Boerenerven: “De jaarlijkse houtverkoop was altijd een hele happening”

_MG_6388Hennie Helmink

Terwijl de melkrobot achter in de stallen wordt geïnstalleerd, spreek ik met Hennie Helmink (1942) in de stille voorkamer over hele andere tijden. Tijden waarin zijn vader nog twaalf koeien had in plaats van de honderdtwintig die zijn zoon nu bezit. Want het melkveebedrijf is nu officieel van zijn zoon, maar Hennie Helmink en zijn vrouw zijn nog dagelijks in de stallen te vinden. Een 15 jaar oude labrador draait zich om in zijn mand bij de verwarming als de goedlachse heer Helmink op rustige toon begint te vertellen over de sociale en hechte gemeenschap vroeger.

Auteur: Elvira Werkman, Foto’s: Ron van der Duyn

“Deze boerderij is in 1933 gebouwd. Mijn vader is hier in 1941 gekomen en in ‘42 ben ik geboren. De kerk van Zutphen was toen eigenaar van dit pand. Toen mijn vader 63 was nam ik het bedrijf van hem over. De eerste jaren pachtte ik net als mijn vader en in 1978 kocht ik het bedrijf van de kerk van Zutphen. Ze hadden in al die zestig jaar bijna niks aan het onderhoud gedaan en toen kwamen ze met het voorstel of ik het wilde kopen. Dat is de beste koop geweest die ik ooit van mijn leven gedaan heb.
_MG_6415_klein_huis
Voordat ik het bedrijf van mijn vader overnam, was ik zestien jaar knecht bij de familie Rietman op het Bosmanshuis. Ik kwam zo van school af. Eerst werkte ik daar een half jaar lang twee of drie dagen. Hij had een vaste knecht, maar die had al te kennen gegeven dat hij weg wilde. Dus toen die vertrok, kwam ik daar min of meer in vaste dienst. Ik was ook wel eens een dag hier. We hielpen elkaar waar het nodig was. Hier in de buurt had bijna niemand een knecht. Het Bosmanshuis was in die tijd een vrij groot bedrijf. En Rietman had  een slechte heup, hij kon lang niet alles. Ik heb daar hard moeten werken, maar met heel veel plezier. Het werd ook echt gewaardeerd. Dan ging ik achter naar het land en zei: “Je hoeft geen koffie te brengen, hoor.” Maar nee, Johanna Rietman kwam wel met het fietsje over de kamp heen. Hennie moest toch wel te drinken hebben. Hele lieve vrouw was het.

Mijn vader is vroeger ook knecht geweest. Hij verdiende 250 gulden per jaar. En dat was luxe, er was geen enkele boerenknecht die dat verdiende. Dat was bij Schoenaker op de Kranenburg, daar tegenover de kerk. Dat is nou helemaal verpauperd, maar dat was vroeger een boerderij, café en een winkel. Mijn vader was verantwoordelijk voor de boerderij, maar ’s avonds moest hij helpen in het café en in de winkel. Dus hij had daar een extra taak zeg maar, en daarom verdiende hij 250 gulden per jaar. Mijn vader was van 1909, hij was toen tussen de twintig en de dertig jaar. Houtkap-1_klein
Toen ik zelf knecht was bij Rietman, verdiende ik eerst zo’n honderd gulden in de week. Later is dat langzaam wel iets opgeklommen. Een luxe loon heb ik nooit gehad bij Rietman, maar ik heb ook nooit om loonsverhoging gevraagd. Ik heb altijd wel hard gewerkt, maar de andere kant speelt ook mee. Het sociale gebeuren. En in die jaren waren we toch niet zo met geld bezig, het werk moest gewoon gebeuren. Maar een keer, ik weet nog wel, had mijn vader hier een knecht en die kocht een nieuwe fiets. Een Gazelle. Die kostte toen in die tijd 310 gulden, dat was een héle dure fiets. Zo’n mooie fiets, jongen, en ik wou ook graag zo’n fiets. Ja, dan moest ik van de zomer hard werken en goed helpen. Nou, en ik had uiteindelijk zoveel geld bij mekaar dat ik die fiets kon kopen. Was achteraf nog goedkoop, ik heb er dertig jaar mee gefietst. Oh, maar dat was luxe, mijn moeder was er zo op tegen. Zoveel geld voor  zo’n fiets. Ja, dat waren hele andere tijden.
Wij kregen ook wel eens op zondag een ijsje. Dan gingen we naar de kerk in Vierakker. Daar woonde een broer van mijn vader. Die had een bakkerij en een winkel. Uit de kerk ging mijn vader dan naar zijn broer toe, het winkelboekje, de boodschappen betalen. Als we door de week ons best gedaan hadden, kregen we een ijsje van vijf cent. Maar als we heel erg ons best gedaan hadden kregen we een ijsje van tien cent. Tien cent! Kun je je nu niet meer voorstellen. Als ik nou bij onze kleinkinderen kijk, wat die allemaal hebben. Ze hebben zoveel dat ze bijna niet weten waar ze mee spelen moeten.
Wij hadden vroeger met mekaar één blokkendoos. Daar speelden we allemaal mee en dat was nog mooi ook. En met Sinterklaas kregen we ook niet veel, elk één cadeautje met iets lekkers. Dan kreeg je een potlood en een kleurboek of iets anders nuttigs. Sinterklaas kwam hier trouwens nooit, hoor. Vroeger was dat hier zandweg en dan was het altijd het verhaal dat Sinterklaas hier niet door kon. Zwarte Piet strooide wel een keer. Mijn vader was ’s avonds op de deel aan het koeien melken en in een keer ging de deur los. Een handvol pepernoten werd in de keuken gegooid. En de andere dag stonden de pakjes in een zak of een mand in de keuken.
Houtkap-2_klein
Wat ik zoal deed bij Rietman wisselde natuurlijk per seizoen. Eerst hielp ik ’s morgens altijd mijn vader en om acht uur begon ik daar. Dan kwam ik achter op de deel binnen. Jan en Johanna waren vaak net aan het eten en dan deed ik vast de koeien. Voer geven. Daarna naar de schuur, de varkenshokken schoonmaken. Als het jongvee binnen was in de winterdag ging ik daar de mest terugzetten. Dan was het al zo koffiedrinkenstijd. En vegen, hè. ‘s Zaterdags was dat vaste prik. Dan begon ik voor op de deel te vegen en die deel was zesentwintig of achtentwintig meter. Dan de achterdeuren uit en achterom, tot aan de Baakseweg. Ja, tegenwoordig doen ze dat niet meer. Maar ik was altijd heel precies. In de zomerdag ging ik naar het land en in het voorjaar ploegen, dat heb ik heel veel gedaan. Rietman had wel behoorlijk wat graan. En ’s avonds hielp ik altijd melken. ’s Avonds was eigenlijk onbeperkt, er werd niet naar tijd gekeken.

In de winterdag was het heel vaak houtrijden voor Hackfort. Brandhout. Dat werd in de bossen bij elkaar gemaakt. Ik ging met de tractor en de wagen houtrijden en dat werd bij de watermolen neergegooid. Verder maakte ik bezems, van die berkenbezems. En van strobalen touwtjes vlechten. Vroeger stonden de koeien op de deel vast aan een riem. En daar zat op de zijkant een touwtje aan en die maakten we dan zelf. Die waren sterker dan dat je ze bij de Welkoop haalde. En dat was tijdbesteding in de winter.
Verder stond voor op de deel een kast met paardentuig. Rietman was de eerste naaste van het kasteel en als de baron zou overlijden moest hij met paarden begraven worden. Dus dat tuig, dat de paarden dan aankregen voor de wagen, dat was er altijd. Elk jaar haalde ik dat tuig eruit en vette dat in, want als je leer lang niet gebruikt dan droogt het uit. Dus dat moest onderhouden worden. Dat was ook zo vaste prik voor de winterdag.

En in de winter hadden we, een keer per jaar, houtverkoop bij het Bosmanshuis op de deel. Van te voren werden eikjes van 15, 25 centimeter gehakt, op een hoopje gelegd en genummerd per hoopje. Daar kon je dan op bieden. Een hele happening was dat altijd. Bijna alle pachters van Hackfort en ook wel wat vreemden waren erbij. Nou, en dan werd er een lekker borreltje gedronken.
Omdat het winterdag was, stonden de koeien op de deel, dus dan waren we ’s avonds laat meestal aan het melken. Maar dan stond de laatste familie vaak ook nog op de deel. Voordat die een keer weg was … Ja, dat was gezellig. Mensen hadden in die tijd niet zo veel anders voor de gezelligheid. En het was ook veel meer mekaar helpen. Als er nu een koe moet kalven komt daar niemand meer bij te pas. Maar vroeger als de koe wou, of met name de vaars voor de eerste keer, dan werden er drie of vier buurmensen bijgehaald. Midden in de nacht. En als het kalfje dan ter wereld was, kwam de fles op tafel. En als de andere dag het werk iets minder snel ging, ach, daar werd niet om gepraat.

Ook bij geboortes werd altijd een borreltje gedronken. Je moest de kleine laten plassen, zeiden we dan. Eerst kwamen de naasten de andere dag direct kijken en dan na die tijd was er een kindervisite. Dan kwam de hele buurt ’s avonds een borreltje halen. Iedereen mocht even de kleine vasthouden, die ging de kring rond. Ja, dat waren mooie dingen. De oude oma van Tjoonk was vroedvrouw hier in de buurt, die hielp bij de bevalling. Tjoonk woonde op het Bosmanshuis, voordat Rietman kwam.

Mijn eigen moeder is met de bevalling van het vierde kindje in 1946 gestorven. Ik was toen vier jaar. Dat was het eerste huwelijk van mijn vader, ik heb daarvan nog een broer en een zus. In 1948 is mijn vader weer getrouwd en van het tweede huwelijk zijn nog een zoon en twee dochters. Ik weet nog wel dat mijn moeder daar buiten was. Vroeger op een boerderij had je altijd een pothok zeiden ze dan, of een washok. En daar was ze aan het strijken of zo en ik was daar aan het spelen. Op een gegeven moment kwam ze bij me, ze zei dat ik papa moest roepen, die was daar een klein eindje het land in. Ik weet nog precies waar ‘ie was, die heb ik opgehaald en toen is de dokter gekomen. Hij had de auto hier aan de weg staan en ik weet nog dat mijn moeder in die auto gestapt is. Dat weet ik ook nog. Nou, en een dag later stond ze hier in de kamer, in de kist. Met het kindje in de arm. Dat gebeurde vroeger nog al eens, met de bevalling.

Als er een sterfgeval in de buurt was, dan moesten je directe buren, de eerste naasten, de lakens uitdelen. Alles werd zelf geregeld bij een begrafenis. De overledene werd door de naasten zelf afgelegd. Ik heb ook nog twee keer meegeholpen. De oude buurman was overleden en toen zijn we ’s nachts daar geweest. En de andere dag hebben we hem in de kist gelegd. Als naaste buren moest je ook naar de doodgraver toe en je moest zorgen dat het graf gemaakt werd, al die dingen. En dan was er na die tijd een nabegrafenis. ‘Ouwe brood opeten’, zeiden we wel eens. Meestal nodigde de familie een week of een paar weken later de buren uit om een glaasje te drinken, nog even napraten.

Je had vroeger wel meer contact in de buurt. Als de dorsmolen in de buurt kwam bijvoorbeeld, dan hielp je mekaar. Was het hier dorsen, dan kwam de buurt hier en de volgende dag ging je met elkaar naar de buren. Dan was je zo de hele week met een man of zeven, acht elke dag samen bezig. En ’s middags voor de maaltijd werd er een borreltje gedronken. Eéntje, want je was aan het werk met machines, maar dat hoorde er allemaal bij. Voor de stof, zeiden ze dan. Dat waren wel echt sociale momenten.

Als kind wilde ik al boer worden. Dat zat erin geboren. Mijn vader had vroeger twaalf koeien en dan had ‘ie een meid en een knecht. Dat was allemaal handwerk. Later toen ik het bedrijf overnam had hij achttien koeien. Mijn zoon, die het bedrijf nou heeft overgenomen, heeft honderdtwintig koeien. Ze zijn op het moment de melkrobot aan het installeren. Ik sta nou elke morgen nog om half zes op, help nog altijd de koeien melken. Straks hoeft dat niet meer. En ik vind het ook wel een keer goed.”

Kijk ook eens op: