Historische fruitteelt: ”Oh ja, dat was vroeger heel anders!”

Verhaal de heer S. (geb. 1931)

De heer S. is een boeiend verteller. Als hij terugblikt op hoe hij in 1952 in Kerkwijk startte met zijn fruitteeltbedrijf, naar de impact van de oorlogsjaren op zijn leven, de manier waarop het economisch leven in de jaren zestig tot bloei kwam, zijn lidmaatschap van de Rabobank, het sociale leven in het dorp Hedel waar hij nu nog steeds zijn fruitteeltbedrijf heeft, zijn rol bij de toneelvereniging, dan doet hij dat vol passie. Zijn manier van vertellen, nodigt uit tot doorvragen. Bij tijd en wijle stokt zijn gloedvol verhaal. Dan neemt hij even een paar seconden de tijd en zegt: “Oh, wat is er veel veranderd!” “Wat ging dat vroeger toch heel anders!” mijmert hij dan. Zijn blik wendt hij dan een aantal seconden af en het lijkt alsof de tijd van toen als een film aan hem voorbijgaat.

Tekst Henk Capelle

Daarna praat hij weer verder. Over de opkomst van de televisie, de eerste auto’s in Hedel, de politiek in die tijd, de ‘straatgevechten’ tussen katholieken en de hervormden, de verpachting van de kerkbanken onder de kansel in de kerk, hetgeen hij altijd een gekke bedoening vond, de bittere armoede in de dertiger jaren, de ruilverkaveling, het feit dat nagenoeg iedereen een bijnaam had, en nog zo veel meer. Hij schroomt niet kritisch te zijn. “De televisie heeft veel kapot gemaakt. De mensen van nu zijn te veel verwend. De banken van tegenwoordig hebben geen oog meer voor hun klanten.”
“Oh, ja dat was vroeger heel anders!” is steevast zijn conclusie iedere keer als hij de vergelijking maakt tussen de tijd van toen en de tijd van nu.

Hoe het begon
In 1961 is de heer S. komen wonen in het huis aan de T.weg te Hedel waar hij nu nog steeds woont. De bongerd lag achter het huis. 1961 was ook het jaar waarin hij trouwde. Zijn vrouw was afkomstig uit Kerkdriel. In dit verband de volgende anekdote. Zijn vrouw wilde, toen ze naar Hedel verhuisde per se haar eigen dokter – die ze in Kerkdriel had – houden. “Dat noopte mij ertoe om ook van dokter te veranderen”, zegt hij nu nog met een zekere twijfel in zijn stem. Ik had vóór ik trouwde mijn eigen dokter maar na mijn huwelijk stapte ik over naar dezelfde dokter als mijn vrouw want zij wilde niet van dokter veranderen.” “Maar”, voegt hij daar snel en toe, “mijn vroegere dokter en ik, wij zijn altijd goede vrienden gebleven.” In 1979 kocht hij de grond aan de overkant van zijn woning. Dat was een bongerd van ongeveer 1,25 ha groot, die zijn ‘voorganger’, een ver familielid, in 1952, vlak na de voltooiing van de ruilverkaveling had aangelegd, zo vertelt hij met bewondering over zijn voorganger, die hij typeert als een soort ondernemend man. Het was een bongerd die vol stond met oude rassen zoals de Burré Alexander Lukas en de Conference. “De Burré Alexander Lukas is een oeroud perenras waar de Engelse consument dol op is”, zo vertelt hij, maar die de Nederlanders maar een rotras vinden. Zijn volledige oogst wordt jaarlijks, ook nu nog steeds, naar Engeland geëxporteerd. Kenmerkend voor het ras is de hoge opbrengst. De Conference, ook een perenras, zijn eerder struiken dan bomen. Vóór hij het huis aan de T.weg kocht, had hij al sinds 1952 een boomgaard van drieënhalf ha groot te Kerkwijk. Dat was een bongerd die opviel door zijn grote variëteit aan fruitbomen. Appels, peren, maar ook kersen en pruimen. “Dat is iets wat nu niet meer zou kunnen”, mijmert hij, “zo veel verschillende soorten fruit op een dergelijke oppervlakte, nee, dat zou nu niet meer kunnen, nu heb je in een bongerd maar één enkel ras meer.”

De oorlogsjaren
Mijnheer S. weet zich nog levendig te herinneren dat ‘de ondergrondse’ op hem grote indruk maakte. Wat was de rol van die ondergrondse? “Als Engelse vliegtuigen door de Duitsers werden neergeschoten, dan zorgde de ondergrondse er onder meer voor dat de piloten, die zich met hun parachute hadden weten te redden naar de Biesbosch werden gebracht om ze vandaar met speedboten naar Engeland te brengen. Op die manier heeft de ondergrondse veel mensenlevens weten te redden. In het begin van de oorlog was er nog geen sprake van een goed lopende organisatie. Later wel. Het was na zekere tijd een geoliede machine.” Hij zelf had binnen die ondergrondse ook een rol. Daarover vertelt hij het volgende: “Ik was klein van gestalte, een klein mannetje, maar toch konden ze mij goed gebruiken, daar bij die ondergrondse. Omdat ik klein was, kon ik overal goed doorheen komen.” In de oorlogsjaren deed de woning aan de T.weg dienst als dienstwoning van de ondercommandant. In de tuin bij het huis stond het luchtafweergeschut van de Duitsers. “Aan deze kant van de Maas zaten de Duitsers en aan de andere kant zaten de Engelsen. Tussen de beide partijen werd hevig gevochten. In Geffen, dat is een dorp in Brabant, niet zo ver hier vandaan, stond het geschut van de Engelsen. Die kwamen dan met hun jagertjes raketten afvuren om de Duitsers te ontwrichten. Ja, er is hier in de oorlogsjaren hevig gevochten, hier in Hedel, en nagenoeg alles is in de prak geschoten. Het huis aan de T.weg was één van de weinige woningen die in dat oorlogsgeweld overeind was gebleven. De oorlog had op de jonge S. een grote impact want met zijn vader en moeder heeft hij moeten vluchten, eerst naar het nabijgelegen Bruchem en later naar het Zuid-Hollandse Leerdam. Deze evacuatie duurde acht maanden. De oorlogsjaren was ook de tijd dat hij op school verplicht Duits moest leren, iets waarvan hij altijd veel voordeel heeft gehad, vertelt hij vol trots.

Katholiek en hervormd
In Hedel is er altijd een grote scheidslijn geweest tussen de katholieken en hervormden. Dat zag je overal, in de besturen van de kerk, de toneelvereniging en natuurlijk ook in de gemeenteraad. Maar ook op straat was dat duidelijk te zien. Hij vertelt: “Toen we als kinderen op onze klompen over het grindpad naar school gingen, was het iedere dag vechten en stenen naar elkaar gooien. Met onze klompen sloegen we er op los. De katholieken tegen de hervormden. Ergens was je dat door je ouders ingegeven. In de latere jaren werd dat vechten minder, maar de spanning tussen beiden, die is nog heel lang blijven bestaan. Ook trouwen over de geloofsgrens heen was ondenkbaar. Geen denken aan dat een katholiek meisje met een hervormde jongen zou trouwen of omgekeerd! Als iemand van een ander dorp verloofd was met iemand uit Hedel, dan werd die letterlijk met harde hand teruggeslagen. O ja, dat was toen heel anders dan nu!” En dat het nu anders is, illustreert hij tegelijk met een voorbeeld uit zijn eigen familiekring. Zelf is hij, zegt hij, “Nederlands Hervormd maar mijn kinderen zijn allebei met een katholiek getrouwd.” Over het gemeentebestuur uit die tijd is hij zonder meer positief. Hoe verdeeld katholieken en hervormden ook waren, toch was de gemeenteraad, waarin de hervormden licht in de meerderheid waren, goed in staat om het dorp zeer goed te besturen. Over de politiek van toen, heeft, anders dan over de politiek van nu, niets dan lof. Het bestuur van toen trok zich het lot van de gewone man wel degelijk aan.

Arm en rijk
Het rivierengebied had erg te lijden onder de bittere armoede van de jaren dertig. “Nog steeds zie ik de rijen van mensen voor de diaconie staan”, vertelt de heer S., zichtbaar geëmotioneerd. “Straatarm waren ze, de mensen toen, op een aantal vooraanstaande boeren na. Erg arm waren ze. Bij de diaconie haalden ze brood, melk of wat groenten op. Mijn vader ging groenten venten in Den Bosch en als hij van zijn ronde thuis kwam, was zijn antwoord op de vraag van mijn moeder ‘of hij wat hij had gebeurd’, steevast ‘neen’. De mensen waren te arm om de groenten te kunnen betalen. Daarom gaf mijn vader de groenten gratis weg. Dat speelde op het eind van de jaren dertig, toen brak de oorlog uit en toen hadden de mensen ineens wel geld. Dat was zinken geld van de Duitsers. Toen kwamen de mensen alsnog naar mijn vader om de groenten te betalen, die ze drie, vier jaar geleden bij hem hadden gekocht. Hij zei hen dat het goed bedoeld was maar dat het niet meer hoefde. Ja, zo arm was het toen!”

De stap voorwaarts
“Maar na de oorlog”, zo gaat hij verder, “toen ging het ook snel beter”. “Je zag dat zienderogen gebeuren. De mensen hadden wat meer geld en konden zich ook wat meer veroorloven.”
“De grote stap voorwaarts kwam in 1962, je weet wel, het jaar waarin in Slochteren gas werd gevonden. Vanaf toen ging het met grote sprongen vooruit.” Toen kwam ook de televisie, die volgens hem veel kapot heeft gemaakt. Slechts enkelen hadden het geld om een televisie te kopen en men ging kijken bij zij die er wel één hadden. Zo herinnert hij zich dat ze met z’n allen een tv-voorstelling van cabaretier T. M. gingen kijken. Zelf heeft hij er in 1961 één gekocht, een zwart-wit want kleurentelevisie bestond niet. “Die was toen zo zwaar, dat je met twee man moest zijn om die op te tillen. Die heb ik nu nog steeds, die staat op de zolder; binnenkort komt iemand hem ophalen om er een vogelkooitje van te maken.”

Rabobank
Volgend jaar is de heer S. vijftig jaar lid van de Rabobank en daar is hij trots op. Toen hij 25 jaar lid was, heeft hij van de bank een schotel ontvangen, die nu nog pontificaal aan de muur in de keuken hangt. Hij vergelijkt de bank van vroeger en die van nu, en dan is hij ineens fel. “Het lijkt of de klanten er tegenwoordig niet meer toe doen”, zegt hij krachtig. “Vroeger had je in ieder dorp een kantoor en die zijn allemaal gesloten. Naar de klant wordt heel slecht geluisterd.” Zijn lidmaatschap van de Rabobank begon in 1961, het jaar waarin hij trouwde en geld nodig had om het huis met de boomgaard aan de T.weg te kunnen kopen.
Beeldend beschrijft hij hoe het lenen van geld toen in zijn werk ging. “De directeur van het kantoor ging op de fiets alle leden van het bestuur – dat uit de vooraanstaande boeren van het dorp bestond – af met de vraag of de lening verstrekt mocht worden. Het kantoor van de bank was niet als nu, in een statig pand in het centrum gevestigd, neen het kantoor was in het huis van de directeur zelf. Daar kwam dan ook de notaris om de akte te passeren. Om geld te kunnen lenen, moest je lid worden van de bank. Zonder lidmaatschap kreeg je geen geld. “Oh ja, en de Rabobank, dat heette toen nog geen Rabobank, dat heette toen nog de Raiffeisenkas, genoemd naar een plaatsje in Duitsland.” Wederom maakt hij een vergelijking tussen de tijd van toen en de tijd van nu. Hij plaatst kritische kanttekeningen bij de kapitaalsintensiteit van de huidige agrarische bedrijven. “In de huidige bedrijven zit veel geld. Dat was toen niet. Toen hoorde je ook niet dat een bedrijf over de kop ging. Failliet gaan, dat hoor je nu veel meer. Dat komt omdat er in de bedrijven nog heel veel geld zit. Dat was vroeger veel minder. Oh ja, wat dat betreft is er veel veranderd!”

Het bedrijf
Zijn opleiding tot groente- en fruitteler volgde hij kort na de oorlog, eind jaren veertig en dat was vooral in de winter. Het was de tuinbouwconsulent, de heer D. die deze opleiding organiseerde. ‘Getrouw en met vrucht’ stond er op het diploma. Zijn bedrijf is altijd gerund door eigen mensen, hijzelf, vrouw en kinderen. In de oogsttijd, altijd een drukke tijd, kwamen neven, nichten, ooms en tantes helpen. “We hadden altijd veel schik, ja heel veel schik. Jammer dat er veel hoogstam verloren is gegaan. De bomen zijn weg maar ook de mensen zijn weg! Dat komt omdat de arbeid te duur is geworden. Plukken van hoogstamfruit kost vele uren arbeid en dat is te duur geworden. De rassen die wij hadden, die waren ijzersterk. Denk maar aan de Boskoop, de Bellefleur, de Groninger Kroon, oh ja, die laatste, dat is zo’n sterk ras. Gif tegen infecties had je bij deze rassen haast niet nodig, zeker niet bij de Groninger Kroon want dat is zo’n sterk ras. Tegen ziektes gebruikten we toen, dat was in de jaren zestig een geel spul, vruchtboomcarboleum heette dat. Nu is dat anders! Tegenwoordig moet je, afhankelijk van de weersomstandigheden en de infecties, vele keren per jaar spuiten, wel 23 keer. Op de appel en de peer ligt tegenwoordig een laag vergif en wassen helpt niet. Men denkt dat het helpt maar dat is niet zo. Je kunt de appels en peren maar beter schillen in plaats van wassen.” De heer S. is nog steeds als fruitteler actief. “Ik heb twee nieuwe heupen en daarom moet ik in gang blijven, anders ben ik zo stijf als iets en als ik aan de gang blijf, dan heb ik ook goede zin ook.” “Zo werkt dat”, en daarmee verklapt hij meteen zijn geheim.

Kijk ook eens op: