Historische fruitteelt: ”Men had een paard echt wel nodig in die tijd, want er waren nog geen tractoren.”

Verhaal de heer B. (geb. 1924)

In een gezellig ingericht appartement in Wijchen, waar de heer B. samen met zijn vrouw sinds een paar jaar woont, vertelt hij dat hij tachtig jaar op de boerderij van zijn ouders en voorouders heeft gewoond, gelegen aan de L. D.pad  in Balgoij. Hij wordt één dezer dagen 85 jaar. Nadat hij in 1940 van de ULO-school was gekomen, is hij meteen in het bedrijf gaan werken en heeft daar alles gedaan wat er te doen viel. Het is al sinds 1708 een familiebedrijf. Nadat de heer B. in 2004 het bedrijf verkocht heeft, wonen er andere mensen in de boerderij en heeft zijn zoon aan de andere kant van het bedrijf een heel nieuw gebouwencomplex neer gezet, van waaruit hij het bedrijf voortzet. De heer B. vertelt er trots bij dat alle grond behouden is en dat zijn zoon daar het familiebedrijf voortzet.

Tekst en beeld Annemieke van Buël

De vader van de heer B. had een compleet boerenbedrijf en dat betekende: varkens, kippen, melkkoeien en anderhalf hectare hoogstamboomgaard. Er stonden bomen in van allerlei soort. De opbrengst was vroeger voor een belangrijk deel voor eigen gebruik, maar er ging ook veel naar de markt in Nijmegen op de maandag. Wat er overgebleven was die dag ging op de woensdag naar de markt in Grave.
De heer B. vertelt dat ze thuis met acht kinderen waren; van de vier meisjes ging er één naar het klooster en de ander ging naar een oom en de andere twee bleven op de boerderij. [red: in het nagesprek vertelt de heer B. dat, in de periode dat zijn vader molenaar was, er twee van de vier meisjes aan de Spaanse griep zijn overleden]. De vier jongens gingen allemaal in het bedrijf van vader werken en hadden allemaal hun eigen taak. De meisjes kwamen in het plukseizoen wel helpen. De mannen deden het zware werk en de meisjes het plukken. Dan werd er geplukt, gesnoeid, gesorteerd en ging alles naar een handelaar en later naar de veiling. Op een gegeven moment kwam er een coöperatie en de vader van de heer B. werd daar meteen lid van. Ook van het opgerichte boekhoudbureau werd hij lid.

In 1937 is de vader van de heer B. zich gaan specialiseren in fruit – in struikvorm – en werd het vee een nevenbedrijf. Zijn vader had in Zeeland, in Kapelle Biezelingen, boomkweker Van de H. gevonden, die alles compleet had, omdat zijn vader daarvoor “in ons gebied nog niet goed terecht kon”. Dit bedrijf kwam helpen om alles op te meten met hoekmeters, uit te tekenen, te plannen en in te planten, alsmede voorlichting te geven. De zonen bezochten de ‘fruitschool’. De heer B. deed dat eerst in Lent en later in Kesteren. In 1937 werden de struiken ingeplant met het ‘blijvers en wijkers systeem’. In 1940 had de vader van de heer B. al zes hectare blijvers en wijkers ingeplant. De heer B. legt uit hoe dat systeem werkt en meldt dat er ook semiwijkers tussen geplant werden.

Vervolgens leest de heer B. een indrukwekkende lijst met namen van fruit en fruitbomen op, die er uiteindelijk allemaal stonden. De namen van de hoofdrassen, die het meest terugkomen in zijn verhaal zijn: de Goudreinet, de Jonathan, Bellefleur en de Sterappel. Deze laatste was voor hem dè appel. Hij vindt hem vergelijkbaar qua smaak met de Elstar van nu, “maar je moet hem wel op tijd eten anders wordt hij melig”, voegt hij eraan toe. De Elstar is echter minder lang houdbaar dan de Sterappel. “De bomen met de Sterappels waren wel twintig sporten hoog”, meldt de heer B., “en je moest er handig mee zijn om met kracht de ladder goed in de boom te draaien, tegen een tak die dat hebben kon”. De broers maakten daar altijd een wedstrijdje van toentertijd. De heer B. doet glimlachend min of meer voor hoe je je been tussen de sporten door stak; dan kwam je zo te hangen tegen de sporten, dat je helemaal buiten boord kon gaan hangen om te plukken of te snoeien. De Sterappels werden – als ze geplukt waren – op stro op de vloer van de stal gelegd en dan werden de rooie er om de zoveel tijd afgeraapt, zodat de Sterappels goed konden kleuren. Dan gingen die mee naar huis, werden gesorteerd en in de kisten gedaan. Soms werd er aan een commissionair, die voor een groot exporteur in Rotterdam werkte, verkocht. De heer B. vertelt trots dat hij ooit alles in één keer verkocht had voor 26.000 gulden… En zegt: “Ik vergeet het nooit meer – als de dag van vandaag – dat mocht ík doen en ik maakte een goeie beurt ook nog…! Niet te geloven… veertig cent de kilo”. Hij glimlacht blij bij de herinnering.

Appelsorteermachine en houten kisten op het erf

Dan toont de heer B. vervolgens een snoei- en een entmes dat hij altijd nog bewaard heeft en vertelt hoe snoeien, enten en oculeren in z’n werk ging. De hoogstamboomgaard werd echter steeds ouder en de bomen brachten steeds minder vruchten op. Daarom werd een rooivergunning voor de bomen aangevraagd waarna er struiken teruggeplant konden worden, “omdat dat veel effectiever was natuurlijk”. De heer B. vertelt dat er heggen om de Sterappelbomen heen stonden voor de vogels en tegen de wind, en dat er van alles in die heggen zat. Hij vertelt ook (en kijkt ondeugend) dat ze als jonge jongens de eieren van duiven er uithaalden.

De heer B. vertelt dat in de dertiger jaren excursies gemaakt werden door de onderwijzers naar de nieuwe Wieringermeerpolder, die toen net klaar was. Deze onderwijzers kregen dan les en ontvingen een brevet waarmee ze op scholen les mochten geven: de eerste lessen over land- en tuinbouw voor de boeren.

In 1950 startten de vier broers een gebroedersbedrijf en werkten bijna tien jaar lang intensief samen. Broer A. zorgde voor het melkvee, de varkens en de moestuin. De heer B. zelf – E. – deed de aan- en verkoop en het transport. De oudste deed de administratie en de broer die later vertrekt naar Canada zorgde voor de machines. Dat liep allemaal heel precies door die taakverdeling. Dan vertrekt er dus één broer naar Canada en wordt het bedrijf in 1959 helemaal gesplitst en gaat de heer B. alleen verder.
De fruitboerderij werd gesplitst in drie partijen. Er was toen veertig hectare te verdelen; dat was de man dertien hectare. “Ik kreeg dus zeven hectare fruit en een broer van mij kreeg ook zeven hectare fruit en die andere broer had één hectare fruit en de rest, de landbouwgrond”, vertelt de heer B. Mevrouw B. vertelt dat haar man 37 jaar is als ze in 1961 trouwen. “Ik trouwde niet met een fruitkwekersvrouw, maar met een ‘echte’ boerendochter, die wel gewend is om de huishouding van een boerenbedrijf te besturen”, aldus de heer B. De melkkoeien die de heer B. in het begin had, heeft hij weggedaan en daarvoor in de plaats begon hij met vetweien van ‘schotten’. Dat zijn afgekalfde koeien, die niet meer verder voor de melk door kunnen gaan vanwege de slechte productie. Echter toen ook dat niet rendabel genoeg bleek, ging hij over op ossen, want “dat is het droge vlees, daar zit geen vet aan”. Daar het echter drie jaar duurde voordat die ossen slachtrijp waren, ging de heer B. vervolgens over op stieren. Totdat zijn zoon mee ging draaien in het bedrijf. Toen heeft hij het landbouwgedeelte afgestoten, ook al was dat in de ogen van zijn vrouw, de boerendochter, doodzonde. Wel werd er doorgegaan met hooigras, daar men nu eenmaal die weilanden had.

Lijst met fruitsoorten die op het bedrijf aanwezig zijn

En dat was het moment dat er nieuwe rassen werden geplant en de Elstar in beeld kwam.
Op dit moment in het gesprek grijpt de heer B. terug op 1940 en vertelt aan de hand van alle veilingbrieven, waarvan hij een doos vol op tafel heeft staan, welke rassen en soorten er toen op de boerderij stonden. Hij leest de hele lijst voor. Hij zou er zelfs de prijs die hij ervoor gekregen heeft, nog bij kunnen vermelden: Czarpruimen, Eldense Blauwe, Yellow Transparant, Early Laxton, blauwe wijnpruim, boerenwit, Belle de Louvain, glasappel, dubbele witte, kwetsen, Gravensteiner, Wijnappels, Sterappels, Reine Victoria, Zigeunerinnen, Goudreinetten, Beurre Hardy, Juttepeer, Maagdepeer, Transparante de Croncels, Pruimendanten, Bevelanders (aardappel), Ellinsons Orange, Bon Chrétien Williams, Franse Bellefleur, Laxton superbe, citroenzuur, Cox’s Orange Pippin, Brederode, damperen, suikerperen, Franse Bellefleur, Bonne Louise d’Avranches, IJsbouten, noten, Lentse roodjes, en hij sluit de lijst af met de Court Pendu, een platte appel, en meldt dat hij deze het allerlekkerste vond. Hij geniet duidelijk bij het vertellen van al deze herinneringen.

De heer B. vermeldt nog een anekdote over zijn paard, dat thuis een veulen had staan. Nadat hij de leibomen – Bonne Louise d’Avranches – van zijn tantes met een plunjerpompje heeft bespoten met Californische pap, een zwavelproduct, wil hij weer naar huis. Dat spuiten ging met een tonspuit, een houten spuit met een motor met een zitting erop. Het paard gaat in draf en vervolgens in galop en op het moment dat ze de boerderij naderen, zwenkt het paard af en gaat er alleen vandoor de stal in. Hijzelf blijft op de ton achter en ziet vervolgens – als hij de stal in gaat – hoe het paard hooi staat te eten. “Men had een paard echt wel nodig in die tijd, want er waren nog geen tractoren”, vertelt hij. Dit was een luxe paard, maar hij deed precies wat je hem wilde laten doen en dat paard moest hem onder andere helpen bij het ploegen onder de fruitbomen, waar koolraap geteeld werd. Ook voor het grasmaaien was het paardje nodig, Hoewel de heer B. wel een ‘éénpaardsmachien’ had om te maaien, leende hij meestal een minder zwaar maaimachientje bij de buurman voor de boomgaard. Tussen de bomen was de zeis echter ook nog nodig, want dat ging niet met het paard.

Na een kopje thee wijst de heer B. op een foto in de folder van Stichting Landschapsbeheer Gelderland en zegt dat die boom verkeerd gesnoeid is: er is te rigoureus ingegrepen. Hij kent ook twee gezegdes uit de fruitteelt. De één is: waar geen hout groeit, kunnen ook geen appels groeien. En de tweede: snoei geeft groei en nooit vruchtbaarheid. Vervolgens geeft hij een kort college ‘snoeien’.

Terugkijkend op zijn jeugd zegt de heer B. dat ze er vroeger goed, rijk, van konden leven en dat de loods, schuur en het koelhuis met eigen geld betaald konden worden toentertijd. In de tijd dat er nog geen loods gebouwd was, had men een goede andere oplossing voor het bewaren van de appels. “Er stonden vier bomen, vier Goudreinettenbomen. En in die takken werden toen sparren en stro opgepakt en dat was onze eerste schuur, verblijfplaats voor appels. Goed tegen muizen en bevriezen! Toen de heer B. trouwde, moesten ze zuiniger aan doen en hij meldt met trots dat zijn vrouw dat wel voor elkaar kreeg en alles zelf deed net als vroeger zijn moeder. De heer B. maakt een overstapje naar zijn zoon en vertelt hoe die tegenwoordig werkt op het bedrijf wat betreft sorteren, verpakken etc.

En dan komt ineens woonplaats en de kerkelijke achtergrond van de heer B. naar voren. Hij was van katholieke huize en was misdienaar in Balgoij en Keent. ‘s Zondags na de mis ging men naar het café waar de kastelein borreltjes inschudde in een flesje, en dat ging mee op de karren, die in karavaan vanuit de twee dorpen naar de markt in Nijmegen gingen. Als misdienaar ging hij alle weken krantjes – de Sintjansklokken – rondbrengen in de twee dorpen Balgoij en Keent, maar dat vond hij absoluut niet erg, want anders moest hij thuis de koolrapen schoon krabben. Deze beide dorpen werden later gescheiden door de Maaskanalisatie, die er dwars tussendoor liep. Het ene dorp werd Gelders en het andere Brabants. Er komen veel foto’s op tafel: zijn vader met de bijenkasten; zijn vader als molenaar; zijn moeder met de breikous in de boomgaard die een bloemetje bij Maria gaat brengen; de mandjes met fruit aan de arm bij de plukkers.

Ook komt nog aan de orde dat de heer B. naar kostschool is geweest in Oss; dat was zo de gewoonte en grootmoeder betaalde, want die had geld zat. Over de oorlogsperiode vertelt de heer B. een verhaal dat er op een dag drie Duitsers met bajonet op het geweer op de boerderij kwamen en huiszoeking deden. Hij moest in het hooi prikken. Ze zochten zijn broer A. – die in Overasselt was tot zijn geluk – omdat hij secretaris
van de Nederlandsche Unie was. De krantjes, die zijn broer in huis had, vonden de soldaten niet: ze lagen in het theekastje van moeder met een kleedje erover. “Ze liepen er zó langs”, zegt hij. Andere mannen zijn toen wel opgepakt en vastgezet onder andere de heer De Quay, de latere minister-president. En om te voorkomen dat de Duitsers de paarden zouden vorderen, hadden ze de paarden uit de wei en in de hoogstamboomgaard gezet, zodat de soldaten – als ze vanaf de dijk de weilanden inspecteerden – geen paarden zagen door al het gebladerte. En over de bevrijding vertelt hij: “Er kwamen twee zware vrachtwagens met munitie en kanonnen. Die werden in de boomgaard gestald en de kanonnen werden door de heg gestoken en op Oss gericht.”

De fruithagen die de hoogstambomen hebben vervangen

Tussen de bedrijven door heeft de heer B. de interviewer houtsnijwerk, dat hij zelf van dennenhout gemaakt heeft, laten zien; dat had hij op school ooit geleerd. Een leuke hobby. Toen hij en zijn vrouw in dit appartement gingen wonen, kon dat niet meer en heeft hij zich een andere techniek eigen gemaakt: van koperdraad afbeeldingen maken. Hij laat trots een kartonnen plaat zien waarop het totale bedrijf is afgebeeld: alle percelen, de gebouwen, met kadastrale nummers compleet. Prachtig.

Kijk ook eens op: