Historische fruitteelt: ”Ik ben ook een keer wakker geworden, dat de trekker in de boom zat … in slaap gevallen met het gras maaien.”

Verhaal de heer H. de K. (geb. 1946)

Hoewel H. de K. het grootste deel van zijn arbeidzaam leven touringcar-chauffeur is geweest, heeft hij altijd een grote affiniteit met de fruitteelt gehad. Tot op de dag van vandaag is hij bezig met het snoeien van fruitbomen bij een teler in de buurt en houdt hij een aantal fruitbomen bij van particulieren in zijn omgeving. Als kind van een loonwerker, tevens fruitpachter en fruitteler, is hij bij wijze van spreken van uit de wieg zo in de hoogstambongerd gestapt. Dat hij er als jonge man eind jaren zestig van de vorige eeuw mee stopte, was noodgedwongen: vanwege de opkomende malaise in de fruitteelt zag hij daarin geen enkele toekomst meer voor hem en zijn gezin weggelegd. Toch had hij op dat moment al een heel verleden in de fruitteelt achter zich en een schat aan ervaringen in de hoogstambongerd opgedaan. Daarover vertelt hij graag; zijn verhalen zijn soms nostalgisch, maar ook heel realistisch, gelardeerd met prachtige anekdotes.

Tekst Gert Huting

“Mijn vader is eigenlijk begonnen met loonspuiten, net na de oorlog. Met geleend geld kocht hij een motorspuit, waarvoor een gehuurd paard was gespannen. Daarmee ging hij overal bij de boeren spuiten en zo had hij in de loop der jaren zo’n zestig hectare om bij te houden.”
Het bespuiten van de hoogstamfruitbomen was een vak op zich. Aan de spuit zat een lange, zware slang met aan het einde een spuitstok, een spuitlans. Onder een druk van dertig atmosfeer werden de bestrijdingsmiddelen tot hoog in de bomen gespoten. Als het paard soms, wanneer de spuit vooruit moest – ondanks het commando – toch stil bleef staan, werd de spuitlans even op zijn kont gericht en reken maar dat het dan wilde lopen! Het was zwaar werk, dat loonspuiten, maar het leverde wel geld op. Daarom kon er enkele jaren later al een trekkertje worden gekocht. Daarna bleef het loonwerken niet beperkt tot enkel het spuiten van de hoogstambomen, maar er werd ook gras gemaaid en snoeihout opgeruimd.

Zo was H. de K. als jochie van een jaar of acht al druk in de weer om zijn vader te helpen. Tijdens het spuiten reed hij op de trekker en was hij er al snel veel handiger in dan zijn vader. Het was een kunst om zo te rijden en te manoeuvreren, dat je de zware slang op de juiste manier meesleepte.
Een van de middelen waarmee gespoten werd, was vruchtboomcarboleum. Alles wat daarmee in aanraking kwam werd geel: het paard, de spuit, de trekker, je kleding, ja zelfs je ondergoed was geel. En je handen ook natuurlijk. Het was een sport om met gele handen op school te komen. L., de knecht, leerde H. al snel hoe hij zijn handen zo geel mogelijk kon krijgen. Naast de relatief onschuldige carboleum, werd er ook gewerkt met parathion en DDT. En zelfs met kwik; alsof het pap was! Dat slechte werk bracht echter wel de nodige centen in het laatje, waarmee op den duur wat fruit gepacht of zelfs aangekocht kon worden. Op deze manier kwam je als loonwerker geleidelijk meer in de fruitteelt terecht.

In de vijftiger jaren loonde het dan ook nog steeds om fruitteler te zijn. Bijvoorbeeld Cox Orange bracht een gulden vijftig per kilo op; wanneer er toen negentig kisten van twintig kilo per stuk geveild werden, leverde dat een vermogen op. Zelfs de val, met name de schone plukval, was op de veiling nog redelijk wat waard. Logisch, dat er toen nog door jonge mensen gekozen werd voor de fruitteelt.
Zo verging het ook H. de K. die in ’67 het loonwerkersbedrijf van zijn vader overnam, maar die het jaar erop – nadat hij nog een nieuwe spuit en trekker had gekocht – geconfronteerd werd met het massaal rooien van de hoogstambomen. In die periode was het fruit niks meer waard, werd het op de veiling doorgedraaid en kreeg je van de overheid een zogenaamde interventieprijs. De aanvoer was zo enorm groot, dat er op verschillende plaatsen grote gaten werden gegraven, waarin het goede fruit gestort werd. En zo gebeurde het, dat de heer de K. in die tijd ook nog op de televisie kwam. Tot drie keer toe op een en dezelfde dag was hij, telkens met negentig kisten Conference-peren, naar Geldermalsen gereden om ze voor zeven cent per kilo in een groot fruitgraf te storten. Blijkbaar waren er door de NTS opnamen gemaakt en later uitgezonden, want nadien wisten verschillende mensen uit Rumpt te vertellen, dat ze H. met zijn karretje fruit nog op de televisie hadden gezien.

Het werd armoe troef in de fruitteelt. Ondanks dat zijn vrouw ook nog mee ging plukken bleef er geen dubbeltje over. Het ging zelfs zover dat ze ’s nachts voor een fruitexporteur appels gingen inpakken. “Gingen we dan met een stel armoedzaaiers, van die fruittelers allemaal; dan gingen we daar van zessen tot zessen, gingen we daar dus appels inpakken op een schaal.” Maar overdag moest er weer gewoon gewerkt worden. Gras maaien, spuiten en zo. “Ik ben ook een keer wakker geworden, dat de trekker in de boom zat … in slaap gevallen met het gras maaien.”
Met overheidssubsidie werden eind jaren zestig de hoogstambongerden een voor een opgeruimd en binnen de kortst mogelijke tijd was er voor de loonwerker nog maar tien hectare over om te bewerken. Dat betekende niet alleen voor hem einde verhaal, maar deze aanpak was de definitieve doodsteek voor nagenoeg al het hoogstamfruit. Er kwam een heel ander soort fruitboom voor in de plaats. De staande soort fruitteelt met spillen van het type vier, zeven, negen … noem ze maar op. Het bewerken van de hoogstambomen was dermate arbeidsintensief gebleken dat het wel gedoemd was plaats te maken voor een hele nieuwe vorm van fruitteelt.

Als kersenkoopman pachtte de vader van H. de K. elk jaar een grote kersenbongerd, samen met een man of vijf, een maatschap. Zijn moeder was samen met de andere vrouwen van de maatschap, werkzaam aan de dis, bezig om de kersen te sorteren. Hoewel vreselijk zwaar, vanwege de lange dagen, was het in die zes tot acht weken ook een ontzettend mooie tijd. Iedere dag zorgde de spreeuwenkeerder voor een kampvuur, waarop het water voor de koffie werd gekookt en waaraan je je lekker kon warmen als het koud en regenachtig weer was. Behalve koffie, was er iedere morgen rond 08.00 uur voor elke plukker een haring. Maar na verloop van tijd waren verschillende mensen zodanig aan de kersenpiep [diarree], – met name de zwarte kersen hadden een enorm laxerende werking – dat ze geen haring behoefden. De twee haringen die overbleven werden dan onder de overigen verloot door middel van bamzwaaien [raadspelletje met lucifers]. Stond je je daar heel druk te maken voor een stukje haring!

Ruim dertig plukkers, onder aanvoering van de voorplukker, waren weken achtereen werkzaam in de hoge kersenbomen om al die kersen naar beneden te brengen. Er stonden bomen bij – Vroege Duitsers – zo hoog, dat een ladder van vierenvijftig sporten nog niet toereikend was om helemaal bovenin de boom te komen. Omdat er onderaan de boom weinig hout zat, moest de ladder worden gestut met een schaar. En omdat H. nog maar een jongen van vijftien was en beduidend minder woog dan de volwassenen, was hij de aangewezen persoon om bovenin te gaan plukken. Dat was dermate hoog – soms was er nog een klein laddertje boven aan vastgemaakt, zodat je aan wel zestig sporten kwam – dat buitenstaanders die het zagen, vol bewondering van acrobatiek spraken!
Hij verdiende daarmee vijftien gulden per dag. Als volwassene had je vijfentwintig, later zelfs vijfendertig gulden per dag. Wanneer je dat afzette tegen het gangbare loon in die tijd, zo’n vijfentachtig à negentig gulden per week, dan was dat kersen plukken toch een heel lucratieve bezigheid. Je werkte daar wel van ’s morgens vijf tot ’s avonds half zes voor, met enkele onderbrekingen voor de koffie en de lunch. Maar aan het eind van de kersentijd had H. met zijn vijftien gulden per dag voldoende verdiend om een bromfiets te kunnen aanschaffen.

Als kersenplukker had je een eigen ladder en eigen genummerde hoenderik [plukmand] toegewezen gekregen. De voorplukker had niet alleen de kleinste hoenderik, maar had ook zijn ladder als eerste mogen uitzoeken. Hij bepaalde het tempo en hield samen met de bazen – de mannen van de maatschap – in de gaten of je wel of niet mee kon komen. Had de voorplukker zijn hoenderik vol, dan kwam hij als eerste, samen met zijn maat naar beneden en riep: ‘Onder!’ Waarop iedereen met zijn volle mand naar beneden kwam, om samen naar de dis te lopen. Op de dis waren ook nummers aangebracht en moest je bij je eigen nummer de hoenderik ledigen. De dames achter de dis wisten zodoende precies van welke plukker de kersen afkomstig waren en aarzelden dan ook niet om zo nodig de plukker die het niet zo nauw had genomen, daarop te attenderen. Er moest immers schoon geplukt worden: geen mussenpik [kersen, aangepikt door vogels, hoofdzakelijk spreeuwen], geen lek [kapotte kersen], geen rotte kersen en geen blad in de hoenderik.

Om praktische redenen, maar vooral om de druk van de smalle sporten van een ladder de hele dag aan je voeten te kunnen verdragen, liepen de plukkers op klompen. Sommigen hadden de hak van de klomp nog iets scherper uitgevijld om er maar beter mee achter de sport te kunnen haken, om wegglijden te voorkomen. Je stond op de ladder met je ene been door een opening tussen twee sporten van de ladder en je andere been enkele sporten lager. Zo kon je met twee handen tegelijk plukken en redelijk achterover reiken, zonder dat je van de ladder viel. Daar werd nauwlettend op toegezien door de bazen, die er bij gebaat waren dat het plukken niet alleen netjes, maar ook snel gebeurde. Binnen het half uur moest je toch wel een hoenderik vol hebben, met een kop er op. Maar je moest het niet wagen om eerder dan de voorplukker naar beneden te gaan. Had je het lef om dat toch te doen, dan had je een probleem. Eerstens kreeg je stevig van hem op je donder en daarna ging hij jagen, als voorplukker met zijn kleinste mandje alsmaar sneller plukken en moesten jij en de andere plukkers maar zien, dat je hem bijhield. Dat werkte ruzie en spanningen in de hand. Dan bleef er weinig tijd over om nog even een sjekkie te rollen, laat staan op te roken.

Het was de kunst om de kersen zodanig, steeds met de steeltjes omhoog, heel losjes op elkaar in de hoenderik te leggen, zodat er minder gewicht in zat, maar de mand toch vol was, met kop en al. Dit werd luchtleggen genoemd. Vooral Varikse en Mierlose Zwarten leenden zich daar erg goed voor. Dat kon al gauw een halve tot een hele kilo op een hoenderik van vijf kilo schelen. Maar ja, dat wist men van elkaar maar al te goed en zo gebeurde het wel, dat er onder het lopen naar de dis, gauw even door een ander tegen jouw hoenderik werd getikt, waardoor het hele handeltje ineen zakte. Weg kop, terwijl het nou juist een eer was om altijd met een volle hoenderik, met kop erop, bij de dis te verschijnen.
“Soms hing een boom zo vol met kersen, dat er om geloot werd wie hem mocht plukken. In één zet [verticale plukstrook, aan beide zijden van de ladder] zaten dan zoveel kersen, dat je wel negen keer ‘op’ moest, voordat zo’n zet leeg was. Dan kon je in alle rust plukken, want ook dan gold: niet eerder naar beneden dan de voorplukker. Je wachtte maar geduldig in de boom af en rookte rustig je sigaretje tot je bespeurde dat B.M., zo was zijn naam, uit de boom was. Daarna kwam jij pas naar beneden. Je had echt het hart niet in je lijf om hem voor te zijn. Over hiërarchie gesproken! De voorplukker had niet alleen de eerste ladderkeus en de kleinste hoenderik, hij had ook de beste plaats bij het kampvuur: uit de rook en toch lekker warm!”

Enkele keren tijdens de kersentijd was er aanleiding om een feestje te houden. De eerste keer gebeurde dat, wanneer er al voor zoveel geld aan kersen was verkocht, dat de maatschap kon zeggen: wij zijn over de dam. Dan was er al voldoende geld binnengekomen om de pacht van de kersen te kunnen betalen. Om dat te vieren werd er bier en limonadegazeuse in de bongerd gehaald. Ook werd er een rondje gegeven als er een dubbele kers geplukt was, mits dit aan de dis was gemeld. Tot slot was er op de allerlaatste plukdag het Kersenfeest. Dan zat de kersentijd, die een kleine twee maanden had geduurd, erop.

H. de K. is zo gefascineerd door het onderwerp, dat hij nog een verhaal met de nodige anekdotes uit de kersenbongerd kwijt wil. “Wij waren begin jaren zestig al zo modern, dat we een geluidsinstallatie met bandrecorder en microfoon in de kersenboomgaard hadden.”
En – toeval of niet – laten ze nou een spreeuwenkeerder in dienst hebben die Frans Bauer heette en uit een woonwagenkamp afkomstig was. Enkele jaren geleden meenden mensen in Kerkdriel te weten, dat het om de opa van dè Frans Bauer van nu gegaan zou hebben! Feit is wel, dat deze spreeuwenkeerder heel goed kon zingen en via de geluidsinstallatie zijn liedjes niet alleen de kersenbongerd in stuurde, waardoor de spreeuwen weg bleven, maar de versterker zover had opengedraaid, dat het op zondag tijdens de dienst tot in de kerk hoorbaar was. En dat vanuit de kerk het vriendelijk verzoek kwam om de installatie tijdens de kerkdienst toch maar iets zachter te zetten.
Hij was een spreeuwenkeerder met een bijzonder arbeidsethos. Om de spreeuwen nog meer angst aan te jagen en zodoende uit de kersenbongerd te houden, nam hij met de bandrecorder het geluid op van angstig schreeuwende spreeuwen, die hij in de bongerd had gevangen. Beslist niet diervriendelijk, maar buitengewoon effectief.
H. de K. beëindigt het onderhoud in stijl met het showen van een plukschort, ook wel pulles genoemd, een nostalgisch plukkersattribuut uit het rijke hoogstamverleden.

Kijk ook eens op: