Historische fruitteelt: ”Ja, ze hadden ’t eigenlijk arm hè, en mensen waren arm.”

Verhaal de heer Van W. (geb. 1926)

Het interview vindt plaats met de 83-jarige heer Van W. op de boerderij aan de B.straat te Lienden. De grootvader van de heer Van W. heeft deze boerderij laten bouwen en een bedrijf opgezet, zijn vader heeft het overgenomen en daarna heeft ook deze Van W. het bedrijf voortgezet. Nu woont hijzelf – nadat hij zesenveertig jaar in de ernaast gebouwde villa op het erf gewoond heeft – weer in het ene deel van de boerderij, terwijl één van zijn dochters in de andere helft woont. Hoewel het bedrijf ooit zestig hectare groot was – eigendom, maar ook deels bijgehuurd in de omgeving – is heden ten dage bijna alles verkocht en heeft deze dochter nog slechts anderhalve hectare grond waar frambozen en rode bessen staan. Een andere dochter heeft nog anderhalve hectare peren – handperen en stoofperen: Conference en Doyenné de Comice.

Tekst en beeld Annemieke van Buël

Het ouderlijk gezin van de heer Van W. bestond uit ouders, twee zonen en één dochter. Zijn jongere broer wilde destijds eerst gaan varen, alvorens hij een opleiding in de landbouw wilde volgen om uit te zoeken of ’t varen hem beviel. Hij heeft onder andere om De Kaap gevaren. Daarna is bij de marine geweest en is seiner-telegrafist geworden. Hij moest de schepen die binnenkwamen afmeren. Later is hij toch in het familiebedrijf teruggekomen en heeft altijd meegewerkt. Zijn zus deed een opleiding voor huishouddeskundige bij een grote instelling.
De heer Van W. heeft in Tiel op de middelbare school gezeten en heeft later nog aanvullend onderwijs gevolgd op de middelbare landbouw-winterschool. Hij zegt daarover: “Daar ging je alleen maar ’s winters [heen], want die was helemaal ingesteld op boeren, dus ’s winters hadden ze weinig werk en dan ging je naar school.” De heer en mevrouw Van W. kregen vijf dochters. In de familie gaat het gezegde: ‘Als de derde dochter een zoon was geweest, waren die vierde en die vijfde misschien wel nooit geboren’.

Over het bedrijf vertelt de heer Van W.: “We hadden ’n agrarisch bedrijf met twaalf melkkoeien en met ’n vetmesterij en ’n hele hoop akkerbouw en weiland d’r bij; en dan was t’r ook ergens nog ’n hoogstamboomgaard.” Over de melkkoeien zegt hij: “Daar had je knechten veur hoor en die verdienden acht gulden in de week en dat werd later ’n tientje, want mijn vader die zei: ‘Ik wil niet hebben dat ze motten stelen’.” Voorts hadden ze op ‘t bedrijf ’n hele hoop jong vee via de aanfok, maar nooit varkens. En af en toe wel ’ns ’n twintig schapen, maar dat had niet veel betekenis. Toen vader Van W. trouwde verhuisde grootvader naar Buren. Echter, hij had zo veel heimwee dat hij – op de fiets – wekelijks langskwam in Lienden en toen hij daar genoeg van had, heeft hij een “grootse villa” op ’t erf laten bouwen. Daar grootvader en diens zus een heel huis geërfd hadden in Buren, beschikten ze over een dubbele inboedel en daarom heeft hij het huis “om de inboedel heen laten bouwen” vertelt de heer Van W.

Melkkoeien in de stal

Op het land werden in hoofdzaak granen verbouwd en een beetje voederbieten, want suikerbieten waren er in beginsel nog niet. Die voederbieten waren van die “grote lomperds”, aldus de heer Van W., en: “Die werden in de kelder opgeslagen, of ’n bietenkelder en die werden dan kapot gemalen en aan de koeien gevoerd.” In de oorlog werd men van overheidswege verplicht tot het verbouwen van koolzaad voor de olie. Daarvoor moest er van alles omgebouwd worden op de boerderij, maar na de oorlog werd dat direct gestopt, omdat het niks geworden was. Aardappels werden er nauwelijks verbouwd: te arbeidsintensief, omdat je alles met de hand moest rooien, bij gebrek aan machines in die tijd. Er was wel veel grasland, wat met de zeis gemaaid moest worden, wat ook heel veel werk inhield. “Daar had je drie mensen veur nodig en die mensen moesten allemaal de hele dag met de zeis [bezig] en dat ging van ’s morgens 05.00 uur als ’t licht werd tot ’s avonds; dat waren lange dagen. En zaterdags ook”, herinnert de heer Van W. zich.

Er was ook hoogstamfruit vlak om de boerderij: “Hele ouwe hoogstambomen en daar moest je echt bij wijze van spreken met de kettingzaag in om d’r ’n tak af te krijgen, maar die bestonden toen niet. Dus we waren wel ‘ns ’n half uur bezig om één tak te zagen. En mijn vader die keek alleen maar naar beneden of de boom goed gesnoeid was, want als t’r veul hout lag, dat had niet gemogen hè, … dus wij wachtten – en als hij voorbij was – dan zaagden we die grote tak d’r pas uit”… De heer Van W. moet lachen bij deze herinnering.
Ze hadden veel kersen: Duitse kersen (die ’n Engelse naam hadden, kwam de heer Van W. later achter), Meikersen, Varikse zwarte, waar je zo’n blauwe mond van kreeg. Hij vertelt verder: “Dan hadden we meer personeel in die tijd. Wij gaven die kersen voor de helft van de opbrengst. Dus die mensen die kwamen hier werken. Die hadden dàt perceel kersen en ’n ander, die had ’n ander perceel kersen en dan plukten ze voor de helft van de opbrengst. Maar wij moesten van onze helft ’t transport regelen en de veilingkosten. Dus zij hadden uiteindelijk driekwart, ja. En de kersentijd was voor hun de tijd dat ze geld verdienden, wel zes weken … en ja, dan werd d’r ’n nieuwe fiets gekocht. Dan werden de kinderen in de kleren gezet en daar was ’t naar toe werken. Ja, ze hadden ’t eigenlijk arm hè, en mensen waren arm.”

Hij vervolgt zijn verhaal met: “Ja, allemaal met die hoge ladders lopen en als je dan regen kreeg, dat was ’n ramp, want kersen kunnen niet tegen regen, die springen. Maar ’n mistnacht, dus ’n nacht in de mist, dat was nog veul erger. Dan drogen ze niet op en dan gingen ze barsten en dan gingen ze ook gelijk rotten hè. Dan ging d’r schimmel op. Ja, d’r zaten altijd nog wel ’n paar goeie in, maar dan hadden die mensen ’t ook slecht. Laat ik ’t zo zeggen: Het was voor die mensen heel ingrijpend als ’t ’n slechte oogst was. Dan werd d’r ’n hut in de boomgaard gebouwd, daar werd ’n grote sparlat gelegd met ’n zeil d’r op en daaronder werd gesorteerd, want ze moesten allemaal met de hand gesorteerd worden in verschillende kwaliteiten. Maar je moest niet te veel onder de hut zitten, want dan was ’t slecht weer! Maar ’t sorteren ging natuurlijk altijd door. Dat was ’n grote dis, ’n hele lange dis en daar werden die kersen op uitgegoten en dan werden ze daar met de hand gesorteerd in verschillende kistjes. Eerst hadden we nog … bussels noemden ze dat. Je had bussels van tien kilo, en dat was voor de tweede soort en anders had je vijf kilo. Maar dat waren zulke manden, die waren maar zo hoog [hij geeft een maat aan met zijn handen] en ja, … d’r waren ook boeren die dan eerst die bussel ’n dag in de sloot gooiden: Dan was tie zwaarder. Ja, dan had je alleen maar ’n bascule – je had geen weegschalen – nou ja, maar daar kwamen ze dan ook wel achter hoor! Maar ze probeerden ’t wel hoor.” De heer Van W. lacht bij de herinnering. Op de vraag of de heer Van W. ook meehielp met de pluk antwoordt hij guitig: “Ja, … met opeten”.

Plukmanden

In het fruit waren de appels de hoofdzaak. De heer Van W. herinnert zich de volgende appelrassen en geeft commentaar per soort: Goudreinet “de ouwe Goudreinet”, Yellow Transparant “een heel oud ras”, Transparante de Croncels “die waren eigenlijk niet te behandelen, want als je ze maar aankeek, waren ze gebutst, die waren heel erg zacht hè.” En de Zigeunerin “dat was ’n mooi leuk rood appeltje, dat was ’n verleidelijke … ’n Zigeunerin …”, Sterappels “maar niet zo veul”, Bellefleur, Dubbele Binderzoet, Bloemee, Gamerse zure “een vroege appel; die kreeg zo veul kurkstip, ’n hele erg ziekte d’r van, en dat kun je niet bestrijden.” Er stonden ook perenrasssen: Gieser Wildeman, Legipont, IJsbouten, Brederode’s, Conference en Doyenne du Comice.

En dan komen we aan de bestrijdingsmiddelen: Californische pap en “Bordeause pap”, zoals hij het noemt en nicotine en DDT. Bij deze laatste vermeldt de heer Van W. nogal laconiek: “In de lente dan spoot je met dat gele spul. Dan waren alle fruittelers hier in de buurt, die waren knalgeel. Dat ging t’r ook niet af hè, dat moest t’r helemaal uitgroeien. Als ze geen pet op hadden, hadden ze geel haar. En wat is nou gebleken: Dat ’t heel giftig is. Als ik per ongeluk mager wordt, ga ik dood aan de DDT, want die zit nog in je. ‘Dat raak je niet meer kwijt’, zeggen ze. Nou, daar houwen we ’t dan maar op.” Verder werd gebruikt: organische kwik en daarover zegt hij: “Ja, dat was ’n wondermiddel. Dat spul dat werkte fantastisch, maar ’t is achterhaald, ‘t mocht niet meer. Nou op ’t ogenblik mag t’r niks meer hoor. Je bent ’n beetje helemaal biologisch bezig hè. Dat valt niet mee hoor”. En: “Dat komt door de strenge controles in Rusland, maar ook door winkels als Lidl, Aldi en Albert Heijn. Wij motten élke week spuiten, want dat middel dat werkt soms maar enkele uren. En dat doen wij ook niet veur ons plezier, want dat kost verschrikkelijk veul geld en tijd.”

Hierna komen we te praten over wat er met het fruit gebeurde als het geplukt was. Vroeger werd het fruit aan huis gekocht en later ging het naar de veiling. Vroeger “was je afhankelijk van ’n koopman die langs de deur kwam, en dat is nou onderhand weer zo, want die veilingen die worden zó duur en … hier is bijna niemand meer lid van een veiling.” In de omgeving van Lienden zijn tegenwoordig veel groothandelaren, die het fruit opkopen buiten de veiling om dus, en met grote trailers door heel Europa brengen. Vroeger was het zo dat degene die het fruit op ’t hout kocht, die moest ook voor de oogst zorgen. En dan had je de verkopingen in de cafés in de buurt. “Dat waren hele happenings”, herinnert de heer Van W. zich, en “meestal was daar ook hooi en gras … dat werd t’r gelijk verkocht in de kersentijd. De notaris en zijn klerken en d’n afslager, die zaten daar achter ’n tafel en degene die ’t aanboden die … ja nou, daar verkocht ’ie voor en dan ging ’t afslaan van … en ze begonnen hoog en naar beneden toe en … dat was nog ’n vak apart hoor. Als je ‘Mijn!’ riep dan had je ’t. Daar kwamen honderd mensen of zo op af en d’r waren d’r misschien maar vier die wat kopen wilden. ‘t Was alleen veur de gein, en veur ’t borreltje.” ’t Café bij het Ingense veer blijkt zelfs alléén met de verkopingen open geweest te zijn, één of twee keer per jaar dus maar.

Over de oorlogsperiode herinnert de heer Van W. zich dat ze in 1939 vijftig militairen in huis hadden: “Hollanders, Friezen en vijfentwintig vrachtwagens. De Friezen sliepen in de stal tussen de koeien en de Hollanders zaten door ’t hele huis heen, maar als die ’ns bezopen waren, liepen ze ’s nachts drie treeën omhoog en vielen dan weer twee treeën terug; ’n hoop lawaai! In de schuur was de kantine. ’s Morgens gingen ze met de vrachtwagen brood halen in Wadenoijen, dat daar met de trein aan kwam. Hun eten kwam uit de gaarkeukens in Lienden.”

In 1940 is het gezin één dagje geëvacueerd naar Ingen want toen werd de brug bij Rhenen opgeblazen. In deze periode is er ook ooit ’n varken geslacht achter in de schuur – midden in de nacht, want dat mocht niet zonder vergunning – en toen ging de bel ineens. Dus de slachter schrok zich ’n ongeluk, maar toen bleek het ijzerdraadje van de ‘lui-bel’ gebarsten te zijn. De heer Van W. vervolgt even later zijn verhaal met: “Later hebben wij hier wel Duitse militairen in huis gehad en die hebben hier drie stukken geschut gehad – ik weet ze nog aan te wijzen – net bij ’t hek. En dan werden wij beschoten uit Maas en Waal – want dat was Engels – en dan schoten ze hier op de boerderij. Op ’n gegeven moment was d’r ’n keer alarm”, vertelt de heer Van W., “en dan moesten al die moffen veur den dag kommen en toen zeien ze: ‘Ja, da’s maar ’n proefalarm’. En toen gingen hier – die kanonnen – alle drie tegelijk af en toen was d’r ook geen één ruit meer in ’t hele huis. En die moffen schik hebben en die haalden ’t zeil van de vloer en die spijkerden de ramen dicht en toen zaten wij hier ook nog.” Er is ook nog een voltreffer op het rieten dak van de kalverschuur gevallen: “Zo’n granaat, en die is boven op ’n spant gekomen en die is ontploft en d’r was verder niks kapot. ’t Rieten dak, dat ging gewoon weer sluiten tot ieders verbazing.”

Tijdens de oorlogsperiode ging het bedrijf gewoon door, maar je kon geen krachtvoer meer kopen, want dat was er niet meer. Dus je moest zorgen dat je van je eigen graan voldoende hield om de koeien te voeren. Er kwam altijd een controleur kijken hoeveel zakken graan je had, maar die kneep wel ’n oogje dicht en dan moest jezelf voorzichtig aangeven hoeveel zakken jezelf nodig had, maar dat had hij dan niet gehoord. Toen in de omgeving iedereen tot twee keer toe geëvacueerd moest worden vanwege het hoge water, kon het gezin in de boerderij blijven, omdat die op ’n terp stond. Onder de boerderij zitten zes kelders en “daar kon je staande drinken” vertelt de heer Van W.

Na de oorlog is de heer Van W. met z’n fietsje nog een halfjaar naar Engeland uitgezonden geweest door de Nederlandse Fruittelersorganisatie. Hij zat daar in een kasteel zonder verwarming. De eigenaren zaten op de eerste rij vóór het open haardvuur, hij erachter. “Je barstte van de kou”, zoals hij zegt. Veel heeft het verblijf daar niet opgeleverd, noch voor de Engelsen noch voor de heer Van W.

Terugkijkend op zijn werkzaam leven zegt de heer Van W.: “Ja, de hele maatschappij is veranderd, maar ook de agrarische sector. D’r is niks meer van over van wat t’r vroeger was en ’t is nou allemaal machinaal.”

Kijk ook eens op: