Historische fruitteelt: ”Kuilemanappels zijn heel goed te bewaren.”

Verhaal de heer W. (geb. 1931)

De heer W. (79) groeide op in het buitengebied van Dreumel (Land van Maas en Waal), als derde zoon in een gezin van zeven kinderen. Zijn vader was fietsenmaker en machinist van een stoomgemaal. Als twaalfjarige jongen had de heer W. al liefhebberij in alles wat groeit en bloeit. Achter het gemaal verzorgde hij een driehoekje bessen, de opbrengst daarvan mocht hij zelf houden. Als jongeman nam de heer W. het beheer van de hoogstamfruitbomen die zijn vader enkele jaren voor het begin van de Tweede Wereldoorlog plantte, over. In de loop der jaren groeide het fruitbedrijf aanzienlijk. In zijn huis, gebouwd op de plek van het stoomgemaal, haalt de vitale en actieve oud-fruitteler met veel genoegen herinneringen op.

Tekst Tilly Kuus-Liefkens

Veel handwerk, klimmen en klauteren
“Mijn vader kocht in 1937 een stuk land, daar plantte hij hoogstamfruitbomen. De boomgaard lag aan de uitwetering van twee gemalen, bij een soort dijkje. De eerste jaren stonden er aardappels, boerenkool, bruine bonen, prei, tarwe en bieten tussen de jonge aanplant. En tabak niet te vergeten, dat bracht in de oorlog goed geld op.”
De boomgaard kende een rijke hoeveelheid fruitsoorten zoals Goudreinet, Jonathan – die waren toen eigenlijk vrij nieuw – en Rode Kuileman. “Kuilemanappels zijn heel goed bewaarbaar, ze werden zelfs ingekuild. Dan werd een steekdiep in de grond een gleuf gemaakt waar stro in ging, de appels werden in een teil in de sleuf gelegd en dan ging er stro en grond overheen. Zodoende konden de appels niet bevriezen, het vocht bleef erin en ze werden niet slap zoals zou gebeuren als ze binnen op de deel of in de schuur werden bewaard. De telers zijn met kuilen opgehouden omdat het niet oogde en niet alle appels geschikt waren voor inkuilen. Kuileman was een appel die heel snel uit de tijd was en verdrongen werd door andere soorten zoals Jonathan, Groninger Kroon, Notarisappel, Lemoenappel – een soort verbeterde Goudrenet -, en Schöne van Nordhausen. We hadden ook nog een heel grote rode appel, BG – Bijzonder Groot – noemden we die maar, want de echte naam vonden we een beetje moeilijk.”
Tussen de hoogstambomen stonden struikjes met Zigeunerin, Cox Orange en Groninger Kroon. Aan de rand langs de Elzenhaag, die diende als afscherming tegen de wind, werd nog een rij Allington Pippin, Zoete Winterkroon en Laxton geplant. “Later zijn die soorten allemaal omgeënt naar Laxton. Dat was een beter ras, familie van de Cox en een heel lekkere, gewilde appel.”
In de oorlogsjaren 1940-1945 was er weinig vraag naar fruit: “Direct na de oorlog kwamen ze uit Oss en omgeving hier appels en ander fruit halen. De prijzen waren heel goed, maar er was nog niet veel fruit en de verdiensten waren eigenlijk nog maar bijzaak.”

Bewaren
Het professioneel bewaren van de oogst was voor de heer W. steeds een belangrijk aandachtspunt: “De machinekamer van het stoomgemaal was een mooie, propere ruimte. Na de oorlog, een paar jaar voordat het stoomgemaal weg ging, bewaarden wij daar het fruit. Om het fruit langere tijd te kunnen bewaren voor de handel, hebben wij in 1949 – ik was toen achttien jaar oud – een bewaarplaats gebouwd in de boomgaard. Daar konden duizend kisten in, zeg maar vijftien tot twintig ton fruit. In 1954 bouwden we samen met een fruitteler uit H. een koelcel met een opslagcapaciteit van tweehonderd ton. De machines in deze cel koelden met freongas, het fruit werd toen op twee à drie graden gekoeld, dat was een hele verbetering.”

Kisten
Over de fruitkisten is een apart verhaal te vertellen vindt de heer W. “Net na de oorlog hadden we wel kisten waar je mee veilen kon, maar echte opslagkisten had je nog niet. Omdat er steeds meer fruit kwam, hadden we niet altijd voldoende kisten om het fruit te veilen of naar de handelaar te brengen.” Merkwaardig genoeg bracht de ruilverkaveling halverwege de jaren vijftig daar verandering in. Omdat percelen veranderden werden veel Peppelbomen gerooid. Bij Houthandel K. de R. aan de O. M.dijk werd dat peppelhout gezaagd en Dreumelse jongens timmerden daarvan in de avonduren kisten van voor twintig of vijftien kilo fruit. Veel telers lieten kisten maken van eigen gerooide appelbomen, de houthandel drukte daar de naam van de eigenaar op. “Die kisten van appelhout trokken snel krom en je kon ze bijna niet in de hand hebben, zo scherp waren die. Later werden betere houtsoorten gebruikt. Van de schippers op de Waal bijvoorbeeld nam de houthandel een soort dennenhout over. De kisten die hiervan gemaakt werden, waren van betere kwaliteit dan die van appel- en peppelhout.”

Spuiten
Halverwege de jaren vijftig begon de fruitteelt insecten te bestrijden met chemische middelen, achteraf heeft de heer W. daar zijn bedenkingen over: “In de maand april begon je met D.N.O.C. dat was een kleurstof waar alles geel van werd, als je zondags in de kerk kwam, kon je precies zien wie er allemaal mee gespoten had. Dat spuiten heeft zich ontzettend uitgebreid en is eigenlijk een beetje uit de hand gelopen. Ik had een broer die zei: ‘Ik denk dat Verdugt [chemische fabriek in Tiel] iets bij dat spuitspul doet, zodat jullie steeds méér moeten spuiten.’ Daar heb ik om moeten lachen, maar uiteindelijk had ie wel gelijk, want je spoot natuurlijk heel veel roofmijten dood. Wanneer je tegen luizen spoot, waren ook de roofmijten weg. We gebruikten graag een heel breed insectenmiddel waar je in één keer alles mee kon hebben en vaak werd gezegd: ’Blijf onder het vergif, dan blijf je gezond’. Tja, … een spreuk die toen toch wel gebezigd werd, maar achteraf is dat natuurlijk nooit goed geweest. Doordat die roofmijten mee doodgespoten werden, had je steeds weer nieuwe insecten te bestrijden. Die roofmijten hebben ze later beter leren kennen, daar zijn ze mee verder gegaan waardoor nu veel minder insecticide nodig is. En voor is de mens is het ook stuk gezonder. Er zijn in die tijd heel veel loonspuiters overleden, waarvan ik bijna zeker weet, dat het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen de doodsoorzaak is.”

Snoeien
Snoeien is een belangrijk onderdeel van succesvol fruit telen, om de nieuwe inzichten in de snoeitechniek goed te beheersen, wisselden fruittelers onderling ervaring uit. “Over snoeien is heel veel te leren geweest eigenlijk, zeker bij de hoogstamfruitbomen. Een grote fruitteler hier zei: ‘als je een Goudreinetboom hebt, moet je er een biljart in kunnen zetten en dan moet je er omheen kunnen lopen.’ Hij bedoelde: het moet een schotel zijn, waar de zon overal bij kan. De zon had je nodig voor de kleuring en de rijping van de vruchten. Als je de boom binnenin te dicht liet, was het te vochtig en kreeg je veel spint en schimmels. Die bomen hebben licht en ruimte nodig, de zon kreeg je vanzelf als je ruimte in de boom maakte en dat was moeilijk. We gebruikten vaak een klein laddertje van zo’n tien tot twaalf sporten, dat legde je in de boom en je zorgde dat je overal een gat had, waardoor je in de boom kon klimmen. Dat moest ook, je moest ruimte hebben. Bij de grote hoogstammen liepen we vaak in de boom zelf. Je zorgde dat je op de brede, stevige takken ging staan. Snoeien was toen veel handwerk en allemaal klimmen en klauteren.”
Goed inzicht en kennis van snoeitechniek leverde de heer W. kwalitatief hoogwaardig fruit op, zijn producten deden een goede prijs en werden regelmatig bekroond met prijzen.

Plukken
Voor de pluk werden aanzienlijke hogere ladders gebruikt dan bij het snoeien. “Ik heb geplukt in hoge perenbomen met een 48-sportse ladder, dat is heel wat. Als wij thuis gezorgd hadden dat we ’t fruit gedund hadden, dan kwamen de kersen. Kersenplukken was voor mij een soort vakantie. Ik was zestien toen en ik daarmee begon. Je had een ploeg ouderen die verdienden vijftien gulden per dag en jongeren zoals ik verdienden twaalf en een halve gulden per dag, dat was écht wat voor die tijd. We plukten de kersen in hoenders, een gevlochten mand met een haak eraan. Als de kersen eraf waren, werd een feestje gevierd, dat was echt gezellig, er werd goed gedronken en ik heb ook nog wel eens samen met m’n kameraad muziek gemaakt. We hebben een tijd gehad dat wij na de kersenpluk over de Maas handperen, Kruideniers, gingen plukken. Die Kruideniers zijn extra hoge perenbomen waarvan de peren in juli rijp zijn, net na de kersen. Over de Maas was niemand bereid om die hoge ladders op te klimmen, maar de Dreumelse plukkers waren dat gewend en hadden geen hoogtevrees. Dan verdienden we natuurlijk ook weer iets extra’s.”
Omdat de lonen steeds hoger werden, werd het steeds duurder om fruit te laten plukken op de ladder. Ook het snoeien van hoogstambomen was een extra uitgave die op een gegeven moment te duur werd. “Om de kosten te verlagen moesten wel lage boompjes gekweekt worden, zodat huisvrouwen en oudere schoolgaande kinderen makkelijk en goedkoop konden plukken. Al direct na de oorlog werd begonnen met het plaatsen van struikjes. Voor alle hoogstammen die werden gerooid kwamen in die jaren struikjes in de plaats.”

Weer
Fruittelers hebben altijd de blik op de lucht: het weer is heel belangrijk voor goede producten. “Het weer was een groot punt ja. Je had jaren dat er meer of minder zon was en dan was de kwaliteit ook minder. Met regen moest je vaak meer spuiten, dan waren de kosten hoger en de inkomsten soms lager. Tegen schade door nachtvorst werd wel wat gedaan, maar niet zo heel veel. In de winter van 1956 was het tot 31 januari zacht weer, toch hebben we toen door de vorst een behoorlijke strop gehad. Voor de aanleg van de V. H. weg dat jaar, werd een weg van zand opgespoten, uit dat zand liep water bij ons de slootjes en de voren in. De hoogstambomen hadden dat water al opgezogen, toen het op 1 februari begon te vriezen. In twee nachten vroor het wel vijftien, zestien of twintig graden, het ging ontzettend hard, dag en nacht vroor het. Die bomen hebben daarvan schade ondervonden, de schil ging los ging zitten en we hebben daarna heel veel takken weg moeten zagen.”

Werken wat je kon
De heer W. heeft de fruittelers wereld niet als een specifieke mannenwereld ervaren: “Het waren eigenlijk gezinsbedrijven. Mijn vrouw heeft altijd meegewerkt, ook na de geboorte van onze dochter. Mijn moeder heeft dat eigenlijk nooit gedaan. We waren met zeven kinderen en ik denk dat mijn moeder daar geen tijd voor over had. Ze haalde om 09.00 uur groenten uit de tuin en om 12.00 uur stond het eten op tafel. Ook om 16.00 uur ging je naar huis voor de vier uurse boterham. Vaak ging je tot 21.00 uur ’s avonds door in de bogerd en dan werd een aardappeltje gebakken of en een bord pap gegeten voor je naar bed ging. Om 06.00 of 07.00 uur stonden we weer naast het bed of waren we al in de boomgaard. Zo ging het … werken wat je kon.
Ik had pas vakantie als het in de winter hard vroor, ik ben dan ook een echte schaatsliefhebber. Mijn enige uitje was de harmonie. Ik speelde vanaf 1947 klarinet en vanaf 1963 saxofoon. Als ik kon was ik bij de repetitie, dat was gewoon mijn hobby. Ik kon het eigenlijk niet missen.” Nadat ik besloot te stoppen heb ik alle functies eraan gegeven, alleen de muziek heb ik aangehouden, dat hielp tegen de stress, dat was een uitlaatklep.”

Stoppen
Met een bezwaard gemoed besluit de heer W. in 1969 te stoppen met het fruitbedrijf als hoofdbroodwinning: “In de jaren ’65/’66/’67 werd het echt minder met de prijzen, toen werd een rapport gepubliceerd, het MacKinzie rapport, daarin stond dat de prijzen tot 1975 echt wel minder zouden blijven en dat daarna een opleving zou kunnen zijn. Toen kwamen nieuwe rassen zoals de Elstar en de Jonagold opzetten en die hebben de fruitteelt weer een tijd in de lift gebracht. Het is daarna een tijd beter gegaan, maar ik kon niet meer afwachten. Ik had berekend dat ik ongeveer 50.000 gulden moest investeren om alles te vernieuwen, te rooien en nieuwe bomen te planten. Ik dacht: ‘dat red ik niet’. Het zwaarste was dat tegen mijn vader te zeggen, ik durfde het niet aan dat recht in zijn gezicht te zeggen. Op een gegeven moment heb ik de knoop doorgehakt; Ik reed met m’n vader naar een receptie en hij zei: ‘In Alphen zijn bomen te koop heb ik gehoord, die kun je mooi in de boomgaard planten, want daar zijn wat slechte bomen bij.’ Ik zei: ‘Weet je wat? Ik plant niks meer!’ en ik voelde de auto schokken.”

Daarna volgde de heer W. de hoveniersvakschool om ervaring in de praktijk op te doen, gelijktijdig ging hij in de groenvoorziening bij de gemeente Dreumel aan de slag. Vervolgens werkte hij zestien jaar bij het Werkvoorzieningschap Nijmegen en Omstreken [WNO]. “Ik gaf leiding aan mensen die geflopt waren, die het niet hadden gered met bepaalde dingen en bij de gemeente terecht kwamen. Ik heb zelf mijn fruitbedrijf beëindigd en kon helemaal invoelen hoe zij dachten. Ik kon met die mensen meedenken.” De fruitteelt heeft de heer W. nooit los gelaten, in zijn vrije tijd teelde hij met groot succes bramen en frambozen en pas zeer kort geleden ging de laatste vracht peren naar de veiling. De perenbomen zijn inmiddels verkocht: “Dat was nodig, want onze vrije tijd dreigde weer in het geding te komen.”

Kijk ook eens op: