Historische fruitteelt: ”Veel bestrijdingsmiddelen inzetten om een zo groot mogelijke oogst te bereiken, dat was heel normaal in die tijd.”

Verhaal de heer S. (geb. 1941)

W.S. komt op me aflopen als ik van de dijk zijn erf op fiets. Het is een warm welkom waarbij hij direct vraagt of ik zijn perenboomgaard wil zien. De boomgaard staat er al sinds de jaren dertig van de vorige eeuw en ligt er verzorgd bij. Het onderhoud is zijn werk, zijn hobby. Een wit laagje sneeuw bedekt de hoogstambomen die afgewisseld worden door halfstammen. De oorspronkelijke boomgaard is in de loop der jaren aangevuld met nieuwe, makkelijker te onderhouden en te oogsten fruitbomen. Er staat nu veel Legipont, een gangbare, zoete peer.

Tekst Sandra Wormgoor

“Vroeger”, zo vertelt W., “stonden er appels, peren, niet te vergeten pruimen. Ja, later, dus dan praat ik over de jaren zestig, toen is ook echt wel heel veel gerooid. Ik kan m’n eigen herinneren, in [negentien]zes, zevenenveertig, in die tijd, was je in de boomgaard aan het spelen en dat was gewoon in de boomgaard van onze landheer, want dat waren allemaal nog landheren.” Ik vraag wie die landheer was. Hij noemt een naam van een grote, bekende familie die heel veel boomgaarden bezat in die tijd. “Dan zat er de bedrijfsleider en die moest ons dan de boomgaard uitjagen, ja, wij waren ook geen lieverdjes. Als ‘t fruit rijp was … wij wisten precies de lekkerste appels te bemachtigen. Culemborgse roodjes, hè, daar stond een boom van hier, daar kreeg de landheer er eigenlijk nooit één van … maar wij wisten die boom te staan en dat waren lekkere appels, die waren een van de eerste, je had eerst de Yellow Transparant, en dan kreeg je die Kuilenborgse roodjes, maar die waren lekkerder als die Yellow.”

“Mijn vader huurde van die landheer, zat in dit huis en, ja, een landheer was indertijd heilig, mijn vader was in die tijd ook altijd heel eh, bang voor die landheer, toch wel. Kijk als wij iets deden wat niet van pas was, dan zei m’n vader: ‘als meneer dat ziet dan kan ik de dijk op’, dan zouden ze je de dijk opjagen … maar zo, zo was het vroeger… hij werkte eventueel nog voor die landheer, hij had in pacht een huis van de landheer, een stuk bouwland … en die landheer … die was baas.” Dus was je afhankelijk? “Helemaal afhankelijk, voor honderd procent. Alleen wij zijn van een andere generatie … tien jaar heb ik bij de landheer gewerkt … wij waren toen een jaar of zestien, zeventien, achttien, wij waren gewoon anders opgegroeid, want mijn vader, mijn vader moest, is altijd onderdanig gebleven aan die landheer.”

W.S. vertelt vol vuur over zijn jeugd in de fruitbomen. Vooral het werk als snoeier zal hij nooit vergeten. Als ik hem vraag of er wel eens iemand uit een boom is gevallen, antwoordt hij: “Jawel hoor, ikzelf ook wel een paar keer … omdat je bomen had, waar we nu geweest zijn, daar kan je met een ladder van een dertig, tweeëndertig sporten kan je ze plukken … toen ik bij onze landheer zat toen … ik was toen een van de jongsten en dan heb je ook wel ’s wat van dat rijwerk en dan kwam je later in de boomgaard en dan waren d’r zo’n drie, vier aan het plukken en die hadden dan de beste leer, beste ladder te pakken, die ladder die d’r overschiet die nam je en ja, ’t was niet de allerbeste … ik was ‘r opgeklommen en ik … wij noemden dat de schulk, de schorten, je had altijd een schort voor, hè, een schulk , da’s eigenlijk wel een Culemborgs [woord], dat weet ik niet, al moet ik wel zeggen ik heb verschillende jaren aan de overkant van de Lek gewerkt en daar noemen ze ’t ook een schulk, dus da’s eigenlijk ongeveer hetzelfde … en ‘t moment dat ik bovenaan stond … die ladder die brak middenaf en ik ging met alle geweld naar onderen en ik had op ‘n gegeven moment allemaal peren in de schort … ik gooide die uit en toen, weet ik wel, dat is een reactie ik nam alle twee de stukken leer en ik sloeg ze tegen een heuvelbol, maar ‘t was in die boomgaard, ik sloeg ze helemaal kats in diggelen … hier hoeft niemand meer op! En toen … toen kwam de bedrijfsleider en die zegt: ‘joh, wat is hier gebeurd?’ Zei die naderhand: ‘Hou ’t stil, hou ’t stil, anders krijg je ook nog klappen’, ja, want ’t was eigenlijk zijn schuld dat er zo’n slechte ladder stond, snap je?”

Ik vraag hem of het snoeimateriaal wel goed werd onderhouden in die tijd. “Die werden goed onderhouden, ja maar je weet wel, er is altijd wel een kneusje bij, da’s bij mensen ook (…) Die ladders werden in de wintermaanden helemaal geolied. Toen werd er eigenlijk wel secuurder omgegaan met spul als tegenwoordig, vind ik.”

Je ziet de herinneringen bij W. omhoog borrelen. “Dan zal ik je een mooi verhaal vertellen, is heel mooi, hoe eigenwijs dat jongelui dan ook kunnen zijn. Je moest gewoon als personeel, al werkte je bij dezelfde heer, dan moest jij gewoon mee gaan jagen … op fazant, haas en konijnen en … en eenden en ganzen kan mij niet schelen wat, noem alles maar op, konijnen zaten hier weinig, dan moest je de Veluwe op of hoger, hier heb je heel weinig konijnen. Ik verdiende zeven gulden op een dag en voor het jagen dan moest je met je eigen baas mee … hij gaf niet meer dan zes gulden!” Ik vraag hem waarom niet? “Ik wilde dat hij het loon gewoon doorbetaalde maar je moest dan, dat was je gewoon verplicht, een snipperdag nemen. Je kreeg die zes gulden uitbetaald ja, een gulden schade en ik had dat in de gaten en ik was een jaar of zestien, zeventien en ik zeg tegen m’n vader … joh, ik ga gewoon helemaal niet mee, hij betaalt me veel te weinig, ik doe dat niet. M’n vader … die zei dan: ‘dan betaal ik die gulden wel’. Ik zei een heel lelijk woord, dat zeg ik nou niet want dan wordt het opgenomen, nee dat doe ik niet, ik zeg onder geen enkele voorwaarde … ik ging niet mee … nee, ik vond het niet eerlijk … waarom ik dan mee moest, met veel minder dan als ik normaal verdiende? (…) Ja, je moest van alles doen, je moest op een gegeven moment een stok dragen, je moest een plank [meenemen] dat de heren over de sloot moest dragen, je had een hele slechte dag, je moest eigenlijk dubbel betaald worden … en ik was wel zo brutaal want ik dacht bij m’n eigen ‘hij kan de pot op, ik voor minder en dan m’n eigen helemaal de beroerte lopen voor deze man … dat doe ik niet’.”

W. heeft het veel over zijn vader en de relatie met de landheer. Over zijn moeder hoor ik hem echter niet. Als ik vraag welke rol zij op de boerderij speelde, zegt hij: “Dat was eigenlijk een heel groot geluk voor d’r, want als een boer een vrouw aanschaft dan ja, dan was er vroeger op een gegeven moment, als ze konden melken, dan moesten ze overdag twee keer op een dag uren onder de koe gaan liggen, hè, maar was ‘t zo dat ze niet konden melken, ja dan kon ze d’r eigen toch ook wel nuttig maken omdat het een gemengd bedrijfje was die wat fruit … wat akkerbouw, wat kippen … ze kon de kippen voeren, ze kon op gegeven moment als er aardappels gerooid moesten worden … dan ging moeder, dat weet ik nog, dan ging die ook effetjes mee aardappelen rapen … zeker weten, alleen ja, ik was de jongste van de tien kinderen, dus je snapt wel dat dan een heel koppeltje bij huis hebt lopen, dan zijn er ‘n paar op school en anderen zijn al manswerdig, mijn zus die leeft van alle kanten nog, die is twintig jaar ouder als ik, die heeft mij opgevoed.”

Waren er überhaupt in die tijd vrouwen die de boomgaard ingingen, om te helpen met oogsten bijvoorbeeld? “Ik heb eigenlijk nooit in m’n jeugd … omdat het hoogstam was, je moest altijd met een ladder de boom in en tegenwoordig … de vrouwen en de huisvrouwen die hoeven als ze moeten amper meer te bukken, want ’t laagste fruit hangt hier en ’t hoogste hangt hier [geeft laag en hoog met handen aan]. Dus die kunnen net zo goed werk verrichten als wie ook … ja, een broek was d’r zeker niet bij, nee ik heb m’n moeder nooit met een … ja een onderbroek maar verder nooit met een broek aangezien. Nee dan ging je niet de ladder op. En denk d’r effe om, dan had je zo’n schort voor want een mand, ja, ze hadden ook wel manden af en toe, maar ik heb eigenlijk nog nooit in die tijd een vrouw de ladder op zien gaan. Nooit.”

Als we het over de oogst hebben, komen we al snel ook op het gebruik van bestrijdingsmiddelen. W.S. bevestigt dat er in die tijd heel veel is gespoten, zoals met DDT. “Daar spoot je ook alles mee dood en jezelf ook wel een beetje. Je ging er zelf ook wel een klein beetje aan.” Wat gebeurde er dan met je? “Nou dat was echt een zenuwgif, ze gebruikten het al in de oorlog dus je kan nagaan dat het een heel vaag en vies middel was en dat ging op je zenuwen werken, nooit gemerkt, al moet ik wel zeggen dat ik toen in de tijd spoot met Paratheon (…) da’s een middel daar kon je wel goed ratten mee doodmaken… daar spoten wij op een gegeven moment ook mee en ik weet wel dat als we daar een paar dagen mee gespoten hadden dan kon het heel goed zijn dat ik een paar keer naar de wc moest hoor.”

Veel bestrijdingsmiddelen inzetten om een zo groot mogelijke oogst te bereiken, dat was heel normaal in die tijd. W.: “Daar waren verschillende bomen bij, daar kwamen 80 ¾ kistjes [af] dat was 15 kilo appelen, hoeveel is dat? Dat is 1200 kilo van een boom! En dat is echt waar.” Ik kan het bijna niet geloven en vraag hem of dat elk jaar zo was. “Nee, ‘t zat dit jaar vol en volgend jaar had je maar tien procent … een beurtjaar … maar ik wilde zeggen als die boomgaard vol zat, je weet niet hoeveel kilo’s dat er van een boom kwam.” Deze constatering, dat slechts een enkele fruitboom zoveel rijkdom kon leveren, verbaasde niet alleen mij, maar leek ook W. zelf zoveel jaar na zijn jeugd nog steeds te fascineren.

Kijk ook eens op: