Historische fruitteelt: ”Zet je achter iedere boom een controleur, dan schiet je je doel voorbij.”

Verhaal de heer B. (geb. 1943)

De kinderen van de heer en mevrouw Van B. hebben recent de fakkel van hen overgenomen. Zij zijn het die nu aan het hoofd staan van één van de toonaangevende fruitteeltbedrijven van Nederland. De heer Van B. is nog wel degene die de contacten onderhoudt met de afnemers, dat zijn hoofdzakelijk de supermarkten. Als grote ‘speler’ willen zij een vinger in de pap hebben, bijvoorbeeld als het gaat om het tijdstip van levering, het gebruik van bestrijdingsmiddelen, de kwaliteit van het product. Uit het blote hoofd weet hij zo de prijs van de arbeid nu en toen, het uurloon in Nederland in vergelijking met andere landen van Europa en met nieuwkomers als China te noemen. Ook kan hij precies vertellen hoeveel bestrijdingsmiddelen je nu en toen nodig had om ziekten en plagen te bestrijden, wat de kostprijs ervan is, hoeveel kapitaal in een fruitteelt bedrijf omgaat, welk deel van zijn inkomen de Nederlandse consument gemiddeld aan zijn voedselpakket besteedt en wat het verlies is dat de Rabobank als grootfinancier in de fruitteelt vorig jaar geleden heeft. Al snel is duidelijk, op de praatstoel zit een rasechte ondernemer die zijn kengetallen kent als zijn broekzak. Rationeel, zakelijk, nuchter gekruid met een spaarzaam gedoseerd vleugje humor neemt hij je mee voor een leerzame reis door de tijd.

Tekst en beeld Henk Capelle

Vier generaties
“Het is nu de vierde generatie die aan het roer van het bedrijf staat” zegt de heer Van B. nuchter maar wel met trots, want sinds kort zijn het zijn kinderen die het bedrijf runnen. “Ik ben in 1967, het jaar waarin ik trouwde, als zelfstandig ondernemer begonnen. Toen heb ik het bedrijf van mijn vader overgenomen. Dat bedrijf bestond toen uit drie ha hoogstam, peren en appels, te Maurik, het hartje van de Betuwe en de fruitstreek. Mijn vader had het in 1955 overgenomen van zijn vader, mijn opa dus, die eerst bakker is geweest maar rond zijn vijftigste met de teelt van fruit is begonnen. Mijn vader heeft er in de loop der jaren nog grond bijgekocht, dat was drie ha, gelegen te Amerongen en ingepoot met fruitbomen.”
De heer Van B., toen junior, stond er met de neus bovenop, toen de Betuwe en ook het bedrijf van zijn vader de door velen verguisde omschakeling maakte van hoogstamfruit naar laagstam. “Het was een economische noodzaak”, geeft hij aan. “De arbeid in een hoogstambongerd werd te duur, dus was je gedwongen te zoeken hoe je op arbeid kon besparen. De vervanging van hoogstam door laagstam was de enige optie. De kostprijs van laagstamfruit lag veertig procent lager omdat plukken, snoeien en spuiten veel minder tijd kostten. Van een laagstam heb je ook veel eerder rendement dan van een hoogstam. Ken je de uitdrukking ‘Boompje groot, potertje dood’?”, vraagt hij. Hij legt het uit: “Wie een hoogstamboom poot, draagt daar zelf meestal niet de vruchten van.”

Hoogstam en laagstam
Hij zag hoe in een tijdspanne van ongeveer vijf jaar, tussen 1955 en 1960, zijn vader alle hoogstambomen op zijn bedrijf had vervangen door struiken, zoals kenners het laagstamfruit plegen te noemen. De rassen die hij kweekte waren de Claps, de Conference, Legipont, dat zijn zomerrassen, de Gieser Wildeman, dé stoofpeer bij uitstek, de Sterappel, die nu helemaal verdwenen is, de Bellefleur, een zure appel, veel gebruikt voor appelbollen en appelflappen, Goudreinet en Dijkmanszoet. Claps en Conference zijn peren die je in de zomer moest oogsten en eten want bewaren kon je ze niet. Dat werd anders toen de koelcellen kwamen, dat was in de jaren vijftig, dan kon je de Conference bewaren zodat ze sinds die tijd het hele jaar rond verkrijgbaar zijn. “Je krijgt, als je buiten de deur gaat eten, weleens op je bord een kleine peer, die er wat rood uitziet, nou dat is dan een Gieser Wildeman” licht hij toe.

“De ontwikkelingen gingen toen, in die jaren, zeg maar tussen 1955 en eind jaren zestig heel hard. Met de omschakeling van hoogstam naar laagstam kwam ook de techniek in een stroomversnelling. De blower met ventilatie bijvoorbeeld, dat was een revolutionaire manier om schadelijke insecten te bestrijden, dat is een techniek die samen met de laagstam zijn intrede deed. De komst van de laagstam bracht ook nieuwe appelrassen met zich mee, dan moet je denken aan Jonathan, Laxton en Lombard. Met perenrassen was dat niet het geval. De Conference, die toen de dienst uitmaakte, die beslaat nog steeds tachtig procent van het areaal aan peren in Nederland.” “De hoogstam is verdwenen”, dat zegt hij op een toon waaruit blijkt dat hij het jammer vindt, “maar gelukkig is de provincie Gelderland in de Lingestreek begonnen met de aanplant ervan. Het verhoogt het aanzien van de Betuwe.” “Hoogstam hoort bij de Betuwe”, vat hij kernachtig samen.

Sproeigeweer en tunnelspuit
“Toen, in die tijd, werd er nergens naar gekeken. Je spuitte er maar op los. De middelen die we gebruikten waren DDT, kwik en koper, die doodden alles, en er was ook vruchtboomcarboleum. Dat vruchtboomcarboleum, dat is trouwens een middel dat ook nu nog wordt gebruikt maar die andere, DDT, kwik en koper, die oude sterke middelen, die zijn al een hele tijd verboden, ze staan nu op de zwarte lijst.” Zo begint de heer van B. zijn boeiend exposé over de manier waarop in de tijd van zijn vader en grootvader de ziekten en schadelijke insecten in de bongerd werden bestreden.

Vakkundig loodst hij zijn toehoorder in een mum van tijd door de tijd heen. Over geschiedenis gesproken! Zinnebeeld van hoe de bestrijding van ziekten en plagen vroeger in zijn werk ging, zijn de sproeigeweren. Die heeft hij nog, keurig opgepoetst – ze zijn van koper – hangen boven de deur van de fraai aangeklede bedrijfskantine. Begin vijftiger jaren klom men op een ladder, gewapend met die geweren, what is in a name, letterlijk de bomen in om de schadelijke insecten en ziekten onschadelijk te maken” zegt hij, terwijl hij demonstreert hoe dat ging. Terwijl je nog bezig bent je een beeld te vormen van hoe dat in zijn werk moet zijn gegaan, leidt hij je naar de tunnelspuit KWH, het icoon van de moderne ziektebestrijding. “Daarmee beperk je de uitstoot van stoffen tot het minimale. Dat is het modernste van het modernste, slechts zeer weinig bedrijven hebben dit, want het is een forse investering” zegt hij vol lof over deze nieuwe aanwinst. Dan volgt een stuk geschiedenis: “Na het sproeigeweer kwam de ton met een pomp, die – eerst zonder – en later met een motor werd aangedreven. Daarna kwam de blower met ventilator, en nu heb je de tunnelspuit.” Dat zijn in chronologische volgorde de verschillende stappen in de ontwikkeling van de spuittechniek. Meer dan vijftig jaar ontwikkeling in de spuittechniek trekt in een oogwenk aan je voorbij.

Koperen tunnelspuit uit ca. 1950

Milliliters en milligrammen
Hij doceert: “Vroeger gebruikte je zestig liter van dat vruchtboomcarboleum op duizend liter water, nu is dat twee liter op diezelfde duizend liter. In de jaren vijftig tot zestig had je ongeveer honderd gulden aan bestrijdingsmiddel per ha nodig, dat is nu tweeduizend euro.” Dan wacht hij even om je de tijd te gunnen een voorstelling te maken van dit gigantische verschil. “Je was toen, in de hoogstamtijd, in de tijd van het sproeigeweer, met drie man twee uur bezig om één ha bongerd te doen. Later werd dat één man per uur per ha. Tegenwoordig doet één man diezelfde hectare in twintig minuten. Bestrijden van ziekten en schadelijke insecten is nu precisie- en millimeterwerk.”

“Met het sproeigeweer kwam veel van het spul in de lucht, de bodem en het water terecht. Tegenwoordig zijn het hightech-computers die op de milliliter nauwkeurig de dosering regelen, en sensoren die heel gericht het middel laten neerkomen waar het moet neerkomen, op de boom dus. Nauwelijks nog verlies. Dat zou trouwens ook niet meer kunnen. Je kunt je niet meer permitteren dat de middelen de lucht ingaan, daarvoor zijn ze te duur. Tot voor kort gold als regel dat je per ha maximaal achttien kilo bestrijdingsmiddel mocht gebruiken en geen milligram gram meer. “Dat is één zoutkorrel op één kilo aardappels. Controleurs van de A.I.D. houden dat met argusogen in de gaten. Er worden voortdurend nieuwe technieken ontwikkeld en Wageningen speelt daarin een toonaangevende rol”, zegt hij. “DDT, het kwik en het koper, dat je vroeger gebruikte, dat waren middelen, die waren bij wijze van spreken voor alles goed. Tegenwoordig worden middelen zo ontwikkeld dat ze gericht zijn op het bestrijden van één enkel insect of één enkele ziekte. Bestrijden van ziekten gebeurt nu veel doelgerichter. Het is, wat ik zei, precisiewerk geworden en ook natuurvriendelijker door de inzet van bijvoorbeeld sluipwespen, ja, die kun je ook in Wageningen kopen. Het zijn de natuurlijke vijanden van spint, sluipwespen zijn de vervangers voor de bestrijdingsmiddelen.”

Hart en verstand
“Mijn beroep is ook mijn hobby. Als ik een hele week in de bongerd heb gewerkt, dan ga ik er ’s zondags kijken. Fruit is een mooi en gezond product. Het mooie aan fruitteler zijn is, dat je werkt in harmonie met de natuur. De natuur is je bondgenoot, ook al kan die soms erg grillig en onvoorspelbaar zijn, maar bovenal is en blijft zij je bondgenoot. Dat besef, dat je werkt samen met de natuur, dat geeft mij veel voldoening” zegt hij vol passie.

Het bedrijf van drie ha groot waar hij in 1967 mee begon, bedraagt inmiddels honderd ha. “Dat is wel gerealiseerd vooral mede dankzij mijn kinderen” voegt hij daar snel aan toe. “Het bedrijf is inmiddels gesplitst in twee aparte bedrijven, een deel dat zich richt op de teelt van het fruit en een ander deel dat het fruit verpakt en vermarkt. Van het land naar de klant is nu het credo van de supermarkten en daar speelt het bedrijf helemaal op in. In de tijd van mijn vader had je met drie ha een grote boomgaard maar dat is nu niet meer zo. Schaalvergroting is noodzakelijk. Zonder kapitaal van buitenaf, zonder lenen van de bank, is het runnen van een fruitteeltbedrijf niet meer mogelijk. Nu zit er ongeveer 800 uur arbeid in 1 ha en dat was in de beginperiode van de laagstam 1.500 uur. Daar staat tegenover dat de arbeid vele keren duurder is geworden. In de jaren vijftig, zestig was het uurloon van de plukkers 1 gulden per uur en nu bedraagt het uurloon 16 euro.” “Er is nu ook import vanuit China en dat was vroeger niet en dat heeft consequenties. Daar is het uurloon trouwens 18 eurocent per uur.

Het opbouwen van een modern bedrijf betekent ook dat je actieve grondpolitiek moet voeren. Hij licht toe wat hij bedoelt. “Het streven is om alle areaal in een straal van twee kilometer rondom ons bedrijf te hebben liggen” zegt hij, “en dat lukt aardig.” “Economisch gezien is dat het beste. Dat betekent wel dat je steeds alert moet zijn op de momenten waarop er grond te koop komt of verpacht wordt. Dan moet je er als de kippen bij zijn. Je bent ook steeds op zoek naar mogelijkheden om met andere telers en akkerbouwers grond te ruilen.”

Supermarkten en controleurs
“Bij alles wat we doen, zijn we on-line verbonden met onze klanten, de supermarkten, ze kijken mee wat, wanneer en hoe we bemesten, snoeien, onderhoud plegen, ziekten bestrijden, oogsten, ja bij alles. Hen ontgaat niets. Want meekijken, ja dat doen ze, die grote supermarkten” zo gaat hij verder, “over van alles en nog wat willen ze meepraten en meebeslissen.” “Dat begrijp ik ook wel, de consument is namelijk tegenwoordig heel kritisch geworden. Wist je trouwens hoeveel procent van zijn inkomen de Nederlandse consument aan zijn voedselpakket besteedt?” vraagt hij ineens maar wacht het antwoord niet af. “Dat is negen procent, en dat vind ik zelf erg weinig” voegt hij daar verontwaardigd aan toe. “Slechts negen procent!”

Wie ook meekijkt, dat zijn de controleurs. Over die controleurs zegt hij het volgende: “Ze controleren werkelijk alles, vooral de A.I.D., ze kijken naar de mestboekhouding, wat je koopt aan bestrijdingsmiddelen, wat je gebruikt, wat je overhoudt, hou je iets te veel over, dan dien je daarover verantwoording af te leggen. Hou je te weinig over, dan dien je daar ook verantwoording voor af te leggen. Die grens van maximaal achttien kilogram bestrijdingsmiddel per ha, waar ik het net over had, dat houden ze scherp in de gaten. Wekelijks heb je een controleur over de vloer.” Praten over deze controles doet hij met gemengde gevoelens. “De bodem, het water en de lucht, dat zijn kostbare zaken” zegt hij, “we moeten er met de grootste zorg mee omgaan, het milieu moeten we koesteren want het is de basis van ons bestaan. Ik vind het zeer terecht dat er regels zijn, zeer zeker. Maar als je achter iedere boom een controleur zet, dan schiet je door.”

Hartenwens
Ook de hartenwens van deze ondernemer in hart en nieren is economisch gekleurd. Hij formuleert het als volgt. “Mijn grote wens is”, zo zegt hij, “dat in alle landen van Europa de lonen, de sociale lasten en de regulering van het gebruik van bestrijdingsmiddelen gelijk getrokken worden. Waarom hebben we anders een één gemaakt Europa? Nu zijn de verschillen tussen de landen te groot en dat vind ik oneerlijk. De spelregels moeten in alle landen van Europa gelijk zijn, anders zal de sector uit Nederland verdwijnen en daar maak ik mij zorgen over.” Dat zijn zorg terecht is, illustreert hij als volgt: “De Rabobank, die de financiering verzorgt van tal van fruitteeltbedrijven, heeft vorig jaar zesduizend euro per ha fruitteelt verlies gedraaid.” Zijn ergernis over de oneerlijke concurrentieverhoudingen loopt als een rode draad door zijn verhaal. Hij ziet met lede ogen aan hoe “in Duitsland één uur arbeid in de fruitteelt acht euro kost, terwijl dat in Nederland, door de hoge sociale lasten, zestien euro bedraagt. Dat scheelt voor de consument een dubbeltje per kilo.” Dat is een ongelijkheid die volgens hem alle perken te buiten gaat. “De politiek moet daar snel wat aan moet. Wie het schoentje past …”

Kijk ook eens op: