Historische fruitteelt: ”Ja, we hebben wat afgesjouwd.”

Verheel de heer T. (geb. 1923)

J.T., 86 jaar, ontvangt me in zijn kamer in het zorgcentrum De V. in Maurik. Hij begon samen met zijn zwager W.T. , na wat omzwervingen en werken bij een fruitteelt-loonwerkersbedrijf, een eigen fruitteeltbedrijf.
Voor mij als interviewer was het wel een verrassing te ontdekken dat J.T. net als ik, het vak heeft geleerd van mijn vader.

Tekst Wil Willemse

“Toen ik van school af kwam, ik was 9 april jarig en op 10 april ging ik met mijn oom naar de steenfabriek in Ravenswaaij, die fabriek was aan de aan de Wijkse kant. Nee, dat was het niet. Daar ben ik mee opgehouden. Nou toen kwam de oorlog en heb ik verschillende jaren in de grasdrogerij in Maurik gewerkt, gras drogen, blad drogen. Daar werd thee van gemaakt, en weet ik wat ze allemaal fabriceerden.
Ik ben anderhalf jaar in Duitsland geweest, in een concentratiekamp, eerst een maand of drie in Amersfoort, toen kwamen ze me thuis oppikken.
Daarna heb ik nog een jaartje of anderhalf gewerkt bij de kolenboer, die zat zo vast, en die zei: “Eh, ja joh, kun de me asjeblief nie helpen? En as je ander werk wil hebben, dan kun de da gerus doen, maar as je mijn eerst maar een poosje vort helpt.”
Ja, daar had ik het goed naar m’n zin, en die had ook een boomgaard en die moest ik snoeien. Allemaal ouwe hoogstambomen, die zaten hartstikke vol met hout en rot, dat was allemaal verwaarloosd, dus ja, dat was voor mij nog wel een leuk werk om daar nog iets van te maken, op mijn manier dan. Maar ik had er nooit voor geleerd en ik had er knap zicht op en op een dag kwam één van de drie gebroeders, die een loonbedrijf hadden, die had mij ook bij die kolenboer zien snoeien, en hij zei: “Kjel, ik heb gezien wat jij van die boom gemaakt hebt, wat eerst een ravage was, wil je niet bij ons komen werken? Wij hebben zoveel werk.”
Daar ben ik begonnen in februari, ik meen van 1947, toen was die harde winter, allemaal sneeuw. W. – mijn zwager – en ik gingen lopend daar naar toe want er lag zoveel sneeuw, je kon niet fietsen. Dan waren we daar bezig, allemaal hout zagen en kleuven, dat was het, ge kon niks doen hè, er lag zoveul sneeuw en dat duurde tot maart en toen konden we eindelijk weer de boomgaarden in, en toen zijn we gaan snoeien.
Toen ben ik met W. mee geweest, dat was de eerste keer van mijn leven bij iemand die daar nog een beetje van alles had staan hè, en dat moesten we opknappen. Maar ik mocht eerst niks doen, hij was precies hoor! Dus ik mocht kijken en op ’t laatst wijzen. Zo van, hoe zou jij het doen? Weet je, en zo van lieverlee waren we ’t samen altijd eens. Dan vraagt de wel ‘s een keer wat, hij was er meestal bij, en dan zeg ik: ‘J. nou motte es kijke joh, ik wou deze tek d’r maar glad uit flikkeren, die zit me daar toch zo raar, ge kunt er geen ladder in kwijt, zal ik zagen?’ En hij zei: ‘Goed gezien.’”

“Snoeien daar begon ’t natuurlijk mee, en voor verschillende mensen. Dat waren allemaal gemengde bedrijven ja, die had een hectare en die had 500 roeien, en die had weer 3 of 4 bunder. Nou dan begonnen we in de kersen, als de kersen er af waren: takken die met ’t plukken gebroken waren, allemaal d’r uit zagen. Dat was dan ’t eerste werk wat snoeien betreft.”

“Toen ik er kwam hadden ze 2 spuiten, met die paarden, dat was ook mooi hoor. Dat was ook een goeie spuit die ze hadden, met die vos en die bruine d’r voor. Daarna kochten ze de eerste trekker, en daar ook de spuit achter van 2000 liter. Daar ben ik vaak met mee geweest, dan gingen we altijd in Zoelen spuiten. En dan was er ook nog de Arina. De Arina ja, daar heeft mijn zwager, ook veel mee gereden. Dat was een zelfrijdende spuit. Die Arina was héél apart, héél apart. Je zat open en bloot d´r op en achterwielbesturing. Ja, als je dat niet gewend was, nou dan zat je zo in de sloot.
Maar jaaah, als het maar droog was, dan ging dat best. Maar ja, een trekker daar zitten heel andere wielen aan hè? D’r zaten ook wel wielen aan, die een klein beetje houvast hadden.
We hebben ‘m vaak met de trekker los moeten trekken omdat ie verzakt was als ’t nat was. Oh, we hebben nog wel es goed schik gehad hoor! Als alles vast zat, als het goed nat was hè. Dan lieten ze ´t gras te hoog worden, maar wij moesten d´r maar door heen met die slang. Nou, dan zat er weer een slag in die slang en dan kon je maar trekken om ´m weer los te krijgen. Ja, wat dat betreft.
Nou, en met de slangen spuiten hè, en dan begonnen we met de kersen, dat was na de snoei. Als dan ’t spuiten begon, dat was carboleum bij de kersen, dan gingen we over naar ’t andere fruit: appels, peren en noem maar op, ook al met carboleum. Nou, en was de carboleum op, dan ging je er weer achteraan met de koper. Ze hadden zoveel klanten, we konden aan het spuiten blijven.”

“Maar toen werd er niet zoveel gespoten per perceel als tegenwoordig, dat ging wel eens om de 14 dagen, 3 weken en soms nog wel eens langer als het weer tegen zat. Oh, dat was dan eerst: carboleum, koper, zwavel, Californische pap, TMTD. Ja, dat was toen algemeen zo´n beetje wat er gespoten werd. Californische pap tegen de schurft en de zwavel en de koper ook. Koper dat was eigenlijk meer voor van die kankerplekken op ‘t hout. Kijk, en die kon je met koper goed bestrijden, en dan de goeie verhouding, een goeie kwak d´r in. Nou, dan was ´t meestal dat je het in één jaar al de baas was, ´t middel. Daar hoef je vandaag niet meer mee te beginnen, oh nee, en ´t mag ook heel niet meer gebruikt worden.
Och got, wat hebben we d´r wel niet mee uitgehaald. En daar was kwik, dat was ´t allerzwaarste vergif wat er was, och gunst nou. Parathion en, hoe heette dat andere spul nou ook weer? Dat was ook zo giftig, dat was meer voor rupsen. Ja, DDT. En dan was d´r nog zo´n middel, maar ja dat is niet lang gebruikt hoor, dat was een soort kalk, maar dat had een andere werking, en dat was vieze zooi.
Dat heb je nou weer als je met de slangen spuit, altijd tegen de wind op. Dus ’t ging altijd van ons af, za’k maar zegge. Dus nooit met de wind achter, dan kreeg je alles in je gezicht. Nee, wat dat betreft ging dat prima. Maar tegenwoordig zitten ze wel in die trekker en die rijden maar aan, of de wind nou achter is of voor of van opzij.”

“Nou, en dan och wat we niet geënt hebben. Och, gunst, gunst. Ja, ik zou wel eens weten willen hoeveel enten je vader gesneden heeft. Dat was je vaders werk. Hij leerde het ons ook wel, want ja als je die hoogstammen hebt, dan gingen we d’r eerst een stuk of 5, 6 afzagen en dan maar griffelen. Nou, en dan hup d’r tussen en dan raffia d’r om.
Mijn zwager die kwam altijd met de pot na, met de entwas. Ik vond dat altijd zo mooi werk hè. Dan zie je ze later weer uitgroeien. We zetten ze d’r altijd ruim op want de vogels gingen er wel eens op zitten en dan was ’t knik, maar vooral bovenin, dan zetten we d’r maar één extra. Dan kon die dooie weg en dan stond er nog een en dan moest je maar kijken hoe dat je ‘t makkelijkste kon griffelen. Maar het afzagen, dat was de kunst en dat kon je vader ook hè. Ja, die maakte d’r in één keer een mooie boom van, maar ja dat leerden wij ook net zo goed.”

“Jawel, die tijd dat ik er gewerkt heb, daar moet ik nog wel eens aan terug denken. In die jaren ben ik ook getrouwd, in die jaren dat ik bij de gebroeders werkte. Dat was toen een heel andere tijd, dat kun je niet meer vergelijken, helemaal niet. Och, moet je es kijken wat je toen allemaal voor soorten had en daar hoor je tegenwoordig niks meer van. Je had de suikerperen, je had, daar ik wou net zeggen, de waterperen, de Sijsjes, och got, en de Sterappel. Die werden veel afgezet. Bellefleur en daar gingen rooie Goudreinetten op. Gut oh gut, man, man, man, weken zijn we bezig geweest. ’t Was altijd zo tegen mei hè, als de boom ’t sap had. Want je moet sap hebben, anders krijg je de schil niet los, maar een mooi werk, joh. Dan waren d’r nog wel eens mensen die langs kwamen, die kwamen kijken, hoe is dat nou mogelijk!! Dat je daar een tekje met drie oogjes inzette, dat daar fruit aan kan komen hè. Maar dat ging hartstikke goed, ja.
Ja, ik ben d’r ruim twee jaar geweest. Daarna zijn mijn zwager en ik zelf begonnen.
Toen hadden wij al een boomgaard, bij ons in de D.straat, en ik kwam altijd veel bij die mensen en ja, daar hadden we ook altijd gespoten. Dus we hadden die bogerd al een beetje onder handen, we wisten al hoe ’t reilde en zeilde. Toen zeiden ze: “Je kunt die bogerd veul beter huren, willen jullie die niet huren?” Ja, en van ’t één komt ’t ander. Toen hebben we een keer een oud spuitje kunnen kopen, met een trekkertje. Toen kon je nog een paar centen krijgen hier of daar.
We hadden ruim 6 bunder gehuurd en dan zelf ook, en snoeien en spuiten. Ja, je moest ’t helemaal onderhouden. Je betaalde een zeker bedrag. Oh, maar dat was niks tegenover vandaag. Maar ja, we hebben d’r hartstikke plezierig in gewerkt. Ik zou ’t niet meer willen zoals ’t nou is, maar wel de tijd die ik zelf heb meegemaakt. Dan zou ik ’t wel weer overnieuw willen doen. Niet zoals ’t nou op ’t ogenblik is. Nee, nou is ’t niet leuk meer.
Het grootste perceel lag aan de R.dijk, dat was drieënhalve hectare hoogstam, als je d’n dijk uitrijdt, naar Rijswijk toe.
Nee, maar als je toch ziet, tegenwoordig, maar denk er om dat wij toen hebben moeten werken hoor. Maar ja, toen begonnen we net met kisten van 30 kilo peren, Septer kisten. Die grote doodskisten, maar ik zal niet zeggen voor ’t plukken. Wij hadden altijd een schort voor en dat schort die plukte je vol, hoor. En die kon je er makkelijk in uitgieten.
En dan later met die kleinere kiesten, dan ging dat moeilijker, dan moest je ze wel optillen.
Ja, we hebben wat afgesjouwd. Dat was toen heel gewoon, dat was niet anders en je kon ze in dezelfde kisten sorteren waar je ze in plukte.”

“Wij hoefden niet te kijken. Onder deden de vrouwen plukken, die onderste ring van de hoogstam, en wij op de ladder en alles wat je tegenkwam plukte je af. Dan was je de boom rond geweest, dan was ie leeg. En nou motten ze d’r 2 tot 3 keer langs, en maar kijken heeft ie kleur genoeg, het ie geen kleur genoeg, hoefden wij nooit naar te kijken.
De schort vol en weer lossen en weer tegen de trap op, maar ja, dat was toen heel gewoon. Iedereen moest dat, plukken in een kanis, ja. Maar dat was helemaal niks, daar werden d’r veuls te veul gedutst hè. En als ie voller raakt, en dan met die haak er aan, verdorie dat was zwaar hoor. Nee, ik had ze liever in de schort, die had je kruisweegs over. Dan had je de vracht over ’t hele lichaam hè, dat kon je beter de baas.
Toch denk je daar nog wel eens aan terug, hè. Och, och. Wat hebben wij toch vroeger moeten klauteren en moeten prutsen tegenover tegenwoordig hè.”

Kijk ook eens op: