Historische fruitteelt: ”Er waren jaren bij, dat een fruitteler alleen aan zijn kersenbongerd meer verdiende, dan aan zijn zeven, acht hectare overig fruit.”

Verhaal de heer V. (1953)

Er is niet veel van overgebleven, van al het hoogstamfruit in Rossum in de Bommelerwaard. T.V., fruitteler aan de P.C. H.weg, wijst op de schamele perenbomen langs de kant van de weg. Het zijn restanten – overpoot eigenlijk – van het grote areaal aan hoogstamfruit uit de vorige eeuw. Hij kan zich nog goed voor de geest halen dat er in zijn jonge jaren in de directe omgeving alleen al drie, vier grote boomgaarden waren. Tot half jaren zestig waren de bongerden, zoals overal in de Betuwe, karakteristiek voor het landschap. Nu staan deze laatste bermbomen er troosteloos bij, niet zozeer vanwege het jaargetijde, maar vooral door hun verminkingen en amputaties als gevolg van amateuristisch snoeiwerk. Ze ogen ook nog eens verweesd van hun voorgangers, afgesneden van hun soortgenoten. Maar ze staan er nog altijd met een zekere trots bij, alsof ze zich bewust zijn van hun monumentale waarde.

Tekst en beeld Gert Huting

Hoog waren ze in ieder geval, die perenbomen. Een imposante stam met daarop een enorme kruin. Om ze te kunnen bewerken – snoeien, plukken – waren lange ladders nodig, soms wel met veertig tot vijftig sporten [laddertreden]. Deze waren zo zwaar, dat je een ladder, als hij eenmaal in de boom stond, in de lengteas moest omrollen om in de volgende leg [verticale plukstrook, aan beide zijden van de ladder] te komen. Alleen een heel sterke man was in staat om zo’n leer [ladder] in zijn eentje overeind te zetten; meestal werd dat met zijn tweeën gedaan.
Wanneer de ladder goed in de boom stond, al dan niet gestut door twee mikken [houten stutpalen], werd hij met een rode zakdoek aan de bovenste sport vastgeknoopt aan een tak om achterover vallen van de leer te voorkomen. Pas dan kon met de pluk van het fruit worden begonnen.
Peren en appels werden geplukt in een kanus, een grote mand van gevlochten wilgentenen, met een hengsel en een haak eraan. Hierin ging zo’n vijftien tot twintig kilo. Zacht fruit -kersen en pruimen – werden in een kleinere mand, de hoenderik geplukt, waarin zo’n vier à vijf kilo naar beneden gebracht werd.

T.V. vertelt met verve over zijn ervaring in het hoogstamfruit, ook over de naoorlogse periode toen de bestrijdingsmiddelen in zwang raakten en er volop met parathion en DDT werd gespoten. Dat daarmee niet alleen de schadelijke insecten werden gedood, maar eigenlijk de gehele biotoop om zeep werd geholpen kan hij, ook als agrariër, achteraf alleen maar betreuren. Toen is het kwaad geschiedt, zo omschrijft hij deze onomkeerbare ingrepen in de natuur.
Maar het beschrijven van deze beladen manier van ongediertebestrijding, weegt niet op tegen de waterval aan woorden als hij vertelt van dierbare herinneringen aan de tijd van de hoogstambongerden of ‘boogerden’ zoals hij ze lyrisch noemt. Vooral wanneer de kersenboogerd ter sprake komt, twinkelen zijn ogen en is het alsof de tijd voor je ogen herleeft. Hij geeft je een uitgebreide inkijk in het sociaal maatschappelijk leven, zoals zich dat toen in een kleine gemeenschap afspeelde, in het bijzonder wanneer de kersentijd was aangebroken.

Het was eigenlijk een heel familiegebeuren in de tijd van de kersenoogst. Nagenoeg alle families uit Rossum waren er wel bij betrokken. Zes tot acht weken lang was zo’n grote kersenbongerd het decor voor een scala aan activiteiten en werkzaamheden, waarin iedereen zijn eigen rol had.
De spreeuwenkeerder was iedere morgen voor het krieken van de dag – zeven dagen in de week – als eerste in de bongerd om de spreeuwen te verjagen, telkens als die een aanval op het overheerlijke fruit ondernamen. Zodra het licht werd kwamen ook de kersenplukkers: boerenknechten, kleine boertjes, arbeiders van de steenfabriek die hun snipperdagen hadden opgenomen. In de kersen kon je immers goed verdienen! Weer wat later op de dag, wanneer de kinderen naar school waren, kwamen de huisvrouwen die achter de dis plaatsnamen om de eerste kersen die al geplukt waren, te gaan sorteren. De dis, dat was een grote tafel, of een paar schragen met een grote plank of oude deur er op, waarboven een zeil gespannen was en waarop de kistjes met kersen voorzichtig werden omgekiept om uitgezocht te worden: de ‘kwaaie’ [slechte, rotte kersen] op de grond; de ‘rooie’ en de ‘mussenpik’ [kersen, aangepikt door vogels, hoofdzakelijk spreeuwen] apart van de goeie kersen, waar het natuurlijk het meest om te doen was. Een plukker die teveel rood plukte, kreeg op zijn duvel, want dat was niet de bedoeling.
Je hoorde netjes te plukken, geen blad en geen rotte kersen in de mand. De vrouwen achter de dis moesten niet met extra werk opgezadeld worden. Ze moesten immers al alle zeilen bijzetten om de oogst van zo’n dertig kersenplukkers bij te kunnen houden.
In de jaren vijftig kwamen vanuit Vught veel Ambonezen op de bromfiets naar Rossum om als kersenplukker een graantje mee te pikken. Ze waren watervlug, gingen ook aan de achterkant van de ladder omhoog de boom in en namen niet de moeite om de ladder boven vast te zetten. Ze waren immers klein van stuk en heel licht. Een ‘zware’ Ambonees woog volgens T. V. veertig kilo!

Verzameling oude gereedschappen

Ja, kleine mannetjes en geweldig vingervlug. Ze waren dol op spreeuwen. Spreeuwen die doodgeschoten waren, werden niet weggegooid, maar verzameld en keurig in twee kersenkistjes gesorteerd: eentje met oude, eentje met jonge spreeuwen. De leeftijd is immers belangrijk voor de baktijd; voor deze mensen ging het hier om een uiterst smaakvolle delicatesse. Tussen de middag werden ze schoongemaakt om de volgende dag, nadat ze thuis waren gebakken, door de Ambonese kersenplukkers opgegeten te worden.
Andere arbeiders, zoals de spreeuwenkeerder, die wat verder van Rossum woonden, hadden een speciaal potje met warm eten bij zich, de zogenaamde ‘hinkeman’ [warmhoudpan]. Samen met de anderen werd aan de dis gegeten of – als het mooi weer was – in een kring onder de boom. Van de spreeuwenkeerder, die alle dagen van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat in de kersenbongerd verbleef, kon je gerust stellen dat het was alsof hij er woonde. Eigenlijk gold dat voor alle medewerkers: de kersenboogerd was bijna twee maanden lang je huis.

Van alle soorten kersen, was de Meikers in zeker opzicht toch wel apart. Je had er bomen van bij, waar zomaar drie, vier takken een ander soort droegen: de Volgers. Deze waren aanvankelijk erg zuur, bijna niet te eten en veel later rijp dan de Meikersen. Zo’n groepje takken met Volgers werd een ‘blees’ genoemd en moest dus altijd worden nageplukt.
Bij het uitvoeren van al deze werkzaamheden in de kersenbongerd hoorden ook vaste rituelen en gebruiken. Wanneer een plukker een dubbele kers [twee kersen aan één steeltje (Siamees)] had geplukt, diende hij dit te melden en moest er door hem een rondje worden uitgegeven. Dit kostte je natuurlijk geld en om dat te voorkomen werd zo’n dubbele kers nog wel eens stiekem bij een ander in de hoenderik gedaan of er werd niks gezegd en kwam de dubbele kers pas op de dis bij het uitzoeken van de kersen te voorschijn. Dan was degene die hem op de uitzoektafel vond aan de beurt voor een rondje. De borrel kwam ook op tafel wanneer er iemand jarig was of wanneer de baas een goede prijs voor zijn kersen had gebeurd. Diezelfde baas kon echter ook enorm sikkeneurig worden wanneer hem iets niet zinde. Een kersenplukker die het niet zo nauw nam en een volle tak, waar hij niet goed bij kon afbrak, om toch maar de kersen te kunnen oogsten, kreeg steevast het verwijt: “Ge hebt ze voor volgend jaar ook al geplukt!”

Aan het eind van de dag stonden de kersen, keurig gesorteerd in kistjes van vijf kilo klaar om afgevoerd te worden naar de veiling. Aanvankelijk gebeurde dat met paard en wagen, later met een oude Bedford. Wanneer het had geregend en de vrachtauto niet in de boomgaard kon komen, moesten alle kistjes, vaak honderden, naar de straat gedragen worden, om daar alsnog op de Bedford geladen te worden.
T.V.: “Ja, en toch waren dat gouden tijden, dat heb ik ook wel van oudere mensen gehoord. Er waren jaren bij, dat een fruitteler alleen aan zijn kersenbongerd meer verdiende, dan aan zijn zeven, acht hectare overig fruit. En dan te bedenken, dat de jaarlijkse kermis in Rossum direct na de kersentijd plaatsvond! Reden voor de plukkers om niet wekelijks af te rekenen, maar om zich pas aan het eind van de pluk te laten uitbetalen.”
Een enkel jaar ging het mis. Dan waren de weersomstandigheden, met heel veel regen en mist dermate slecht, dat de kersen scheurden en rotten. Dan was het snel afgelopen.

Natuurlijk was er ook het andere hoogstamfruit, pruimen, appels, peren en zelfs abrikozen en perziken. Vaak stonden in een hoogstambongerd verschillende soorten fruit. Peren, zoals Clapp’s en Suikerpeer en appelen: Bramley, Goudreinet, Notarisappel. Ook pruimen natuurlijk. Bijvoorbeeld de Krooskes, of Kreuskes, een kleine pruimensoort aan een grote boom. Zoals dat vaker met pruimen gebeurde, werden deze geoogst door stevig aan de takken te schudden met een mik. Onder de boom lag een zeil of stuk doek waarop de pruimen vielen. Daarna liep je op je sokken over het doek om de pruimen op te rapen. ‘Kreuskes’ waren ook bestemd om ingemaakt (geweckt) te worden. In dat geval werd er bij het oogsten niet zo nauw gekeken.
Ging er een boom dood, dan werd er voor weinig geld een nieuwe gekocht. Daarbij maakte het niet zoveel uit of het nu een appel, dan wel een peer of pruim was, als de opengevallen plek maar weer was opgevuld. Deze inboeters [vervangende bomen] hadden het vaak moeilijk om tussen de veel grotere fruitbomen, die veel licht wegnamen, tot wasdom te komen. Bovendien moest er een stevige afrastering omheen worden gezet om het jonge boompje te beschermen tegen de vraatzucht van het vee, meestal koeien, die vaak in de fruitbongerd graasden.

Aan één van de hoogstambongerden bewaart T.V. nog een speciale herinnering. Het betreft een perceel van tien hectare, recht tegenover het zijne. Daar liep rondom de bongerd een spoorlijntje van enkele kilometers, met een lorrie erop die kon worden voortgeduwd. De boomgaard met spoorlijn was eigendom van een gegoede familie, afkomstig uit de baksteenindustrie. Men was dus goed bekend met het smalspoor, dat immers ook gebruikt werd om klei te sporen van de tichelgaten naar de kleiopslag bij de steenfabriek. Een dergelijk spoor was in de bongerd aangelegd, met in het midden een wissel en een houten keetje, waar het treintje doorheen reed. Of waar het gestald werd en dat tevens diende als opslagruimte. Wanneer er aan de straatkant kunstmest was gelost, werd deze met de lorrie opgehaald en over het spoor naar de keet gereden en daar opgeslagen. Als de tijd was aangebroken, werd de kunstmest weer opgeladen en met de lorrie naar alle delen van de boomgaard gereden, waar het ter plekke met de hand werd uitgestrooid.
Echter in de oogsttijd bewees het smalspoor zijn grootste diensten: dan konden de grote zware kisten fruit met het treintje uit de boomgaard naar de openbare weg worden gereden en was men niet afhankelijk van de kruiwagen of paard met kar. Zo kon de oogst – ook wanneer het nat en drassig was – zonder al te grote inspanning uit de boomgaard afgevoerd worden. Dat was voor die tijd natuurlijk een grote luxe en uniek voor een fruitbongerd.

T.V. is nog altijd actief als fruitteler met zo’n twintig hectare fruit, zowel appels als peren. Hij runt het bedrijf samen met zijn zoon. Daarnaast is hij onder andere werkzaam als vrijwilliger bij de hoogstamfruitbrigade, die zich inzet om de hoogstambomen in het landschap te behouden. Nieuwe bomen aanplanten, oude bomen verzorgen en behoeden. Zijn kennis en kunde steekt hij niet alleen in zijn eigen bedrijf, maar stelt hij mede ter beschikking aan de instandhouding van het landschap, in het bijzonder waar het de hoogstamfruitboom betreft.

Kijk ook eens op: