Historische fruitteelt: ”In Culemborg verdween bijna de hele fruitteelt.”

Verhaal de heer B. (geb. 1948)

Culemborg. Het is zondagmiddag, de eerste zondag van het nieuwe jaar, als ik door M. loop, een wijk ten westen van het centrum van Culemborg. Een winterzonnetje in een ijsblauwe lucht kleurt de laagjes sneeuw helderwit. Rust overheerst. In sommige tuintjes staat tegen de straatkant aan een perenboom, haar takken kaal en wijd.

Tekst Sandra van Ommering

Helpen plukken
Ik ben op weg naar C.B., 62 jaar en snoeier van beroep. Dat is min of meer door toeval zo gekomen, vertelt hij me later, wanneer ik tegenover hem in zijn huiskamer zit. Een man die in fruit handelde, boomgaarden pachtte, bij boeren boomgaarden spoot en maaide, reed op een dag langs de boerderij aan de L.straat waar het gezin B. woonde. Het was hoogzomer en het hooi was net binnen: “Ik weet het nog goed. We waren thuis voor het huis bezig, daar hadden we een stukje bieten, en toen stopte hij langs de weg. Hij kwam om aan mijn vader te vragen of ik niet een paar weken kon helpen fruit plukken. Ik was vijftien jaar en zat op de landbouwschool, en dan had je best lang vakantie. En zo ben ik daar een week of zeven geweest. Het begon in de pruimen, dat weet ik nog wel, de pruimen tot en met de vroege appels. Toen ik in september weer naar school ging, was het afgelopen. Maar in mijn vrije tijd bleef ik er helpen plukken, en van lieverlee mocht ik ook helpen met snoeien. Zo ben ik in het fruit gerold.” C.B blijft bij deze loonwerker in dienst en gaat later naar de fruitteeltschool in Geldermalsen.

Die bomen zijn met mij opgegroeid
Zijn ouders hadden in die tijd, net zoals vrijwel alle boeren, een gemengd bedrijf. Een stukje bieten, een stukje aardappelen, een stukje koren, tien melkkoeien en een boomgaardje. “Ik weet nog als jochie dat we die bomen ingeplant hebben, dus ze zijn een beetje met mij mee opgegroeid.” Later, als C. inmiddels naar eigen zeggen ‘in de fruit zit’, planten ze achter de boerderij een pruimenboomgaard. Als ik hem vraag naar de fruitsoorten die ze destijds hadden, dwaalt zijn blik af en noemt hij ze feilloos op: “We hadden Goudreinette, dat was vroeger dè appel, Zoete Bloemee en Brederodes stoofperen, een ouderwetse stoofpeer. Een Legipont stond erin, een Zwijndrechtse wijnpeer stond erin, er stonden twee Conference bomen in, en aan die kant – hij wenkt met zijn handen – stonden twee pruimen, Reine Victoria. Die staan er nog steeds, maar die zijn echt oud hoor, helemaal afgetakeld. Een paar Gieser Wildeman, staan er ook nog, een stoofpeer is dat… Dat was het wel zo’n beetje, dat waren de soorten van vroeger.”

Veel boomgaarden
In de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw lagen er rond de stad Culemborg veel boomgaarden. B: “Langs de R.weg waren een paar boomgaarden, van H. en van Van T. Langs de W.steeg, daar had je een hele grote boomgaard van P de G. En waar nu de wijk de H. is, daar had de familie B. een paar hele grote boomgaarden. Mevrouw V., van huis uit ook geen boer, die had daar twee boomgaarden liggen. De familie S., in C. wel bekend, had vroeger ook boomgaarden. Eén aan de P.weg, die heb ik nog eens gemaaid, en één ‘boven de stad’, bij de A.weg en de L. D. Daar hadden de S.’s een hele grote kersenboomgaard. Die boomgaarden zijn nu bijna allemaal verdwenen.”

Op het hout
De boeren die bij hun boerderij een boomgaard hadden, snoeiden die zelf of besteedden dit uit. In het laatste geval lieten ze de boomgaard vaak ook spuiten en maaien. In juli werd er dan ‘op het hout’ verkocht. Dat wil zeggen dat het fruit al werd verkocht voordat het was geoogst. Degene die het kocht, moest dan zelf zorgen dat het fruit geplukt werd en nam daarbij het risico van een slechte oogst op de koop toe.
“Vroeger had je de grote verkopingen. Daar waar vroeger de bioscoop was, bij van G. Op zo’n middag waren er wel honderd man, allemaal fruithandelaren. Dan werden daar alle boomgaarden in de omtrek van Culemborg geveild. Dan werden ze ‘opgehangen’ op bijvoorbeeld tienduizend, en dan zakte de prijs, totdat er iemand riep: ‘Mijn!’. En die had dan het fruit gekocht. Zo was vooral in deze streek vroeger het fruit.” Berucht, volgens B., was de veiling van de boomgaard van mevrouw V. “Vrouw V. vroeg altijd ‘veuls te veul’. Dan was de boomgaard vijfhonderd waard en dan vroeg ze vijfduizend. Daar begon het dan mee en dan zakte het naar beneden, weet je wel, en de hele zaal lachen.”

Veluco
“De Goudreinnette, dat was het hoofdbestanddeel van de boomgaard vroeger. Er was ook altijd wel een stukje Zoete Bloemee, dat was een appel die niet te hard was. Later had je de Glorie van Holland en de Zoete Campagner. Gravensteiners, daar waren er ook wat van, en er waren boomgaarden waar heel veel Sterappels in stonden. Van de Yellows waren er ook wel eens wat. Je had de Notarisappel en later kwam de Jonathan er bij. Je had de Present van Engeland en vroeger natuurlijk de Bellefleur. De Legipont was ook een peer die veel voorkwam. En Brederodes, van die dikke grote stoofperen waren dat. Keuleman, dat waren van die harde appels. We hadden ze een keer toch ‘meegeplokken’ en naar de Veluco gebracht. Vroeger kon je de appels zelf naar de Veluco brengen, de appelmoesfabriek in Geldermalsen. Die appels waren zo hard dat de zeven van de machines ervan kapot gingen. Toen de baas van de fabriek erachter kwam dat wij die hadden meegebracht, was hij kwaad en zei: ‘Ik wil ze niet meer hebben!’”

Armenboomgaard
Eén van de boomgaarden waarin C.B. is begonnen ‘als jochie van vijftien’, is de armenboomgaard, aan de G.dijk net voorbij fort W.aan het S. Destijds moest hij er maaien en spuiten. De armenboomgaard was het eigendom van de katholieke kerk. Met de opbrengst van de verkoping van het fruit werden armen in de omgeving ondersteund. Zo had ook de hervormde kerk een armenboomgaard, aan de R.weg. B. heeft ook daar wel geplukt. De boomgaarden werden geschonken aan de armenbesturen als de eigenaar overleed en er geen erfgenamen waren. Later, toen het onderhoud meer kostte dan zij aan fruit opbrachten, verkochten veel armenbesturen de boomgaarden. Zo werd veertig jaar geleden ook de armenboomgaard aan de G.dijk door de katholieke kerk verkocht.
Via verschillende eigenaren kwam zij uiteindelijk in bezit van het Gelders Landschap. De boomgaard was inmiddels behoorlijk verwaarloosd. Het Gelders Landschap begon haar mondjesmaat op te knappen. Later bemoeide ook de gemeente Culemborg zich er mee. Uiteindelijk kwamen deze partijen terecht bij C.B., die adviseerde over nieuwe aanplant en de bomen grondig snoeide. “We hebben hem vier jaar opgesnoeid en ieder jaar doen we d’r minder lang over. Ze hadden daarvoor alleen een beetje onderaan gesnoeid. Bovenin was het helemaal wild. Het eerste jaar heb ik toen de zaag gepakt en alle takken waar ik met mijn lange ladder niet bij kon, afgezaagd. Heel veel takken waren al afgebroken, dat kun je nu nog aan de bomen zien. Er zijn nu heel veel bomen bij, daar zijn alle oude takken af, maar die hebben allemaal weer nieuwe, vierjarige takken. Het jonge hout onderin hebben we gespaard en dat is ook weer gaan groeien. We hebben ook een paar bomen bewaard die eigenlijk op waren. Maar daar zaten uiltjes in, of andere vogels. Daar heb ik alle dode takken uitgesnoeid en die zijn toen toch onderaan bij de kruin weer gaan uitlopen. Er zat er een bij met een heel dikke stam met allemaal vogelgaatjes erin. En net bij de kruin, waar de oculatie zat van vroeger, daar is het weer uit gaan lopen. De boomgaard ligt er nu weer mooi bij. Ik vind dat leuk werk om te doen.”

Snoeitechniek
De snoeitechniek van vroeger verschilt niet echt met die van nu, zo vertelt B. “Je moest net als nu zorgen dat je hangend hout had, want daar komen de vruchten aan. En je moest ook zorgen dat er weer nieuwe takken in de boom kwamen. Uiteindelijk draait het er om de goede vruchttakken te bewaren en de verkeerde takken weg te knippen.”
Vroeger snoeide hij veel meer met de zaag, terwijl hij tegenwoordig, als de meeste snoeiers, de moderne schaar hanteert. “Een zaag op een stok, en als het kon zo lang mogelijk, dan hoefde je de boom niet ‘rond te lopen’, zeg maar. Dan zette je de leer in de boom, een beetje in het midden en dan had je een lange zaag en dan ‘daar een paar takken weg’ en ‘daar een tak weg’, zo kon je de hele boom meenemen.”

Fruitteeltmuseum
Na de fruitteeltschool begint C.B. voor zichzelf. Hij huurt hier en daar een boomgaard, onderhoudt hem en verhandelt het fruit. De laagstamboom is dan al flink in opkomst, en op veel plekken worden hoogstamboomgaarden gerooid. Deels onder invloed van de ‘rooipremies’ en deels door stadsuitbreiding. In de wijk De H. bijvoorbeeld moeten veel boomgaarden wijken voor de bouw van huizen. “Er verdwenen een heleboel hoogstamboomgaarden. In Culemborg verdween bijna de hele fruitteelt.” Desondanks blijft C.B. in de hoogstam werken. “Het was toen ‘enkelt’ hoogstam, want daar kon je makkelijker aankomen. Ik heb ook wel laagstam gesnoeid. Maar wat ik voor mijzelf deed, wat ik huurde of pachtte, dat waren hoofdzakelijk hoogstamboomgaarden.” De opbrengst van de hoogstamboomgaarden wordt in de loop der jaren financieel echter steeds minder aantrekkelijk. Eind jaren tachtig stapt hij nog een tijdje over op het leveren van biologisch fruit. In diezelfde periode raakt hij betrokken bij de komst van een fruitteeltmuseum in Culemborg. Het museum houdt niet lang stand en uit het faillissement kopen zowel de gemeente Culemborg als C.B. de hoogstambomen. Een groot deel ervan komt terecht in de wijk M., toen nog een wijk in aanbouw.

Wijk M.
Tegenwoordig houdt B. zich voornamelijk bezig met snoeiwerkzaamheden. Zo snoeit hij ieder jaar de hoogstamfruitbomen die het de wijk M. in Culemborg sieren, een erfenis dus van het voormalige Fruitteeltmuseum. En inderdaad, een paar weken later, op een ijskoude morgen, zie ik hem staan. C.B. op zijn ladder, schaar in de hand, bezig met de snoei van een van de 280 perenbomen op de B.laan. Zij houden stand tegenover de tijd, snoeier B. en zijn bomen, tot genoegen van de wijkbewoners.

Kijk ook eens op: