Landgoed Oldenaller: Dan werd er een mooi tableau uitgelegd

WoutBoutPotret
Wouter Bouw, oud-jachtopziener landgoed Oldenaller

Aan een mooie eikenlaan, een zijweg van de Nijkerkerstraat in Putten, staat het Jagershuis, behorend bij kasteel Oldenaller. Het huis is prachtig onderhouden. Hier woont Wouter Bouw (1943) met zijn familie. Zijn vader, zijn opa en ook zijn ooms hebben het jachtopzicht en de zorg voor een goede wildstand van oudsher in de genen zitten. Geen wonder dus dat ze op het Jagershuis terecht gekomen zijn. Dat ging niet helemaal rechtstreeks. Hoe dat gekomen is vertelt Wouter Bouw met smaak.

verhaal Jan Hassink, beeld Marianne Jans.

‘Mijn vader is rond 1935 jachtopzichter, boswachter geworden bij de familie Boreel die op huize Oldenaller woonde. Zelf ben ik, en ook mijn jongere zusje, hier geboren op Oldenaller in een klein arbeiderswoninkje. In 1971 zijn wij getrouwd en zijn we, als huisbewaarder, op het kasteel gaan wonen. Daar hebben we twee jaar gewoond tot Natuurmonumenten het geheel overnam van de familie Boreel. De vereniging zat een beetje met ons in de maag, want er kwamen daarna allerlei deftige mensen over de vloer in het kasteel. Daar pasten wij niet zo goed tussen. Toen kwam dit huis vrij en sindsdien wonen wij hier.Ja, die familie Boreel, dat waren mensen van stand. Het waren een soort petekinderen van de familie Goldstein en bij vererving hebben de Boreels Oldenaller gekregen. Ze waren altijd vriendelijk maar doortastend en op de centen. Dat moest in die dagen ook, want anders konden ze niet bestaan. In de goede tijd hadden ze twaalf mensen in dienst: zes voor de tuin en het park en zes voor de bossen. Ik was zelf niet in dienst bij Natuurmonumenten maar we hebben de eerste jaren het wildbeheer gedaan. De vereniging was toen zo klein, dat ze daar geen verstand en geen mensen voor hadden. De jacht werd verpacht en samen met bijgehuurde jachtrechten had je een jachtterrein van zeshonderd hectare. Daar heb ik in mijn vrije tijd als toezichthouder gefungeerd.

WoutBoutJagershuis

Toen wij in het kasteel woonden was het in de oude staat. Er waren houten vloeren die gewoon in het zand lagen. Er waren grote kelders bij. In de oranjerie werden ’s winters de planten bewaard. Als je binnenkwam door de poort, had je links de oranjerie en rechts het koetshuis (de garage, red.). Het boswachtershuis waar nu Cor Jansen woont, was er natuurlijk al. Daar woonde de familie van Roon. Die was ook boswachter, tuinbaas. Hij bemoeide zich hoofdzakelijk met het tuingebeuren en het park. Bij zijn huis was een grote moestuin en een bloementuin. Er stond een druivenkasje. Bij het kasteel was een boomgaard. Daar stonden oude fruitbomen die in de loop der jaren vervangen zijn. De appeltjes werden altijd trouw geplukt. In het huis van de familie van Roon was een speciaal appelzoldertje. De appels werden bewaard in bakjes op een beetje hooi. Of dat was om ze een beetje vochtig te houden of dat er speciale grassen in zaten waar de insecten een hekel aan hadden?Wat dat betreft is er wel wat veranderd op het landgoed. Vroeger waren er een heleboel kleinere boerenbedrijfjes, kleinschalig met niet te grote perceeltjes. Nu zijn de percelen groter geworden. Dat was noodzakelijk voor een moderne bedrijfsvoering. Als je vroeger een boerderij had waar 20 of 25 koeien op de deel stonden dan was je een grote boer! Nu lopen er 80 of 90 in een grote loopstal. Dat betekent ook dat houtwallen en singels verdwenen zijn die vroeger als perceelscheiding dienden. Gelukkig zijn er nog heel wat over! Grotere percelen, andere gewassen. Turbo-gewassen waar de koeien veel melk van geven. Voor de natuur is dat een achteruitgang. Vroeger had je allemaal kleine stukjes bouwland. Ze verbouwden allemaal hun eigen aardappels en voer voor de koeien. Bieten en knollen, rogge voor eigen gebruik en voor een paar varkentjes. Die kleinschaligheid en de variatie aan gewassen was heel goed voor de wildstand! De landgoederen stonden bekend om het enorme aantal wild dat er zat. Hazen, konijnen, fazanten, eenden, reeën en ook patrijzen. Patrijzen zie je nu niet meer.Er zijn nog een paar boerenbedrijven die functioneren. De andere boerderijen staan er  maar zijn uit productie. De boer woont er soms, maar is gestopt. Geen opvolger en te klein van omvang. Het land ging naar een grotere boer en vaak hield hij een paar bunder rond het huis.

WoutBoutRhodo

Je zit hier een beetje op de scheiding van laag naar iets hoger. In het lage deel heb je weiland met sloten en beekjes en langs die beekjes heb je singels van elzen en essen. Op de hogere gedeelten heb je geen singels maar houtwallen van eik, berk, meidoorn en zo. Je hebt hier vlakbij van die hoge engen. Dat zijn altijd bouwlanden geweest, Die werden ieder jaar bemest met mest uit de schaapskooien. Op de hei werd plaggen gestoken en die gingen in de potstal en werd die mest naar de eng gebracht. Als je dat lang genoeg doet, wordt die eng steeds hoger. Hier in de hei van Hoef ligt ook zo’n eng, die is een meter hoger dan de hei er omheen. Vooral bij Hoonhorst heb je van die hoge stukken.Die singels en houtwallen waren vroeger de veekeringen. Ze waren ook heel nuttig voor het wild. Als dekking en rustplaats maar ook als voedsel. Vooral reeën zijn heel secuur. Ze lopen langs de singels en pakken hier en daar een blaadje. Een els zullen ze nooit eten maar een eik, als die jong is, zijn ze gek op.Die singels en hakhoutwallen werden om de 7 à 10 jaar gekapt. Dat ging met de hand, motorzagen hadden ze niet. Elk jaar werden perceeltjes gemaakt en was er een houtverkoping. Je kocht een stukje wal (alleen het hout dat er op stond, red.). Het hout werd gebruikt en de takkenbossen ging voor een deel naar de bakker voor de oven. Een deel werd zelf gebruikt om de kachel of het fornuis aan te maken. Het was altijd heel bijzonder. Als een wal gekapt was, kreeg je meteen de bosanemonen terug! Het eerste jaar niet zo veel maar het tweede jaar had je velden vol met bosanemonen. Als de wal weer dicht groeide verdwenen ze weer, misschien een paar polletjes aan de rand van de wal. Als je tien jaar later weer kapte, kreeg je ze weer terug. Als een wal te dun, te kaal werd, werden er nieuwe boompjes tussen geplant. Die werden zelf gekweekt of ergens anders in het bos uitgestoken.
Op een gegeven moment kwam de populier opzetten. Die groeide snel. Er was een rentmeester, die werd door meneer Boreel de populierenman genoemd omdat hij nogal wat populieren liet aanplanten. Toen later de populieren rijp waren was er bijna geen afzet meer voor, dus dat was geen succes. Meneer Boreel was op het laatst heel slechtziend, bijna halfblind. Dan wandelde hij toch van het kasteel naar de straatweg en aan de overkant de beukenlaan in. Hij klopte met zijn stok op de beukenstammen en zei: “Deze moet gekapt worden”. Er is een klein stukje van die laan gekapt maar toen kwam de boswet en mocht er niet meer gekapt worden. Nu vallen ze vanzelf om en als je kijkt, zitten er van die donkerbruine pitten in tot drie meter hoog. Dat hout is nergens meer geschikt voor, zelfs niet voor in de kachel.
We hadden hier op Oldenaller heel wat kikkerpoelen, drinkpoelen. Veel waren bomkraters uit de oorlog door de bombardementen op de spoorlijn van Amersfoort naar Zwolle. De echte drinkpoelen die met de hand gegraven zijn, waren veel kleiner. Door de aanleg van de Flevopolder is de grondwaterstand veranderd. De tegendruk van het water van het IJsselmeer is weggevallen. De industrie, de zuivelfabrieken in Nijkerk en de drinkwaterstations nemen heel wat water weg. Het kost de boeren steeds meer moeite om het water boven de grond te krijgen.

Toen Oldenaller in bezit kwam van Natuurmonumenten liep er nog een jachtcontract. We kregen daarna weer een contract maar met beperkingen. Geen watersnip en houtsnip schieten. Die mag je nu niet meer schieten, maar toen wilde Natuurmonumenten, de grondeigenaar, dat al niet meer hebben. Mijn hele familie, vader, opa, ooms zijn opgegroeid met het jachtgebeuren op landgoederen bij jonkheren en baronnen. Er zou voor Natuurmonumenten heel wat te besparen zijn als ze de jacht zouden toestaan door goed opgeleide mensen. Je kunt zo vijf tot tien euro per hectare jachtpacht beuren, afhankelijk van het jachtgebied. Reken eens uit met al die hectares natuur. Nu hebben ze een eigen beroepsman, die moet een autootje hebben, geweer en patronen. En het is ook nog vaak avond- en weekendgebeuren. En volgens mij was de wildstand vroeger tien keer beter dan nu, behalve de reeën. De rest is met sprongen achteruit gegaan. De konijnen hebben de myxomatose gehad en de VHS-ziekte maar een fazant zie je niet meer en de hazen worden steeds minder. De predatoren worden steeds meer. Daarachter heb je weides voor weidevogels. Nou, die zijn er niet meer. En hier binnen, op die heideveldjes, broedde de kievit. Nu heb je vossen, haviken, buizerds. De das die loopt hier overal rond. Dat is een snuffelaar, dus als hij een nestje jonge weidevogels vindt, is dat weg. Het is mooi dat die soort er is, maar vroeger werden de aantallen van de predatoren beneden een bepaald peil gehouden. En we hebben een kolonie reigers in het kasteelbos. Die halen de kikkerpoeltjes in de buurt leeg.
Vroeger hadden we meestal vier jachtdagen op Oldenaller. Als kleine jongen ging ik al mee.We aten dan op één van de boerderijen. De heer nodigde zijn vrienden uit. Die aten in de kamer bij de boer. De jachtopzichters en de mannen met de honden zaten in de keuken en op de deel hadden ze strobalen neergelegd voor de drijvers. Die kregen koffie, een sigaar en een borrel en na afloop kregen ze tien gulden, of zo. We zaten op Tinteler, Hoonhorst, Blankenvoort en Heetkamp, om de beurt. De boerin kreeg een grote haas en de gasten kregen een haas, een fazantenhen en haan, een koppeltje noemden ze dat. Dan werd een mooi tableau uitgelegd (de jachtbuit, gesorteerd en op grootte, red.) en de jachtmeester hield een toespraak over de wildstand. Dat was altijd een heel sociaal en gezellig gebeuren. Ook hadden we een paar plekken waar eenden werden geschoten. Op de hei Hoef was ooit een vennetje. Dat was helemaal dichtgegroeid. Daar hebben we een draglinetje op gezet en die heeft het helemaal uitgegraven. Daar voerden we de eenden en een keer of 5, 6 werden er dan 15 tot 25 eenden geschoten. Die werden verdeeld onder de jagers voor eigen consumptie en soms ging er wat naar de poelier. Ja, dat vinden sommige mensen een beetje vreemd. Eerst ga je de eenden voeren en later schiet je ze dood. Wij zijn er mee opgegroeid en wij benutten de natuur.

Natuurlijk is er iets veranderd op Oldenaller. Minder boerderijen in bedrijf. Gelukkig staan ze er nog in hun oude vorm, inclusief de bakhuisjes. Behalve op de Heetkamp. Daar is een bakhuis verdwenen. Dat was geen echt bakhuis meer want dat was al een keer verbouwd om de ouders van de jonge boer te huisvesten. Zo ging dat vroeger. De jongelui trouwden bij de ouders in en die gingen in het bakhuis wonen.Gelukkig zijn de kronkelende beekjes meestal gebleven. Die zorgden voor de afvoer van het water en liepen altijd van de ene lage plek naar de andere laagste plek. De boeren respecteerden die loop. Later werden vaak rechte sloten gegraven en hup… het water moest door die sloten. De kronkelslootjes met de elzensingels zijn er nog op Oldenaller!We proberen ook de weidevogels te beschermen. We zoeken de nestjes op en steken er een stok bij. Je zet soms al een spoor uit voor de vossen! En je hebt van die slimme kraaien. Met dat injecteren van mest sneuvelt wel eens een jong haasje en weidevogels kunnen bijna niet tussen die pijpen door. De boeren die deelnemen aan het weidevogelcollectief zorgen er voor dat de met stokken gemerkte nestjes gespaard blijven.Ach, ja, zo zijn er zoveel regels die soms tegenstrijdig uitpakken. Daarom ben ik erg blij dat we hier op Oldenaller nog zoveel moois hebben!’

 

Beluister hier een fragment van het verhaal

Kijk ook eens op: