Historische fruitteelt: ”Je weet nooit iets met zekerheid”

Verhaal de heer V. (geb. 1927)

De heer van het V. en zijn vrouw ontvangen me in hun gezellige woning in een woonwijk vlak bij het centrum van Druten. Buiten ligt een dik pak sneeuw en dus is het goed weer om van het pensioen te genieten. Het fruitteeltbedrijf in Afferden wordt inmiddels al jaren voortgezet door hun zoon.

Tekst: Wil Willemse

“Wij woonden in Puiflijk en daar begonnen wij in de hoogstammen. In die tijd was het zo dat er vrij grote gezinnen waren op de boerenbedrijven, en eh die jongens bij ons die werden groter. Wij waren bij ons met vier jongens, en alle vier wilden we eigenlijk, ja in de agrarische sector verder, en dus zijn er 2 boer geworden en 2 fruitteler. Die boer wilden worden, die bleven in Puiflijk. Daar hadden ze de meeste grond, en voor dat fruit hadden ze minder grond, en zodoende is er toen voor Afferden gekozen. En toen heeft mijn vader in Afferden gebouwd in 1949. Mijn moeder die heette van W., toen zei vader: ‘Daar maken we Zandroos van.’ In die tijd kwam er iemand die bij ons altijd fruit haalde, hij zei: ‘Joh, ik heb een zandroos voor je meegebracht. Wij zijn in Egypte op vakantie geweest, en daar zijn we in de woestijn geweest en daar hebben we zandrozen gezien, die noemen ze daar zo. Die stenen hebben daar door wind en zon een bepaalde vorm gekregen. Toen dacht ik aan jullie en ik dacht, nou breng ik ze een echte zandroos.’”

“Heel vroeger hebben wij daar op de plaats van ‘de Zandroos’ een kersenbogerd gehad. Dus die kersenfoto’s zijn van Afferden. Dat heeft mijn vader gedaan. Mijn vader die had een vooruitziende blik. De van H. weg die moest aangelegd worden en toen zei mijn vader: ‘Dan ga ik vast een kersenbogerd aanleggen.’ Nou dan komt de weg, die komt dwars door de kersenbogerd heen. Je had dus kersen links en rechts. Dat was toen een voordeel, maar in mijn tijd, toen dat verkeer toenam, toen kreeg ik dus de negatieve gevolgen van de weg die er bij je door de bogerd loopt, hé.
Het bedrijf zit nou aan één kant van de weg. Dat kwam eigenlijk zo, wij lagen in Afferden, aan weerskanten van de van H.weg. Toen zijn d’r een keer een stel studenten geweest, van de universiteit Nijmegen, die kwamen in opdracht van de gemeente vragen wat de gemeentenaren vonden van ’t een en ander. En toen heb ik gezegd: ‘Voor ons is ’t lastig dat we aan weerskanten van de H.weg liggen met een fruitbedrijf, want elk jaar in de oogsttijd heb je zorg over die plukkers. De hele dag is dat oversteken’. Ik zeg: ‘Als jullie kans zouden zien om het bedrijf aan de ene kant van de weg te krijgen of aan de andere van de weg, dan zouden wij daar voor in zijn.’ ‘Nou, dat zullen we proberen’, zeiden ze. D’r is misschien wel tien of twintig jaar overheen gegaan, en toen is die bal aan het rollen gegaan en zijn ze woningen gaan zetten aan de noordkant.”

“Ik heb de tuinbouwschool en de fruitteeltschool, ja fruitteeltvakschool, gedaan in Leeuwen. Daar had je meester van de G. Ja, die man is allang dood, die had alle mogelijke aktes. En dan liep ik als kleine jongen veul, en toen werd ik dus al geconfronteerd met de bijenhouderij. Ik heb toen veel bijen van ‘m gehad, die man nam me overal naar toe en die liet alle plantjes en toestanden zien. Een natuurfreak was het en in die tijd was hij wijd vooruit! En het was een man van de jaren 30 hoor, die maakte toen al nicotine van de tabak en daarmee ging ie de luizen bestrijden. Dus dan ging ie met de nicotine die in de tabak zat, vooral die in ’t tief, dus in ‘t dekblad van de tabak. Dat had een hoog nicotine gehalte.
Dan ging hij dat op water zetten en dat werd dan sap en daar ging hij dan de luizen mee bestrijden. Die was zijn tijd met de natuur ver vooruit. Hij kon interessant vertellen, daar heb ik wel een tik van meegekregen, dat was niet verkeerd. Die ging overal avondcursussen geven, land- en tuinbouwschool, land- en tuinbouwcursussen toen ie gepensioneerd was. Dreumel, Alphen, heel Maas en Waal, heel Maas en Waal. Die heeft werkelijk heel veel gedaan voor de streek! Maar ’t was hier ook achtergebleven gebied, dat moeten we eerst voorop stellen. Waal, Maas en die bruggen lagen d’r toen nog niet.”

“In ‘47 ben ik eerst naar Indië gegaan, en daar heb ik 3 jaar gezeten, alles bij mekaar. Daar heb ik ook in het leger gezeten. Een gedeelte van de tijd heb ik volgemaakt; ik moest voor groenten en fruit zorgen, voor het leger. Dus toen bleef ik een beetje in mijn eigen business. En toen kwam ik terug in ons eigen dorp, in Puiflijk, en ik denk: Joh, moet ik hier nou de rest van mijn leven gaan slijten, in zo’n kleine negorij? Ik was daar de ruimte gewend in Indië en ik heb er veel gezien en zo.”

“Als ik praat over de oude fruitteelt, dan is het de fruitteelt van zo rond het einde van de oorlog. Zo rond ‘47/’48 is die fruitteelt op gang gekomen, dat begon met die hoogstammen en dan begon ’t met kersen. Kersen, daar heb ik nog een paar foto’s van: dit is voor in de kersenbogerd, dit is nog bij de kersenhut, hier de mandjes met kersen nog, en een hoenderik, dus dat was kersentijd. Ja, de kersen, dan hadden we de Franse wijnkers, de Early Rivers, de vroege Duitse, dat was toen nog een van de beste, en de Maaikers. “De Meikers”, zeiden ze, maar het is Maaikers afgeleid van de maaitijd, wanneer de kersen rijp waren.”

“Nou, en bij de appels was ‘t Goudreinetten, Sterappels, Brabantse Bellefleur, Koningszuur, eh Yellows, Ellisons Orange en de Cox Orange. Ellisons is best lekker, daar zat meer zo’n kleurtje op. En ja, toen hebben we later ook nog een beetje Karmijn (da Sonnaville, red) gehad en Lombarts. Lombarts Calville hebben we vrij veel gehad, die bleven een beetje te klein, dat was lastig. Die moest je zwaar dunnen en dat was hinderlijk. Dan nog de Notarisappel, Bramly’s Seedling en de Ossekoppen. Bramly’s Seedling en de Ossekoppen leken heel erg veel op mekaar. In Engeland was die Bramly voor de applepies, die was in Engeland zeer gezien voor de bakkerij. Die Engelsen die wilden alleen maar Bramly’s hebben en die Ossekoppen dat was ook zo iets. Maar wij hadden dus een bakker die altijd langs kwam bij ons en die wilde persé Lombarts hebben voor zijn appelbollen. Hij zei: ‘Voor appelbollen moet je Lombarts hebben.”
Dan hadden wij ook nog peren, maar niet zoveel. Nee, wij hebben nog die tijd meegemaakt dat de Conference nog maar een paar centen opbracht. De Conference en de Doyenné du Comice: allebei Franse rassen. Die steken er bovenuit en die perenteelt, die heeft zich goed weten te handhaven. Waarschijnlijk zullen er klimatologische omstandigheden een rol bij mee hebben gespeeld, dat weet ik niet, maar het zou kunnen, want Cox is een Engelse appel. Vroeger werd er gesteld op de vakschool: ‘Cox is harde valuta, die zal altijd blijven, waardevast.’ Maar de Cox is een ras dat houdt van een zeeklimaat, die moet je niet in Italië gaan zetten. Dat wordt een mislukking, want dat is een landklimaat. Daarmee hebben wij sterke handelspunten, in Europa, want wij kunnen alleen maar die Cox goed telen, langs de kust in een zeeklimaat. Dat klonk allemaal prachtig, vandaar ook de uitspraak van de harde valuta, maar op het ogenblik kun je ze aan de straatstenen niet kwijt! Dus conclusie: wie het weet mag het zeggen. Je weet nooit niks met zekerheid.”

“Vroeger in Puiflijk deden we ook al het werk zoals snoeien en spuiten zelf. En dan had je vroeger meer snoeikosten want het was ladder op, ladder af. Het was allemaal handenarbeid. Plukken was duur, ik kan er geen goed woord voor zeggen. Maar dat is verleden tijd, verleden tijd ja, want in huis ga je tegenwoordig ook met een stofzuiger te werk. Ja, ze zeggen: ‘Dat is leuk zoals het vroeger ging’, maar ik zie moeders niet meer rondkruipen door het huis met een dweil! Nee, dat is verleden tijd.
Dat plukken ging in gewone veilingkisten. Vanaf het eerst waren dat kisten van 25 kilo en daarna werden het kisten van 20 kilo. De laatste ontwikkeling was 15 kilo en toen hield het op. Toen kwamen de voorraadkisten van 320 kilo. En toen kreeg je in die 320-kilo-kist minder beschadiging als in die kleine kist.”

“Wij kregen de eerste spuit van de Marshallhulp. Dat was kort na den oorlog ‘40/’45. Toen kregen we een Bean sproeimachine, een prima spuit uit Amerika. Die kregen al die telers hier in de regio. We moesten zelf wat bij betalen, daar ging het niet over. Maar toen hadden die sproeimachines geen veiligheidskappen, niks. Dat was niet nodig ook niet, want we hielden rekening met de windrichting. Dus als de wind uit een bepaalde hoek kwam, nou dan ging je een beetje schuin staan, zodat de bomen wel werden bespoten. Dus je leed er niks mee.
De bomen werden gespoten vroeg in het voorjaar met vruchtboom-carboleum, dat was als de knoppen helemaal in de rusttoestand waren. En men gebruikte ook DNOC. Dat staat voor Di-Nitro-Ortho-Creosolen, een gele kleurstof. En dan had je ook nog Shell 117, daar moest je zo laat mogelijk mee spuiten, tegen het roze knop stadium aan. Daarbij werd het vee uit de boomgaard gelaten, want dan mocht er geen vee onder lopen. Een week, hooguit twee weken later, kon het vee weer rustig in de bogerd om te grazen en dan hadden ze meer vergif op als heden ten dage! De koeien leden er niks mee, dat ging toen goed. Maar dat waren geen maaggiften, nee dat waren eidodende middelen. Je hebt een groot verschil tussen eidodende middelen en zenuwgif of maagdodende middelen. Die zijn heel vervelend.
Maar eidodende? Je kon er geel van worden, maar je leed er niks mee. Dus er werd een paar keer gespoten en daar was het feest mee afgelopen. En ik ben nou toch ook 83? Ik heb dat alles bij mekaar zo’n 60 jaar gedaan, en niks aan de hand. Zoals je op ’t ogenblik hebt, zitten ze met de kap op de trekker. Ja, d’r zit een zuurstofmasker op, d’r zit een filterdoek op. D’r zit van alles op! Maar het punt is het raakt van lieverlee verstopt en dan wordt dat ding misschien te laat ververst.”

Kijk ook eens op: