Heidenhoek: ”Smoks Hanne is de heks van Zelhem, een legende.”

MaalderinkPortret
Anton en Annie Maalderink (geb. 1938/1943)

Aan het woord zijn afwisselend en elkaar aanvullend Anton (1938) en Annie Maalderink (1943). Het gesprek vindt plaats in de woonkeuken die ooit dienst deed als stal. Er is veel veranderd in de loop der jaren. Het boerenbedrijf is inmiddels overgenomen door de zoon, maar de betrokkenheid is er nog steeds. 

Tekst Stance Westerhoud, beeld Peter van Dinther

‘Ik ben hier geboren en getogen en heb de boerderij van mijn vader overgenomen. Het sprak voor zich dat Annie hierbij introk en zodoende hebben we deze woonkeuken verbouwd, die eerder als stal dienst deed. En ook al was dat niet nodig, het is altijd wel fijn geweest dat ook zij veel ophad met de boerderij. Ja, je moet een boer wel kunnen begrijpen en niet mopperen als je eens een keer niet op tijd weg kunt omdat er een zeug biggen moet krijgen of zo. Dan moet het feestje even worden uitgesteld. We hadden een varkensfokkerij, een stamboekfokkerij. De gelten (varkens van het vrouwelijk geslacht die nog nooit een big kregen red.) werden verkocht. Daarbij moest je natuurlijk aan bepaalde criteria voldoen. De gelten die er het gunstigst uitkwamen, daar ging je zelf mee verder. Daarnaast hadden we melkkoeien en wat jongvee. Verder wat akkerbouw, voederbieten, wortels voor de kalveren. En dan rogge en haver en na de rogge stoppelknollen. En als we dan eens wat gespaard hadden, dan kochten we er een stukje land bij. Ja, zo ging dat. Maar toen kwam de ruilverkaveling. Dat heeft lang geduurd, alles bij elkaar wel veertig jaar. Veel te lang. Hier begon het in de jaren negentig. Dat het zo lang duurde, had allerlei oorzaken. De opzet was dat alle boeren hun land direct om de boerderij zouden krijgen. Maar dat kan niet altijd, en bij ons was dat ook het geval. Verder was er veel weerstand vanwege onder meer de sloten. Je moet je voorstellen wat het betekende voor vooral de oudere boeren die nog eigenhandig sloten hadden gegraven en land opgehoogd, en dan komt er een bulldozer die alles weer ongedaan maakt en er bos van wil maken. Je moet begrijpen: voor de boer is zijn land heilig!

MaalderinkHooien

Vanaf 1975 werden uit allerlei geledingen mensen gevraagd om in de voorbereidingscommissie te gaan zitten. Er werden huiskamerbijeenkomsten georganiseerd om de mensen aan het idee te laten wennen. Ik had het er ook vreselijk moeilijk mee. Hun voorstel was om een perceel te accepteren van zo’n tien, twaalf hectare met middenop zo’n vijftien elzen. Nou dat wilde ik niet. Na tien, twaalf jaar zijn dat oude bomen met wijde takken en geen mooiigheid meer aan. Bovendien wilde ik het in één geheel van alle kanten kunnen bewerken. Maar de gemeente wilde groen. Dus hadden we een probleem. Na een paar dagen piekeren kwam ik met het voorstel om langs de weg tot aan Broek een singel te maken, een rij elzen met daarachter stuikgewas ter compensatie. Ik heb de gemeente gebeld en die gingen akkoord. De buurman zat met hetzelfde probleem, en zoals dat gaat met boeren onder elkaar: je vertelt elkaar alles, dus ook hier. Hij deed een gelijk verzoek en ook dat is goed gekomen. We hadden zo’n twaalf melkkoeien die ’s zomers buiten stonden en die elke week of om de tien dagen naar een andere wei gebracht moesten worden. Dat deden we met z’n drieën. Mijn vader, Annie en ik. Je moet bedenken dat je niet meer dan drie koeien aankunt, dus namen we er ieder drie en bonden er nog eens drie aan de melkkar, want die moest natuurlijk ook mee. En maar sjouwen, het was altijd een heel gedoe en je moest dus twee keer lopen, daar was je zeker een halve dag mee druk. En de koeien gaven zo’n dag ook nog eens minder melk. Dat was dan ook de reden dat we toen besloten, in 1974, om een ligboxenstal te bouwen. Dat was een hele onderneming en de eerste keer dat we een lening moesten afsluiten. Maar vooral voor Annie werd het zo een heel stuk makkelijker, want nu kon ze bij huis blijven om te melken. De buurt sprak er schande van, maar ze hadden er tien jaar later ook allemaal één.

MaalderinkMelken

Vroeger hield je buurtvisite. Dat gebeurde over het algemeen in de eerste drie maanden van het  jaar. Na Nieuwjaar ging je de buren goed nieuwjaar wensen en dan ging je met een boerderij of zes , zeven bij elkaar op bezoek, zo om de week of veertien dagen. En soms zaten er ook wel drie of vier weken tussen. Zo gemiddeld twee keer in de maand. Eerst kreeg je dan koffie met krentenwegge en als dat op was een borreltje, en de dames een schilletje (citroenbrandewijn) of anisette of iets fris. Als de borrel op was, gingen de boeren naar de deel om het vee te bekijken. Bij iedere koe was ook wel een verhaal. Gekalfd ja of nee, hoeveelheid melk en ga zo maar door. Daarna door naar de varkens. Sommigen hadden alleen mestvarkens, anderen alleen zeugen. Eenmaal terug in de kamer stond de koffie weer klaar met het brood. Het begon allemaal rond zeven uur en om half tien was het weer afgelopen. Voor sommigen was dat al laat, want die moesten om vijf uur op om de koeien te melken. In die tijd werden de bussen melk elke morgen opgehaald en naar de zuivelfabriek gebracht. Dus hoe verder de boer van de fabriek af woonde, hoe eerder de melkboer eraan kwam. En hoe eerder er gemolken moest worden.

MaalderinkSchovenbinden2’s Zomers werden er in onze jonge jaren vaak wedstrijden georganiseerd. Bijvoorbeeld ploegwedstrijden. Er kwamen dan tien tot twintig boeren bij elkaar op een stuk akkerland en dan moest er geploegd worden en dat werd dan weer beoordeeld door een vakjury, die keek of de voor wel mooi recht was of omgegooid. Dat ging in die tijd of met paard en ploeg of met trekker en ploeg. Daarnaast had je de veebeoordelingswedstrijd, dan stonden er een stuk of tien koeien bij elkaar en die moest je dan beoordelen. Gras maaien met de zeis, mijn vader won daar nog eens de eerste prijs mee. Ja het was dan feest. Naast de plaatselijke wedstrijden werden er ook landelijke wedstrijden georganiseerd, en dan ook boekjes uitgegeven met wat wanneer stond te gebeuren en wie de jury was. Ik herinner me een keer dat er een ploegwedstrijd was en er een boer bij was die het niet eens was met de uitslag van de jury. Die is toen ’s avonds nog naar me toegekomen, toen we aan het melken waren op het land, en die heeft wel van zes tot tien staan mopperen over de uitslag. Maar ja, je weet van tevoren wie er in de jury zit en je hebt je maar te schikken naar het oordeel.

Het dorsen vroeger was ook een happening. Dat ging lange tijd met de vlegel. Maar we hadden hier een dorsvereniging Velswijk Ons Belang en die kocht een dorsmachine. Daarvoor kwam de trekker te staan en werd er iemand aangesteld als machinist en iemand als inlegger, die moest alle garven (korenschoven) in de dorsmolen leggen; dat waren de twee vaste mensen. Op winterdag ging de dorsmolen rond en dan kwam-ie een dag dorsen, vaak twee bergen. De buurt hielp mekaar, want alles bij elkaar had je wel zes, zeven mensen nodig. Twee man in de berg en twee of drie om het stro weer weg te werken en dan nog een paar voor het zaad. Het gebeurde een keer dat we klaar waren met de ene berg en de dorsmolen verplaatst moest worden naar de andere berg. Nou was het bij winterdag vaak nogal nat en dan zit er geen druk op de wielen van zo’n trekker. Maar zo’n dorsmolen is een kolossaal geval en, nou ja, die moest dus naar die andere berg getrokken worden en toen kwam-ie halverwege vast te zitten. De achterste wielen waren aan het slippen en toen zegt zo’n ouwe man hier uit de buurt: “Wat ben je toch een klootzak, was toch doorgereden dan was je er al geweest.” Die zag niet dat die wielen slipten. Ja, zo plaagden we mekaar ook nog wel. Zo herinner ik me ook nog een klein boertje, die woonde in Wassenbrink en die was zo alderbarstens zunig. En die liep altijd rond te struinen of er niet ergens wat achtergebleven was; een bats of een greep of zo, die pikte hij dan in. Zo liep hij ook altijd het land over nadat er bijvoorbeeld knollen geraapt waren of achter de kar waarop die dingen werden vervoerd. Rolde er een knol van de kar, dan raapte hij die op. Op een goeie dag werden er weer knollen geladen op de kar en één van die boeren ging toen op de kar met knollen zitten en die gooide elke keer een knol naar beneden. De arme man kon het allemaal niet meer bijbenen. En ja, daar hadden we dan veel schik van.

MaalderinkGrupstalVroeger werd er aan huis geslacht. Dan kwam de slager slachten op de deel. Dat was vooral hard werken. Maar voordat-ie kwam, moest er warm water zijn en dat werd gekookt in de fornuispot. Dat is een grote pot, of eigenlijk twee, een binnen- en een buitenpot waar 50, 100 of 150 liter in kon. De buitenpot stond op vier poten en had een asla en een gietijzeren deurtje. Hierin werd het vuur gestookt met takkenbossen. In de binnenpot werd het voer voor de varkens gekookt en ook wel de was gekookt. Heet water was nodig om met een krabber de haren van het varken af te krijgen, broeien noem je dat. Als het varken schoongekrabd was, werd-ie op de grond gelegd met een ladder ernaast. Dan deed je de achterpoten uit elkaar, want die kwamen aan het hanghout en dan sneed de slachter het varken doormidden en dan hield je er een teil onder om de ingewanden op te vangen. Dan werden de darmen schoongemaakt en later weer gebruikt voor de worst. Dat gaf een heel weeïge lucht. Ja, het hele huis stonk ernaar. En het was vooral hard werken. Als alles klaar was, kwam er vaak wel nog de zogenaamde slachtvisite.

Dit is de weg, ook wel Kunstweg genoemd, die loopt van Enschede naar Doesburg. Die weg is al oud, en rond 1850 hard gemaakt. Je had de HEKwerkers. Die hadden een bats en moesten stront scheppen, want er werd in die tijd gereden met paard en wagen en dan werd er gemest door die paarden en dat moest weer worden opgeruimd. En als de weg met gaten zat, dan kwam er een ton met teer en grind en werd het gat weer dicht gemaakt. Die mensen waren herkenbaar door de platte pet en een zwarte jas met rode biezen. HEK (Hummelo-Enschede Kunstweg red.) stond erop. Ze werden aangesteld door de provincie. En eigenlijk zou je die weer aan moeten stellen. Ja, er valt veel te vertellen over vroeger. Gelukkig is er nog veel bewaard gebleven en worden oude gebruiken in ere gehouden. Zo zijn we allebei vrijwilliger bij de museumboerderij Smedekinck. Vroeger hadden we op de deel een verzameling oude gebruiksvoorwerpen enzo opgesteld, en zo ons eigen museum. Maar dat is nu allemaal weg, want de ruimte was weer nodig als stal. Het Smedekinck is voor een groot deel ingericht met de meubels uit het oude gemeentehuis. Er is een boerenkeuken ingericht van omstreeks 1800 en een linnenkabinet. Er is een kruidentuin bij en er worden regelmatig exposities gehouden. Verder worden er regelmatig themadagen georganiseerd, onder andere Smoks Hanne voor de kinderen. Smoks Hanne is de heks van Zelhem, een legende. Speciaal voor de kinderen zijn er ook Ot en Sien middagen. Dan mogen ze zich verkleden, want er zijn veel oude jurkjes en zo, weliswaar nieuw gemaakt, maar in oude stijl. En er worden oude spelletjes gespeeld. Een groot succes en voor iedereen een feest. Zo worden oude herinneringen bewaard en doorgegeven aan de nieuwe generatie.’

Kijk ook eens op: