Leven met Water: “Hoog water hoort al eeuwen bij het leven in de Fraterwaard, maar vanaf de jaren zeventig was het er ook in het groeiseizoen.”

Freek Frederiks (Geb. 1933)

Bijna vijftig jaar nadat ik de Fraterwaard bij Dieren verliet, spreek ik Freek Frederiks, buurman uit mijn jeugd, geboren en getogen op boerderij ‘Noordingsbouwing’. De uiterwaard, Fraterwaard, ligt aan de noordkant van de weg tussen Dieren en Doesburg. Middenin het weiland niet ver van Dieren ligt de oude statige boerderij die we als buren altijd ’t Heuland noemden. Sinds begin jaren vijftig doorsneed een kanaal de buurtgemeenschap. Daarna konden de buren elkaar alleen nog maar bereiken via een omweg over de brug bij Doesburg.Nadat in 1999 hun dochter Alma met haar man Erik Tijhaar de boerderij overnamen wonen Freek en zijn vrouw Riek in Angerlo. Daar ontvangen ze me hartelijk in hun ruime, moderne lichte woning. Freek is goed onderlegd, weet veel en kan boeiend vertellen. Toen ik als klein kind net kon fietsen, ging ik graag naar de lieve buurvrouw die poppenkleertjes voor me breide. Destijds had ik geen idee hoe het voor dit gezin was om met hoog water afgesloten te zijn van de buitenwereld en dat zonder elektriciteit en zonder telefoon.

Verhaal Willy Brouwer, beeld Jan van de Lagemaat.

Sinds 1838 wordt de boerderij Noordingsbouwing in de Fraterwaard gepacht door mijn familie. Destijds was het Hof te Dieren eigenaar, waarvan de bezittingen later naar Kasteel Twickel overgingen. Met regelmaat van de klok werd onze boerderij omringd door water en was dan alleen met paard en wagen, per boot en later met tractor bereikbaar. Ik ben met het water opgegroeid, ook met hoog water. De prilste herinneringen heb ik aan de winter van 1939 – 1940, toen ik zes jaar oud was. Er waren vanwege de mobilisatie bij ons op het erf rond honderd Nederlandse soldaten ingekwartierd. Toen vanwege het hoge water de hazen en konijnen naar het erf kwamen, maakten de soldaten er een sport van om er zoveel mogelijk te vangen want ze verveelden zich dood.

Het waren de jaren 70 en 80 waarin er opeens veel vaker hoog water was, en dan ook nog eens in de zomer, middenin het groeiseizoen. Werkelijk een ramp voor het bedrijf, want we hadden grote schade. Tegelijkertijd moesten we wel zien het hoofd boven water te houden, letterlijk en figuurlijk. Het was voor ons een nadeel dat er geen waterschap was. Dus er was geen expertise beschikbaar. Hoe het mogelijk was, dat ineens alles zo anders was dan vroeger, moesten we zelf uitzoeken via vragen aan Rijkswaterstaat en Landbouwschap.

Het bleek dat in Duitsland na 1950 door alle bochtafsnijdingen de Rijn honderd kilometer korter was geworden. Daardoor werd het verval veel groter en kwam het water bij regenbuien veel sneller ons land binnen. De Rijn was van een smeltrivier een regenrivier geworden. Ook ontdekten we dat er in Nederland veel was veranderd. Zo werd de Baakse overlaat, de bandijk tussen Doesburg en Zutphen verzwaard en verhoogd. Tot die tijd kon bij een grote wateraanvoer het IJsselwater via die overlaat de Achterhoek inlopen. Gelukkig kregen we wethouder Anne Wind, die ons heeft geholpen met informatie en tips waarmee we verder konden. Niet lang daarna verscheen er een groot artikel in Trouw met op de voorpagina de kop: ‘Bij een volgende overstroming in het groeiseizoen gaan er rond veertig boeren failliet’. Opeens gingen er deuren open. Voordien hoorden we altijd ‘hoog water hoort erbij, je woont nu eenmaal in de uiterwaarden’. Wij moesten onze eigen schadevergoedingen regelen, zonder waterschap om op terug te vallen.

Dat er geen waterschap was had nog een ander nadeel: de zomerdijken werden niet onderhouden. Waarschijnlijk waren er pachters elders die met de ploeg tegen de zomerdijken aan het werk waren geweest en deze beschadigden. Ook werd er wel een afrastering gemaakt dwars over de zomerkade. Daarlangs ontstaat dan vaak een paadje dat de dijk verder uitholt. Wanneer er dan niemand is die de dijk onderhoudt, wordt deze wel kwetsbaar. En dat hebben we ervaren, en wel in 1983. De hele boerderij stond onder water toen we op 30 mei ’s avonds naar een bruiloft gingen. We zijn met de trekker door het water naar de buren op de Cabenter gereden en hebben die daar neergezet. Toen we ’s avonds laat terugkwamen stond de trekker helemaal in het water. Er was die avond in een paar uur tijd wel veertig centimeter water bijgekomen. Voor ons werd het heel erg spannend om thuis te komen. Om bij de trekker te komen moesten we al door het water lopen. Riek ging achterop het bakje staan en samen zijn we toen heel voorzichtig over de afweg gereden. Zelfs de paaltjes langs de weg waren niet te zien, want die stonden ook onder water. Dus ik moest heel streng vooruitkijken zodat ik de richting kon vasthouden. Riek stond grote angsten uit. Op een gegeven ogenblik stond ze tot aan haar knieën in het water, maar ze durfde niks te zeggen. Ze was veel te bang dat ik afgeleid zou worden en dat ik dan van de weg af zou raken. Ze had haar vader beloofd ‘Als we thuis zijn dan bel ik even’. Hij wist dat we ’s avonds laat nog in het donker door het water moesten, maar niet dat we ons onderweg bij een wegomleiding ook nog hadden vergist. Haar vader was opgebleven en toen hij midden in de nacht bericht kreeg dat we thuis waren, was hij eindelijk gerustgesteld. Later kwamen we erachter dat er die avond een zomerdijk in de Havikkerwaard was doorgebroken.

Als kinderen werden we met paard en wagen overgezet naar de weg en met erg hoog water met een bootje. De rest moesten we dan lopen. Ik weet nog toen ik op de mulo zat dat ik samen met broer Karel ’s middags terugkwam. Iedereen was druk bezig terwijl wij aan de weg stonden te blauwbekken totdat ze eindelijk door hadden dat we moesten worden opgehaald. Ook onze kinderen moesten als ze naar school gingen steeds worden gebracht en gehaald. Toen onze jongste dochter een jaar of vijftien was en terugkwam van het lyceum in Zutphen, was ze er echt niet blij mee dat ik haar met de trekker op kwam halen bij het station.

Totdat we telefoon kregen in 1957 werden met hoog water alle boodschappen en post afgeleverd bij de buren op de Cabenter. Pas in 1963 kregen we elektriciteit. De boerderijen aan de dijk hadden voor de oorlog al elektriciteit gekregen vanwege een militaire barak daar. Daarmee was er al vroeg elektriciteit in de Fraterwaard. Na de oorlog kon er nog een boerderij op de transformator worden aangesloten. Maar moeder durfde het toen niet aan. Mijn vader is in maart 1945 met de vergeldingsactie bij De Woeste Hoeve door de Duitsers omgebracht. Mijn moeder wist niet of ze het allemaal alleen aan zou kunnen. Wij hebben toen moeten wachten tot alsnog alle onrendabele gebieden werden aangesloten. Tot die tijd hadden we licht met gaslampen en deden we alles met benzinemotoren, zoals koeien melken en water oppompen.

Na de oorlog ging ik naar de mulo in Doesburg. Om daar te komen moesten we over de schipbrug. De mensen van het land hadden profijt van die brug, maar de schippers hadden er alleen maar last van. Die moesten stil gaan liggen en er ook nog voor betalen. Daar werd nogal eens gescholden of er was ruzie tussen de schippers en de mensen die het geld moesten innen. Ik heb meegemaakt dat een schip niet snel genoeg kon remmen en dat die boot dwars tegen die liggers van de schipbrug kwam te liggen. Het duurde uren voordat de brug weer begaanbaar was. Ik vergeet het nooit weer, het was in maart 1950 in de laatste maand voor mijn examen. Ik moest al die tijd in de kou wachten en heb daar toen een oorontsteking opgelopen waar ik drie weken ziek van ben geweest.

Mijn eerste herinnering aan de afsnijding van de IJsselbocht bij Doesburg was de afvoer van veel grond. Er was een trammetje dat de grond rechtstreeks naar de steenfabriek in de Havikerwaard bij De Steeg bracht. Ook ging een deel met vrachtwagens naar de Beimerhof toe. Bij die boerderij in de Beimerwaard aan de andere kant van de Ellecomse dijk was een grote kolk. Met de steenfabriek was afgesproken dat daar de klei kon worden opgeslagen. Daar heeft die bult klei zeker tien jaar gelegen.

Het is allemaal in korte tijd gerealiseerd, de bouw van de brug en het graven van het kanaal. De weg is toen helemaal aangepast. Omdat het scheepvaartverkeer eronder door moest kunnen, werd het een hoge brug hoog waar een grote oprit voor nodig was. Begin 1952 is de IJsselbrug in gebruik genomen en het kanaal kort daarna. Daarmee werd de vaarweg voor de scheepsvaart vijf kilometer korter.

Met de afsnijding van de IJsselbocht heeft Rijkswaterstaat zich er makkelijk van afgemaakt. Vroeger hadden we de Cabenterbrug, die bekend is als de Langebrug, plus de Driekoningenbrug. Deze is vervangen door een duiker. En het maakt een groot verschil of je een duikertje hebt of een brug met een flinke doorlaat. Tot op heden zijn er daar problemen met de afvoer van het water. Vroeger ging het via die brug en maakte dan nog een heel grote bocht voordat het uiteindelijk bij Dieren de IJssel inging. Dan kon veel meer water worden afgevoerd.

Het kanaal van de IJssel is gemeentegrens geworden en daarmee ging het grootste deel van de Fraterwaard tot de gemeente Doesburg behoren. Tot aan de brug bleef het, met uitzondering van de stadsweiden van Doesburg, gemeente Rheden. Het duurde nog heel lang, voordat dat helemaal duidelijk was, want tot 1957 had er nog niets over in het Staatsblad gestaan. Toen er in 1956 bij buren in het Doesburgse deel brand uitbrak, vlogen de brandweerlieden elkaar in de haren over wie het nou moest blussen. Dat gaf nogal oponthoud en de boerderij is totaal afgebrand. Ook toen een buurvrouw ernstig ziek werd en haar eigen Dierense dokter er niet was zeiden de andere dokters ‘We gaan niet naar Doesburg toe’. Ik vind het heel jammer dat die ruzie tussen de dokters destijds niet in de krant is gekomen. Want in Doesburg zeiden ze ‘We gaan niet naar patiënten in Dieren’. En daar zeiden ze op hun beurt: ‘Als je gaat verhuizen, dan neem je een andere dokter’. Terwijl de buren helemaal niet verhuisd waren, want alleen de gemeentegrens was immers veranderd.

Wij hebben, toen we in 1967 trouwden, de oude buurt aangehouden en iedereen uitgenodigd, ook die uit het Doesburgse deel. De volgende generatie is met die gewoonte gestopt en is zich gaan oriënteren op Doesburg en de Achterhoek. Wij waren helemaal op Dieren georiënteerd. Maar lastig was dat het adres vaak wisselde. Tegenwoordig is het weer Ellecom. Dit alles was werkelijk heel onhandig voor mensen die ons in het telefoonboek zochten bij Dieren of Doesburg, waar we niet te vinden waren.

Wij hadden een weiland in het deel dat later Doesburg werd en ik geloof dat we tweehonderd gulden schadevergoeding kregen voor het omrijden. Vroeger konden we altijd met jongvee even snel binnendoor naar die wei toe. Daarna moesten we dus altijd met een veewagen. Ik denk dat er toch bijna drie kilometer bij is gekomen. In 1990 wilde Twickel bermen aanleggen voor insecten en vogels in de Fraterwaard Doesburg. Pas toen konden wij aan de Dierense kant compensatie krijgen. Dat was voor alle partijen een voordeel: meer ruimte voor de natuur en voor ons eindelijk een weiland dichterbij.”

 

 

Kijk ook eens op: