Heidenhoek: ”Als je achteruit rijdt, dan schep je die hele cabine vol koude lucht.”

ToonkPortret
Dhr. H.J. Toonk (geb. 1935)

De eerste baan was voor de heer Toonk (1935) bij de buurman die een loonwerkersbedrijf had. Jongens die van aanpakken wisten konden zo beginnen. Nadat er kinderen kwamen is hij als vertegenwoordiger gaan werken in de buitendienst van een bedrijf dat voer verkocht aan boeren. De heer Toonk woont nog steeds in Zelhem. Niet meer op de boerderij maar in  een prachtige nieuwbouwwoning. Zijn oude werkgever uit de loonwerkers tijd ziet hij nog geregeld.

Tekst Jan Wouter van der Straaten, beeld Peter van Dinther

‘Thuis waren we met drie jongens. We werkten allemaal bij het landbouwbedrijf van mijn vader. Ik ben opgegroeid als boerenjongen, zo als het toentertijd was. We gingen naar de lagere school in Zelhem. We liepen vaak naar school. Na de lagere school gingen veel jongens naar Doetinchem, naar de lagere technische school. Boerenjongens gingen vaak naar de lagere landbouwschool, die was in Zelhem. Daar ben ik ook naartoe gegaan.

De buurman had een loonwerkersbedrijf. Zo’n loonwerker heeft in de seizoenen veel werk, en dus veel mensen nodig. Dan wordt er gedacht van: “Zijn er in de buurt ook jonge mannen die dat kunnen en willen?” Zodoende kwam de buurman bij mij. In overleg met mijn vader ben ik daar toen gaan helpen, toen mijn broers thuis ook werk konden doen. Zo is het eigenlijk gebeurd.
De boerenbedrijven werden in die tijd groter. Er waren toen heel wat boeren die al het werk niet meer zelf aankonden. Er kwam meer vee – varkens en kippen – en de bedrijven gingen uitbreiden qua land en dergelijke. Dan lieten ze het werk vaak door een loonwerker doen en gingen ze niet meer zelf, zoals vroeger, met het paard ploegen. Dat gebeurde nog wel, maar wie dan op wilde schieten – die geen tijd genoeg had – liet het werk door de loonwerker doen.
ToonkArtikelKrantWe deden het meest gewoon boerenwerk. Met de tractor ging dat dan veel sneller. Grotere ploeg, grotere apparaten om gras en graan te maaien. Je kwam steeds bij dezelfde boeren, je bouwde heel langzaamaan een klantenkring op. Als je het werk dan goed deed, kwamen ze volgend jaar ook voor werk. Er kwamen gaandeweg wel meer loonwerkers, de concurrentie werd steeds groter. De eerste loonwerkers hadden vaak een behoorlijk aantal klanten. Niet alleen klanten in Zelhem, maar ook in Doetinchem en Hummelo. Midden in de winter was er nog niet zoveel werk. Hoogstens kon je bij de boeren brandhout zagen, van wat de boeren gesnoeid hadden. Mijn baas nam al snel twee bedrijven over. Van de ene boerderij kwam een dorsmachine en van de andere een tractor. En dan hadden we opeens twee tractoren. Tegen maart, april moesten we dan mest op het land strooien en ploegen en zo volgden de seizoenen elkaar dan op.

Ik kan ook iets vertellen over later in de zomer als je de rogge van het land moest halen of de knollen. Knollen werden verbouwd voor de koeien. Met het groeien van de veestapel hadden ze steeds meer knollen nodig. Eerst deden ze de knollenoogst zelf, later deed de loonwerker dit. We hebben toen ook een knollenoogstmachine ontwikkeld. Daar heb ik heel veel aan meegeholpen. Nu heeft het loonwerkersbedrijf een hele werkplaats, toen nog niet. Er was wel iemand in Varsseveld/Westendorp met een werkplaats. Die kon lassen en smeden om het ding in elkaar te zetten. Zo is die machine gemaakt. De knollenoogstmachine werkte behoorlijk snel. We konden die machines moeilijk zelf maken voor de handel. Er is een octrooi verkocht aan Kronen in Duitsland. Er zijn er toen vijftien van verkocht. Het jaar erop heeft een ander loonbedrijf ook een knollenoogstmachine gemaakt. Daar kon je alleen per rij mee oogsten. Veel boeren schaften zichzelf zo’n ding aan voor achter het paard of aan de tractor. Met die machine werken hield wel in dat je de hele dag achteruit moest rijden. Je kon niet vooruit rijden, dat ding zat achter op de tractor. We hadden toen al wel een cabine op de trekker, maar als je goed wilt zien, dan moet die wat los van achter en als je dan vooruit rijdt heb je de lucht van voren. Als je achteruit rijdt, dan schep je die hele cabine vol koude lucht. Dan kon je d’r net zo goed zonder cabine opzitten, maar had je regen dan bleef je droog natuurlijk. Zéker zo koud als dat je er zonder cabine op zat. Ik heb daar veel kou op geleden.

ToonkOudeFoto
Gras maaien gebeurde vanaf eind april, mei. Niet zoals nu met die moderne machines die zo veel meer kunnen. We hadden een cyclomaaier, een maaibalk aan de trekker. Het drogen van het gras deden de boeren altijd zelf. De laatste paar jaren hadden we een hooipers en maakten we baaltjes met touw. Het waren kleine baaltjes. Dat begon in de jaren zestig.
Mijn baas had naast het loonwerkersbedrijf ook een landbouwbedrijf. De zoon van de baas voelde meer voor het mechanisch werk en als er dan gras gemaaid moest worden, of als er één thuis moest blijven om te melken, dan deed ik dat. Dan ging ik melken. Ik stond nog dichter bij het boerenwerk. Net zo goed als de boer, en eigenlijk beter als de zoon.

ToonkTrekker

Zelf heb ik eigenlijk bijna nooit een ongeluk gehad. Ik heb één keer wat gehad. Dat was met de tweede, of misschien de derde trekker die we kregen. Ik was het land aan het ploegen en toen ben ik in een sloot gereden. Een diepe sloot. Ik trapte door het remmetje heen en daar ging ik naar voren, zo de sloot in. Er zat gelukkig geen cabine of scherm of helemaal niks op, met zo’n los spatbord. Ik greep me met één hand aan het spatbord, dat weet ik dus nog. Ik wist zelf niet goed meer hoe ik er af ben gekomen. Gelukkig ben ik niet aan mijn broekspijpen blijven hangen. Maar WAHm, ik ben er afgesprongen. Ik sprong op de wal. De tractor, die ging wel de sloot in. Die reed er zo in. Als ik erop was blijven zitten, dan denk ik dat ik het stuur in de borst had gekregen of de zitting in de rug. Dan was het niet goed gegaan. Een buurvrouw had voor het raam staan kijken. Zij had het allemaal gezien en heeft me later verteld hoe het gebeurde. Ze zag me de sloot in rijden en met de handen omhoog op de wal staan. Man, daar praatten we nu nog weleens over.
Ik heb een rotkwaal – ik heb migraine. Dat had ik toen ook al wel. Het was wel bekend dat ik het had. ’s Middags goed in orde en dan ’s avonds na de middag werd ik ziek. Maar meestal had ik het ’s morgens als ik wegging. Als ik het dan onderweg kreeg, dan zei de vrouw van de baas weleens: “Je kan zo niet verder.” En dan stopten ze me daar in bed. “Je komt niet weg, je gaat hier maar naar bed”, zeiden ze dan, “en als je weer een beetje opgeknapt bent, dan ga je maar weer op huis aan.” Toen we pas getrouwd waren, hebben we eerst bij mijn schoonouders gewoond, toen kwam er bij mijn ouders wat meer ruimte en toen zijn we daar in een huisje gekomen. Ik woon hier op deze boerderij nog maar 20 jaar. We hebben in Zelhem altijd een huurwoning gehad.ToonkBoodschappenlijst

 

Meestal werkte je alleen. Ploegen kon je alleen doen. In de zomer als het graan rijp was en gemaaid moest worden, dan waren we verschrikkelijk druk. Dan werkte je heel lange dagen. De baas vroeg weleens: “Wil je morgen heel vroeg beginnen?” Ik heb het in juli en augustus weleens een paar keer licht zien worden. Dan begon ik ’s morgens om 04.00 of 05.00 uur, voordat de zon op was, tot ’s avonds 22.00 uur, als het weer donker werd. Je werkte door totdat het werk gedaan was. Je moest wel oppassen dat je op de tractor niet in slaap viel. Daarom ben ik eigenlijk ook weggegaan. We hadden toen kleine kinderen en onderhand zag ik ze nog maar twee keer in de week. Dat wilde ik niet. Met bijzondere dagen, zoals Kermis enzo, dan ging je overdag gewoon naar je werk. Het is weleens gebeurd dat ik op mijn verjaardag vrij wilde en dat dat niet lukte. Dat krijg je als je met maar 2 of 3 mensen werkt. Dan kun je het niet opvangen.  En dat je dan op je eigen verjaardag de hele dag moest werken … Dat je dan ’s avonds blij was dat je al om 19.00 of 20.00 uur thuiskwam. Het was wel een heel drukke tijd.

Ik dacht dat het meeste wel gezegd was.’

Dhr. H.J. Toonk

De eerste baan was voor de heer Toonk (1935) bij de buurman die een loonwerkersbedrijf had.

Jongens die van aanpakken wisten konden zo beginnen. Nadat er kinderen kwamen is hij als vertegenwoordiger gaan werken in de buitendienst van een bedrijf dat voer verkocht aan boeren. De heer Toonk woont nog steeds in Zelhem. Niet meer op de boerderij maar in  een prachtige nieuwbouwwoning. Zijn oude werkgever uit de loonwerkers tijd ziet hij nog geregeld. 

Auteur Jan Wouter van der Straaten

Thuis waren we met drie jongens. We werkten allemaal bij het landbouwbedrijf van mijn vader. Ik ben opgegroeid als boerenjongen, zo als het toenertijd was. We gingen naar de lagere school in Zelhem. We liepen vaak naar school. Na de lagere school gingen veel jongens naar Doetinchem, naar de lagere technische school. Boerenjongens gingen vaak naar de lagere landbouwschool, die was in Zelhem. Daar ben ik ook naartoe gegaan.

De buurman had een loonwerkersbedrijf. Zo’n loonwerker heeft in de seizoenen veel werk, en dus veel mensen nodig. Dan wordt er gedacht van: “Zijn er in de buurt ook jonge mannen die dat kunnen en willen?” Zodoende kwam de buurman bij mij. In overleg met mijn vader ben ik daar toen gaan helpen, toen mijn broers thuis ook werk konden doen. Zo is het eigenlijk gebeurd.

De boerenbedrijven werden in die tijd groter. Er waren toen heel wat boeren die al het werk niet meer zelf aankonden. Er kwam meer vee – varkens en kippen – en de bedrijven gingen uitbreiden qua land en dergelijke. Dan lieten ze het werk vaak door een loonwerker doen en gingen ze niet meer zelf, zoals vroeger, met het paard ploegen. Dat gebeurde nog wel, maar wie dan op wilde schieten – die geen tijd genoeg had – liet het werk door de loonwerker doen.

We deden het meest gewoon boerenwerk. Met de tractor ging dat dan veel sneller. Grotere ploeg, grotere apparaten om gras en graan te maaien. Je kwam steeds bij dezelfde boeren, je bouwde heel langzaamaan een klantenkring op. Als je het werk dan goed deed, kwamen ze volgend jaar ook voor werk. Er kwamen gaandeweg wel meer loonwerkers, de concurrentie werd steeds groter. De eerste loonwerkers hadden vaak een behoorlijk aantal klanten. Niet alleen klanten in Zelhem, maar ook in Doetinchem en Brummel.

Midden in de winter was er nog niet zoveel werk. Hoogstens kon je bij de boeren brandhout zagen, van wat de boeren gesnoeid hadden. Mijn baas nam al snel twee bedrijven over. Van de ene boerderij kwam een dorsmachine en van de andere een tractor. En dan hadden we opeens twee tractoren. Tegen maart, april moesten we dan mest op het land strooien en ploegen en zo volgden de seizoenen elkaar dan op.

Ik kan ook iets vertellen over later in de zomer als je de rogge van het land moest halen of de knollen. Knollen werden verbouwd voor de koeien. Met het groeien van de veestapel hadden ze steeds meer knollen nodig. Eerst deden ze de knollenoogst zelf, later deed de loonwerker dit.

We hebben toen ook een knollenoogstmachine ontwikkeld. Daar heb ik heel veel aan meegeholpen. Nu heeft het loonwerkersbedrijf een hele werkplaats, toen nog niet. Er was wel iemand in Varsseveld/Westendorp met een werkplaats. Die kon lassen en smeden om het ding in elkaar te zetten. Zo is die machine gemaakt. De knollenoogstmachine werkte behoorlijk snel. We konden die machines moeilijk zelf maken voor de handel. Er is een octrooi verkocht aan Kronen in Duitsland. Er zijn er toen vijftien van verkocht. Het jaar erop heeft een ander loonbedrijf ook een knollenoogstmachine gemaakt. Daar kon je alleen per rij mee oogsten. Veel boeren schaften zichzelf zo’n ding aan voor achter het paard of aan de tractor. Met die machine werken hield wel in dat je de hele dag achteruit moest rijden. Je kon niet vooruit rijden, dat ding zat achter op de tractor. We hadden toen al wel een cabine op de trekker, maar als je goed wilt zien, dan moet die wat los van achter en als je dan vooruit rijdt heb je de lucht van voren. Als je achteruit rijdt, dan schep je die hele cabine vol koude lucht. Dan kon je d’r net zo goed zonder cabine opzitten, maar had je regen dan bleef je droog natuurlijk. Zéker zo koud als dat je er zonder cabine op zat. Ik heb daar veel kou op geleden.

Gras maaien gebeurde vanaf eind april, mei. Niet zoals nu met die moderne machines die zo veel meer kunnen. We hadden een cyclomaaier, een maaibalk aan de trekker. Het drogen van het gras deden de boeren altijd zelf. De laatste paar jaren hadden we een hooipers en maakten we baaltjes met touw. Het waren kleine baaltjes. Dat begon in de jaren zestig.

Mijn baas had naast het loonwerkersbedrijf ook een landbouwbedrijf. De zoon van de baas voelde meer voor het mechanisch werk en als er dan gras gemaaid moest worden, of als er één thuis moest blijven om te melken, dan deed ik dat. Dan ging ik melken. Ik stond nog dichter bij het boerenwerk. Net zo goed als de boer, en eigenlijk beter als de zoon.

Zelf heb ik eigenlijk bijna nooit een ongeluk gehad. Ik heb één keer wat gehad. Dat was met de tweede, of misschien de derde trekker die we kregen. Ik was het land aan het ploegen en toen ben ik in een sloot gereden. Een diepe sloot. Ik trapte door het remmetje heen en daar ging ik naar voren, zo de sloot in. Er zat gelukkig geen cabine of scherm of helemaal niks op, met zo’n los spatbord. Ik greep me met één hand aan het spatbord, dat weet ik dus nog. Ik wist zelf niet goed meer hoe ik er af ben gekomen. Gelukkig ben ik niet aan mijn broekspijpen blijven hangen. Maar WAHm, ik ben er afgesprongen. Ik sprong op de wal. De tractor, die ging wel de sloot in. Die reed er zo in. Als ik erop was blijven zitten, dan denk ik dat ik het stuur in de borst had gekregen of de zitting in de rug. Dan was het niet goed gegaan. Een buurvrouw had voor het raam staan kijken. Zij had het allemaal gezien en heeft me later verteld hoe het gebeurde. Ze zag me de sloot in rijden en met de handen omhoog op de wal staan. Man, daar praatten we nu nog weleens over.

Ik heb een rotkwaal – ik heb migraine. Dat had ik toen ook al wel. Het was wel bekend dat ik het had. ’s Middags goed in orde en dan ’s avonds na de middag werd ik ziek. Maar meestal had ik het ’s morgens als ik wegging. Als ik het dan onderweg kreeg, dan zei de vrouw van de baas weleens: “Je kan zo niet verder.” En dan stopten ze me daar in bed. “Je komt niet weg, je gaat hier maar naar bed”, zeiden ze dan, “en als je weer een beetje opgeknapt bent, dan ga je maar weer op huis aan.”

Ik ben met 21 jaar getrouwd. We hebben eerst bij mijn schoonouders gewoond, toen kwam er bij mijn ouders wat meer ruimte en toen zijn we daar in een huisje gekomen. Ik woon hier op deze boerderij nog maar 20 jaar. We hebben in Zelhem altijd een huurwoning gehad.

Meestal werkte je alleen. Ploegen kon je alleen doen. In de zomer als het graan rijp was en gemaaid moest worden, dan waren we verschrikkelijk druk. Dan werkte je heel lange dagen. De baas vroeg weleens: “Wil je morgen heel vroeg beginnen?” Ik heb het in juli en augustus weleens een paar keer licht zien worden. Dan begon ik ’s morgens om 04.00 of 05.00 uur, voordat de zon op was, tot ’s avonds 22.00 uur, als het weer donker werd. Je werkte door totdat het werk gedaan was. Je moest wel oppassen dat je op de tractor niet in slaap viel. Daarom ben ik eigenlijk ook weggegaan. We hadden toen kleine kinderen en onderhand zag ik ze nog maar twee keer in de week. Dat wilde ik niet. Ik ben overigens in heel goed overleg vertrokken. Een prachtcadeau heb ik toen gekregen.

Ik verdiende als loonwerker ongeveer hetzelfde als toen ik net begon bij de volgende baas. Ik werd eerst bezorger van veevoer. Ik heb mijn rijbewijzen gehaald en bezorgde het voer bij de boeren. De baan beviel me goed. Ik ging graag met mensen om en soms verkocht ik aan iemand die niks besteld had. Daar had ik dan ook voer voor. Maakte ik een praatje …. en verkocht het zo.

Jij kan ook wel meer dan alleen voer bezorgen. Je kan het ook weleens proberen te verkopen”. Ze hadden toen een vertegenwoordiger nodig, en toen zeiden ze: “Die hebben we misschien ook wel bij onze eigen mensen.” Ze hebben me toen een kans gegeven. Zo ben ik in de buitendienst gekomen. Van de ene op de andere dag stond er een Renaultje 4 voor de deur.
Het vertegenwoordigerswerk groeide helemaal uit. Ik werkte eerst hier voor de zaak in Doetinchem. Een kleine zaak, die is later opgeheven. Later werkte ik voor de fabriek in ’s Hertogenbosch. Mijn rayon daar werd steeds maar groter.

Met bijzondere dagen, zoals Kermis enzo, dan ging je overdag gewoon naar je werk. Het is weleens gebeurd dat ik op mijn verjaardag vrij wilde en dat dat niet lukte. Dat krijg je als je met maar 2 of 3 mensen werkt. Dan kun je het niet opvangen. En dat je dan op je eigen verjaardag de hele dag moest werken … Dat je dan ’s avonds blij was dat je al om 19.00 of 20.00 uur thuiskwam. Het was wel een heel drukke tijd.

Ik dacht dat het meeste wel gezegd was.’

Kijk ook eens op: