook niet zo lang duren. We zijn er niet voor de lunch. We zijn er voor de jacht. Na de jacht wordt er tableau gemaakt en wordt de jacht dood geblazen. Als de man met de jachthoorn enthousiast is, blaast die iedere wildsoort apart dood. Dan wordt het wild verdeeld. En dan is er met de gasten een borrel en een feestelijke maaltijd. Zo gaat het altijd.

Kleding en uitrusting is heel erg verschillend. Je kunt niet met een smoking op jacht, dat is duidelijk. Maar je hebt allemaal laarzen aan en een (korte) broek of een knickerbocker en korte, ruim zittende kleding omdat je bewegingen met je armen moet maken, en liefst iets wat een beetje water kan hebben, dat je niet met iedere bui een goede loden jas hoeft om te hangen. En als het slecht weer is, loopt bijna iedereen met een loden jas an. En meestal een hoed op en sommigen tegenwoordig een pet. Maar een hoed is veel makkelijker, die heeft een brede rand. Ja, dat het regenwater niet in je nek loopt en een klein beetje voor je bril, want je moet kunnen kijken. Maar vooral dat je droog blijft op je kop en je geen water in je nek krijgt! Een jachthoed met een brede rand sluit de zon ook een beetje buiten. De meesten hebben wel een jasje, ook om de patronen in je zak te hebben. Je moet gauw even je patronen weg kunnen halen, en een trui heeft zelden voldoende zakken om zo’n 10 patronen in te hebben. En dan zijn er die patroontassen omhangen. Dat is een onaangenaam geheel om zo’n ding aan je nek te hebben hangen, zeker met schieten. Ik denk dat dat de oorzaak is waarom we bijna allemaal jasjes dragen. Ik heb er nooit verder bij stilgestaan maar het is zo logisch. Kijk, je moet je portefeuille hebben, want je moet natuurlijk je jachtakte hebben en meestal moet je een rijbewijs bij je hebben. Je komt met een auto naar de jacht, je moet papieren hebben, je moet geld hebben om een fooi te geven en verder.. Een trui is bij mij geen goede zaak.’

 

Beluister hier een fragment van het verhaal

Kijk ook eens op: