Historische fruitteelt: ”… je hoorde erbij, ’t was één klont familie.”

Verhaal de heer D. (geb. 1937)

B. de D toont een grote pentekening in een lijst. Het is een riante boerderij waar hij is opgegroeid, aan de R.weg in de Culemborgse wijk L. Direct achter de boerderij stonden in de jaren dertig en veertig hoogstamboomgaarden die nu allemaal zijn verdwenen. Er stonden rassen als de Notarisappel, Bellefleur en Winterjan. Vele zoete appelen hingen aan de bomen te pronken en op een dag lag de heer D. als vierjarig jongetje onder een oude Notarisboom. “(…) Want toen had ik met m’n hakken tussen het wiel [van m’n moeders fiets gezeten] en had er veertien hechtinkjes in. Toen zat ik in de zomer daaronder te spelen met een paar dingetjes … ja, dat was wel leuk.”

Tekst Sandra Wormgoor

In L. stonden niet alleen veel boomgaarden. Eigenaren van de boomgaarden gebruikten het stuk grond ook voor de teelt van groente. De heer D. vertelt: “(…) daar was een speciale groentekweker, dat was K. Daarna is dat land verkocht aan P. van S. en die woonde hier aan de Z.weg. Die heeft daar eerst op geboerd, gewoon bieten en wortels en zo, gebouwd voor z’n vee. Daarna is hij overgegaan in fruit, toen is ’t ingeplant met struiken, ja, maar naast P. van S. daar lag een bongerd en dat waren hoogstammen. Dat was van D., een meubelfabrikant.”

“Nou ja, met die boomgaarden op zichzelf, ik liep er wel in en ’t was heel anders als nu. Je liep gewoon bij mekaar in, je praatte met iedereen dat was heel gewoon … Wat voor soort wereld was het dan, vraag ik hem. “Die was heel anders als nu … nee dan is het nu hopeloos, toen … je stond altijd voor mekaar klaar, mekaar helpen, altijd.” Wat hield dat voor hem als kind van acht jaar dan in? Moest hij ook al meehelpen met bijvoorbeeld oogsten? “Ik moest niet, maar ik deed ’t altijd … altijd, ik ben ook groot gekomen daar, ik zat op de lagere school en dan klopte ik tegen het raam an en dan zei ik tegen m’n moeder: ‘Ik ga naar ome J.’ nou, dan ging ik daar naartoe en ’s avonds om een uur of zes dan kwam ik eten, ik ben daar gewoon groot gekomen.”

Dus eigenlijk, als ik dat zo hoor, dan is die boomgaard een soort magneet voor u geweest? “Ja ja, maar niet alleen de boomgaard ook alles wat er was, het vee, koeien, paarden, pony’s en schapen, noem maar op, varkens, alles en dat trekt me erg … nog … de natuur ja …”

B. de D. was een buurjongen die niet alleen graag speelde in de boomgaarden van L., maar er ook in werkte. “Ja, dan deed je gewoon mee, op je eigen manier deed je gewoon mee.” En wat deed u dan precies? “Van alles wat er te doen was, op het land was het schoffelen, hakken, wieden, eh, bieten op een zetten, wortels op een zetten, want dat was gezaaid maar dan stonden die plantjes veel te dicht, dus dat moest je allemaal mooi een op afstand zetten. Nou, en met fruit plukken, appels plukken, kisten appels oplaaien, dat was dan weer na acht jaar hoor, want een kist van 20 kilo beurde ik niet op als jongetje van acht jaar. Maar daar begon je dan al mee, appels plukken.” Ging u dan ook al die boom in? “Ja … nou ja, niet zo hoog maar je klauterde er wel in, ja natuurlijk, dat ging natuurlijk heel rustig en in kleine hoeveelheden … dat waren hoogstammen, dus je moest die leer op. Met laagstammen nu kun je op de grond blijven, als jochie zijnde.” En waren daar dan ook andere jongens bij? “Ja, hier uit de buurt … en de jongens van de kinderen van de eigenaren zelf natuurlijk, die waren erbij.” Werd het niet een heel onoverzichtelijk geheel met al die kinderen die daar rondliepen? “Wat noem je …. je liep daar met een man of vier, vijf, zes net zoals ’t uitkwam en daar liepen ook grote bij en vrouwen die hielpen ook heel vaak mee … ja, want de mannen waren aan het plukken en dan stonden de vrouwen te sorteren. Tegenwoordig hoeft dat niet meer, da’s allemaal automatisch, maar dat was allemaal handwerk en dan had je zo’n plankje en daar zaten allemaal gaten in, want die appels moesten aan de maat voldoen. Dus als je aan een appel twijfelde dat ie niet aan de maat voldeed nou dan pakte je hem … ‘dan mot die in die kist’.” Als kind van acht deed je dat ook al? “Ja natuurlijk … je deed gewoon met alles mee … dat groeide zo.”

Wat voor sfeer was daar in die boomgaard? “Heel gemoedelijk, ja, hoe moet ik het zeggen … dat was … ik niet alleen … je hoorde erbij, ’t was één klont familie, ja, dat was gewoon zo, en je had wel eens verschil van mening ja, maar dat was meteen weer over ook.” Dus het maakte niet uit waar je vandaan kwam, wie je was? “Nee, en vroeger was ‘t … dat had dan weer met geloof te maken, je had hier veel katholiek maar ook protestant, ja daar werd helemaal niet naar gekeken.”

Soms waren er uitzonderingen in deze sfeer van gemoedelijkheid waarin vaak wederdiensten aan elkaar werden verleend. “Op een gegeven moment, die bomen stonden heel ruim, was er iemand en die had dan een soort volkstuin omgespit [waar bonen groeiden] … die waren plukrijp dus die konden geplukt worden en toen zei hij tegen z’n schoonvader: ‘Joh, kan jij op maandag niet effetjes die boontjes voor mij plukken, ik moet gaan werken’, ‘Nou dat kan wel’ zei hij, ‘dat doe ik dan wel’, dus die man gaat ’s maandags daar naartoe om die bonen te plukken. Toen waren ze al geplukt en toen hadden ze ze al gejat … je had wel een vermoeden en dat vermoeden dat, eh, dat durf ik wel te zeggen dat is honderd procent maar je kan ’t niet hard maken … dat was iemand die had heel veel geld maar hij had geen geld, dat geld had hem.”

Als ik de heer D. vraag of hij naast meewerken in de boomgaard ook andere klussen als kleine jongen deed, zegt hij: “Ja, ikzelf ging ook naar de veiling … toen was ik alweer wat ouder en dan spande ik de pony voor de kar en dan tien kisten appels d’r op of twee kisten bonen. Net wat er was, hè, nou dan ging je dat naar de veiling brengen en dan zette je dat daar neer en dan kreeg je een nummer. De andere dag dan werd ’t geveild en dan ging je weer met lege kisten terug, want ja, je moest weer verder en met hierachter P. van S. die had natuurlijk een paar mensen in dienst met plukken. Nou, en dat ging ook allemaal naar de veiling in Culemborg. Later ging die veiling verdwijnen … dat zou geweest zijn in 1955 – 1960 en toen ging het richting Geldermalsen.”

Tot slot vertelt B. de D. over zijn herinnering aan een kersenboomgaard. “Met een groep hier uit de buurt [gingen wij] naar de kersenbogerd bij B. van V. Als kind zijnde van vijf, zeven, van negen, tien, zakkenlopen, ja, dan gingen we met tien, vijftien man lopend hè, want fietsend … ik had een fiets, jij had een fiets, maar tien hadden er geen fiets, nou achterop en lopend dan gingen we naar B. van V. Die zat daar verderop, die had daar dus een kersenbogerd, nou dan waren ze aan het kersen plukken in de kersentijd, dan kregen we zo’n puntzak met kersen of dan kocht je die voor vijf centen nou dan had je schik of je vroeg: ‘hebben jullie nog’ … eh, hoe noemden ze dat nou .. kroet .. dat was een kistje kersen … kroet en dat zijn kersen die allemaal gescheurd zijn of dat daar een plekkie aan zat en dat kreeg je dan voor niks, daar had je vier kilo in zo’n kistje zitten en dan was ’t mooi weer en dan ging je zo op je zij liggen en dan lag je pitten uit te spuwen met mekaar. En lol te maken … dat was een mooie tijd, dat was hartstikke leuk.”

Dus die tijd was een hele onbekommerde tijd? “Ja, ‘n onbezorgde, onbekommerde tijd en de mensen hadden het ja, armoedig in principe, want ze moesten ook, als je een bedrijf had, deed er niet toe, je moest ook de eindjes aan mekaar binden, want […] die boeren die hier zo zaten, die ik straks ook genoemd had, daar was een groot hoop eigendom, eigen grond, maar d’r werd ook heel veel grond gepacht van weer die heren […] die grondbezitters, maar dan was ’t in november de pacht betalen, dan kromde het nog wel ’s hoor, dan moest er nog wel ’s een koe verkocht worden of een varken dat ze eigenlijk graag hadden willen houden, maar dat het toch verkocht moest worden om die pacht te betalen.”

Een jeugd zonder zorgen, dat gold wel voor een jongen als K., de buurjongen van de boomgaarden. Maar niet voor de mensen die later van het fruit moesten leven. “… de hoogstammen die gingen weg, vaak werden ’t struiken, nou ja, toen veranderde het geen honderd maar tweehonderd procent … die hoogstammen werden gespoten, ja, misschien vier keer, dat was heel bewerkelijk … toen kwamen die struikbomen, gingen ze er elke week met de spuit door, die werden wel twintig keer gespoten […] met allerhande stof … Kaptan … DDT, ja, al dat soort dingen, zwaar vergif.”

Het aandeel boomgaard achter het huis van B. de D. is nu hooguit tien procent van wat er ooit stond. Er is inmiddels een ecowijk gebouwd rondom een laatste pluk met 180 knoestige struikfruitbomen, Ingrid Marie’s en heel veel Rode Jonathans. Ze staan op een waterwingebied van een waterleidingbedrijf. De afspraak met de wijkbewoners is dat zij de vruchten mogen plukken als ze ook snoeiwerk en onderhoud plegen. Dit gebeurt volledig gifvrij, maar daar staat tegenover dat nu niemand er meer van hoeft te leven. De tijden zijn wel degelijk veranderd.

Kijk ook eens op: