Historische fruitteelt: ”Van appelen word je rijk, van peren blijf je rijk.”

Verhaal de heer A. (geb. 1922)

De heer A., oud-fruitteler uit Ewijk, ontvangt me in zijn woning bij het bedrijf waar hij samen met zijn vrouw woont. We zitten samen aan de keukentafel. Zijn bedrijfsleider komt ook nog even binnen voor een praatje. Buiten wordt hard gewerkt, alle fruitbomen op het bedrijf worden gerooid. Het bedrijf is verkocht en het is de bedoeling dat op het terrein een landgoed komt met een park. Dat park met wandelpaden zal met hoogstamfruitbomen aangelegd worden terwijl er eveneens een verbinding met Landgoed D. gemaakt zal worden.

Tekst Wil Willemse

“Mijn vader had erfgrond en zodoende ben ik in de fruitteelt terecht gekomen. Eerst ging ik naar de MULO en daarna ben ik naar de middelbare tuinbouwschool gegaan in Nijmegen aan de V.laan. Daar heb ik gekozen voor de groenteteelt en fruitteelt. Je moest twee teelten nemen op school en daarna ben ik naar de fruitteeltvakschool gegaan. Zo ben ik opgegroeid in de agrarische sector. Mijn vader, dat zal ik je gauw vertellen, die kwam niet uit de fruitteelt. Die had een veeoverslagbedrijf, het veer, een grind- en zandhandel, al die dingen. Die kende toen een boomkweker in Opheusden en die hebben toen een boomgaard ingeplant. De eerste jaren heeft hij het onderhoud overgelaten aan de boomkweker. Die kwam dan met vier, vijf man vanuit Opheusden, in de lentedag. Die kwamen dan snoeien, een beetje opzetten en die hebben dat enkele jaren bijgehouden. Een paar jaar later hebben we het spuiten uitbesteed aan een loonspuiter. Die kwam met de paardenspuit en later dan kwamen ze met de jeep, en nog later werd er gewoon een contract gemaakt en dan zei je daar kun je het voor doen. De bestrijdingsmiddelen hadden we van Verdugt uit Tiel. Maar van huis uit ben ik dus helemaal geen fruitteler. Maar ik ben, ik geloof in de hele streek nou zo Ewijk, Beuningen, de enige die is overgebleven in de fruitteelt. Ik heb dat helemaal uitgebreid en ik heb heel veel met hoogstammen gewerkt.”

“Ik denk dat ik nou 55 jaar in de fruitteelt zit: ik ben al een beetje oud (lacht). Sinds 1950, ja.
Toen is het ingeplant en toen moest ik naar school, zoals ik al verteld heb, en na de fruitteeltvakschool heb ik praktijklessen gehad en al die dingen meer en toen zijn we er later toe overgegaan om dat zelf te onderhouden.
De hoogstammen werden ingeplant in het ‘blijver-wijker systeem’. Die hoogstam Goudreinetten stonden op 12 meter en dan werd er maar eentje tussen geplant, een Yellow Transparant voor de bestuiving van die Goudreinetten. Dat was het hoofdras: Goudreinetten. Er werd ook nog een rijtje gewone Jonathan tussen geplant. Die ken je ook wel, met dat terugknippen en met die meeldauwtoestanden. Dat moest dan zogenaamd wijken voor die hoogstammen maar dat is nooit gebeurd, natuurlijk. Dan hadden we een hoekje met Zigeunerinnen, die kwamen net na die Yellow. Dat was ook een vroege appel maar d´r stonden wel allemaal hoogstammen tussen: d´r stond hoogstam Dijkmanszoet en d´r stond Sterappel tussen. Later hebben we dat omgeënt en daar hebben we Ingrid Marie opgezet. Dat was een Deense appel met die scheurtjes allemaal voor in dat neusje, maar dat was wel een mooie appel, hoor. En dan hadden we ook nog een struikenperceel. Dat was met Laxton´s Superbe: het ene jaar zaten ze hartstikke vol en het andere jaar niks. Je moest ze goed dunnen, maar dat waren ook goeie appels hoor. En dan had je ook een hoekje struiken met Goudreinetten en Cox Orange Pippin, James Grieve op struiken en Lombarts Calville. Ja, die zat er ook bij op hoogstam. Hoogstam ja, die hadden we op hoogstam gezet. Ja, dat was mooi, die hadden we omgeënt en daar hadden we Lombarts opgezet. Ik geloof dat er eerst Koningszuur op gestaan had en Koningszuur dat was niks. Dat was niet zo´n grote appel, daar was geen vraag naar en die hebben we allemaal omgeënt en toen hebben we er Lombarts Calville opgezet. Dat ging hartstikke goed. En ook dat om-enten deden we allemaal zelf. Ja, ja: driehoek-enten en schil-enten en dat soort werk allemaal. Het schilletje oplichten en dan zo ertussen steken. Driehoek-enten, dat ken ik ook en dan met raffia en dan met hars, met entwas ja. En vooral het topje goed afsmeren, anders dan sloeg ie niet aan, dan droogde ie uit.”

“Toen die bomen groter werden, ben ik zelf aan het snoeien gegaan en kochten we zelf een trekker en een spuit. Maar dat spuiten heb ik eigenlijk geleerd van loonsproeiers. Dan was ik zo’n jong manneke en dan moest ik mee spuiten, leren spuiten. Oh, en heel vroeger hebben we nog met het paard voor de spuit gespoten, hè? Later toen we zelf een trekker en een spuit gekocht hebben, was de eerste spuit een slangenspuit. En als je alleen bent, ga daar dan maar eens mee aan de gang! Dan moest je steeds die trekker weer vooruit zetten, hè. Dan moest je iemand hebben die reed, die zat dan de hele dag op zo’n trekker te verrekken van de kou.
Later kregen we de blowsprayer. Ik was de eerste in de buurt. Dat was een Hardie of een Douven, dat weet ik niet meer. Maar er zat een Sachsmotor achterop en die moest je dan aanzwengelen, met een lontje erin, en dan ging die ventilator draaien, en dan moest je spuiten. Je moest ‘s nachts om 03.00 uur beginnen omdat ’t dan helemaal windstil was, helemaal windstil, dan kon je bovenin komen. Maar dat ging aardig goed, dat ging aardig goed.
Je moest heel langzaam rijden en voor vier bunder zat je de hele dag op de trekker. En dan moest je steeds tanken, tegenwoordig hebben ze een zeven- of een tienvoudige concentratie. Toen was het de gewone concentratie van de bestrijdingsmiddelen en dan moest je heel, heel zachtjes rijden. Dus bleef je op en neer aan ’t rijden. Dat kan ik me nog herinneren van die tijd.
En dan had je al die bestrijdingsmiddelen zoals: de Californische pap en DDT en organische kwik en VBC, vruchtboomcarboleum. Daar zat je helemaal van af te vellen als de zon scheen. Met licht vriezend weer moest je dat spuiten: dat was voor de luizen en de schildluizen. En dan had je voor de wintervlinder DNOC. Dat was ook gewoon een plaag, de wintervlinder. DNOC en wat hadden we allemaal nog meer? Oh ja, zwavel: spuitzwavel. Ik kan er niet zo gauw opkomen, er waren er een heleboel van.”

“Nou, en dan had je in de zomer nog het verdere onderhoud, hè? Maaien, en toen later kwamen die chemische onkruidbestrijdingsmiddelen, die Aamitrol of Weedazol. Dan spoten we niet hele baantjes, maar zo alleen rond die stammetjes en de opslag afknippen. Toen begonnen wij al met waterlot eruit trekken in die hoogstammen. In de zomerdag, zo juni, juli, augustus dan was het met de hand er zo uit te trekken. Alles wat je er uit trok, hoefde je in de winterdag niet te snoeien en dat was ook wel nodig! Want er werd van voorlichtingszijde, en dat is niet verkeerd bedoeld, geadviseerd 2000 kilo kalkammonsalpeter per hectare onder Goudreinetten en in die fruitteelt te gooien. Nou, dan kreeg je knuppeltjes er op te staan en dan in de winterdag met dat snoeien. D´r was haast niet door te komen met een klein handschaartje. In de winterdag moest je daarna nog wel iets in het vruchthout knippen maar dan had je toch niet van die grote pinnen op die snoeiwonden staan.”

“En dan liep je zo naar de pluk toe en zo. Ja, de pluk, dat was veel ouden van dagen, en zo. En dan flinke ladders erin zetten en dan werken met plukmanden toen. Later zijn de plukkorven gekomen, de onderlossers. Met die plukmanden dan zat er eentje onder die manden leeg te maken en die gaf weer een nieuwe mee en dan konden ze weer verder gaan plukken. En er waren ook wel leuke dingen te vertellen: dan staat er één bovenin de hoogstamboom en die wil dan de ladder verzetten en de ander had ‘m dan met een touwtje of met de zakdoek vastgebonden aan een tak en die kon die niet los krijgen. Dan stond ie te rukken en te plukken. Ja, dat waren leuke dingen. D´r waren bomen bij van 40 sporten hoog maar later hebben we dat toch teruggebracht. Gewoon plat gemaakt, die hoogstammen. Niet meer die etage er bovenop. Dat had ik dus al in de gaten, dat moesten we niet doen. Dat kostte veel geld, heel hoog.”

“Fruit opslaan, dat deden we niet. Nee, ik verkocht partijen fruit. Goudreinetten verkocht ik op stam, en dan waren we eigenlijk al verlost van het spuiten, ja. En ook andere partijen. Die wijkers, we hadden wat Laxton staan en wat Jonathan en de Yellows natuurlijk, dat deed ik allemaal zelf, die gingen naar de veiling. In juli, rond de Vierdaagse, dan kwam dat vroege fruit. Ja, en dan hadden we nog Zigeunerin en we hadden nog Princess Noble. En op de Zigeunerinnen daar hadden we nog Mantet staan en als je die aanraakte, dan zaten er al vingers op. Verder hadden we ook nog zoete appelen, Dijkmanszoet, Rode Dijkmanszoet. We hadden nog Cox op struiken, en nog wat Sterappelen en die moest je nog op stro leggen om op kleur te laten komen. Een heleboel werk, een heleboel werk. Ja, en soms had je toch wel hele goeie jaren.
Ik heb het een keer meegemaakt dat we strenge vorst hadden in het voorjaar. En het maakte verschil of je nou meer in de veldkant of achter die dijken zat, met de trek van de Waal. Ik heb een keer het fruit verkocht in de bloei. Bijna overal was het fruit bevroren maar hier aan die dijkkanten met die trek van die Waal, die noordoostenwind. De eerste bloei was bevroren, maar op dat eenjarige hout gingen ze verder bloeien, en toen heb ik hartstikke veel fruit gehad.”

“Ik weet niet wat me erin trok, maar het heeft me altijd aangetrokken die fruitteelt. Terwijl ik er toch helemaal niet van afkomstig ben. Dat kwam misschien ook door de voorlichtingsdienst en de cursussen die je volgde op de scholen. Er zei eens een keer een leraar, dat was meneer V. die gaf bodemkunde en nog een of ander vak, die zei tegen me: ‘Van appelen word je rijk en van peren blijf je rijk.’ En ja, ik heb het altijd een fijn vak gevonden, ondanks dat we moeilijke jaren gehad hebben.”

Kijk ook eens op: