Historische fruitteelt: ”En, ja, zo hoog was dat niet, maar ja goed, alles telde toen.”

Verhaal de heer V. (geb. 1938)

Na een hartelijk welkom door mijn vroegere overburen K. en H. V. uit Ommeren drinken we eerst samen ’n kopje koffie en halen herinneringen op. Dan verdwijnt H. naar de keuken en begint de heer V. te vertellen.

Tekst en beeld Annemieke van Buël

Hij vertelt dat zijn ouderlijk gezin woonde op een boerderij in Ingen, die dateerde uit 1603. In Ingen hadden meerdere boerderijen een bijzondere naam zoals ‘Blijwerve’ en ‘Kommanderie’. Er waren onderaardse verbindingen tussen diverse boerderijen, alsmede een diepe gracht van de een naar de ander, die allen bij een soort klooster hoorden.
Helaas overleed de vader van de heer V. in de oorlogsjaren en vanaf dat moment stond zijn moeder er alleen voor midden in die crisistijd. Over de oorlogsjaren vertelt de heer V.: “Toen was ik dus nog maar ‘n jongetje van ‘n jaar of vier, vijf, en dat kan ik me nog goed herinneren… Toen kregen we ‘t hoge water met de kerk op ‘t hoogste punt. Maar in onze boerderij daar stond op dat moment, ik denk van 75 cm tot 1 meter water in huis. Maar d’r werd overal een oplossing voor gevonden. De koeien die stonden in Ingen in de kerk vastgebonden. En de paarden, die werden in de boerderij op ‘n verhoging gezet en wij hadden dan ‘n ingang – dat noemden ze de plasgoot – daar hadden we gewoon ‘n verhoging en daar werden planken overheen gelegd en dan liepen we zo de trap op. Boven zaten drie of vier huishoudens; eten en drinken was geen probleem voor al die mensen.”
Als anekdote vertelt de heer V. dat er ‘s een hele dikke mevrouw van de plank af viel en pardoes in ’t water terecht kwam. Maar er gebeurde ook wel eens ’n ongeluk bij het aan planken zagen van de kersenbomen; iemand verloor op ’n gegeven moment de toppen van zijn vingers herinnert de heer V. zich. Dan komt het verhaal hoe de koeien vroeger in de stal vastgezet werden met stalrepels en hoe die gemaakt werden. Vroeger lagen de koeien op stro en moest elke morgen de stal uitgemest worden. “Op zich lagen ze echt wel vriendelijk in de stal ’s winters hoor, maar tegenwoordig liggen de koeien op rubber matten.” Zijn moeder heeft in die vroege jaren ooit eens een man weggestuurd – na twee waarschuwingen – die per se een pijp wilde roken tijdens het hooien; levensgevaarlijk en reden tot ontslag.

Nadat er voor de kinderen (twee jongens en drie meisjes) voogden waren aangesteld (na het overlijden van de vader) is hij zelf een aantal jaren in Nijmegen op de lagere school geweest en woonde hij bij een oom. Maar daar hij liever werkte dan leerde, is hij al vroeg weer naar huis teruggegaan. Het werken op de boerderij begon voor hem toen hij vóór op de bakfiets tussen de melkbussen gezeten samen met zijn moeder ’t veld in reed om de koeien te melken. Daar heeft hij nog altijd last van zijn rug aan over gehouden. Zijn broer was meer een akkerbouwer en die doorliep de landbouwschool, terwijl twee van zijn zussen met hart en ziel verpleegster zijn geworden, en de oudste hun moeder tot aan haar eigen huwelijk met het huishouden hielp. Van hun moeder werd wel ‘s gezegd “dat ze twee broeken aan had”, maar ’t was natuurlijk niet niks om als weduwvrouw een boerenbedrijf draaiend te houden.
De heer V. echter was liever bezig met ’t vee en ’t fruit. Hij was niet alleen druk met de koeien, maar ook de paarden hadden zijn interesse, want de boerderij had ook een dekstation voor paarden. In de oorlogsjaren liepen er drie tot vier knechten op het bedrijf, die het moesten doen met negen gulden in de week. Soms viel ’t niet mee om de lonen bij elkaar te krijgen, omdat de verkoop niet altijd veel opleverde. De moeder van de heer V. gaf de knechten dan, als er hard gewerkt was, ook wel eens een kip uit het hok mee als beloning, want ze had hart en oog voor het leven van de mensen.

De heer V. vertelt dat appels vaak in het veld op stro werden neergelegd, maar soms werd er een kamer in de boerderij uitgeruimd om de appels op te slaan. Bij gebrek aan kisten moesten deze direct van de veiling weerom naar de boerderij voor de volgende lading. Rond 1955 werd de eerste sorteermachine – van het nu nog wereldberoemd merk Greva – in Eck en Wiel in gebruik genomen. Je had verschillende types: rond draaiende, dat waren hele kleintjes; dan vielen ze d’r om de zoveel meter op maat uit. Maar je had ook een langere band en dan kwamen ze in bakken. Dat was makkelijker, want dan kon je soms twee bakken gelijk bedienen. Met paard en wagen werd het fruit daarna opgehaald. “En de volgende dag dan was je nieuwsgierig, want dan kwam de veilingbrief, die kwam al aan. Want je wou graag zien wat ze opgebracht hadden. En, ja, zo hoog was dat niet, maar ja goed, alles telde toen” herinnert de heer V. zich. Soms werd het fruit in de kist opgekocht door commissionairs en dat ging meestal naar de appelmoesfabriek. Maar ook werd het fruit – bij de grote fruittelers, als ze te veel hadden – aan de boom publiek verkocht en geveild bij afslag totdat er iemand “Mijn” riep. Dat gebeurde meestal in een café of grote zaal onder leiding van de notaris. Er werd ook wel ‘s “wat gerommeld” zoals de heer V. dat noemt, oftewel: zwart verkocht.

Al het fruit rond de boerderij, dat zo’n zes tot zeven hectare besloeg, was hoogstamfruit: appels, peren, pruimen en kersen. Tussen de appelbomen – die in de breedte groeiden – stonden kersenbomen, omdat die in de hoogte gingen, om en om. Ook werden er bomen met struikvorm onder gezet, maar deze werden na verloop van tijd weer gerooid, als de hoogstambomen groter werden en meer ruimte nodig hadden. Onder deze fruitbomen liep het vee en later in het jaar werd het gras ook weer benut om het op te slaan voor de winter of te verkopen. De heer V. vertelt dat er middels oculeren ook weer nieuwe rassen groeiden; het om-enten werd door mensen van gespecialiseerde bedrijven gedaan, maar de heer V. vond ’t altijd machtig interessant om te zien hoe dat gedaan werd. Het om-enten werd per ent of per uur betaald. De volgende rassen stonden er rond ‘Juffer Hofstad’: Claps, St. Remy, IJsbouten, Gieser Wildeman, Kruideniers, Notarisappel, Keuleman, Goudreinetten, Lemoen, Bramley, Brabantse Bellefleur, Koningszuur, James Grieve. Er kwam af en toe een consulent van het ministerie langs en die gaf dan ter plekke snoeicursussen voor hoogstambomen.

Vervolgens komt aan de orde het bestrijden van ongedierte, schurft, meeldauw, en welke middelen daartoe vroeger gebruikt werden: carboleum, DNOC, Kaptan, Parathion, DDT en Morestan. Dat ging met een losse spuit en daar liep gewoon ‘t paard voor en dan zat er een motor in de spuit en dan kon je spuiten. De paarden konden op deze manier ook een bijdrage leveren in het boerenbedrijf, want ze werden ook gebruikt om het land om te ploegen en de grond fijn te maken. Als kleine jongen mocht de heer V. helpen het koren op te binden, maar aan de zigmaaier, die men toen gebruikte, daar mocht hij niet aan komen. Tijdens het vertellen doet de heer V. voor hoe dat opbinden in z’n werk ging en hoe de bosjes dan tegen elkaar aan gezet werden en zo’n anderhalve week bleven staan, voordat ze opgeladen werden om in de hooiberg gelegd te worden. Dan moest het eerst goed broeien en dan kwam er een bedrijf met een dorskas. Dat gebeurde meestal in de winter en dan werd dat koren gedorst en de vliesjes die eraf kwamen werden weer gespoten, bovenop de stal bij de koeien, en dat voerden ze weer aan de koeien. “Want alles werd benut vroeger”, meldt de heer V. Achter de dorskas stond een ‘hefdingetje’; dan werd de zak dichtgebonden en kwam die zak omhoog en dan werd die op de rug naar de zolder gedragen. Daar werd alles weer uitgekiept en dan kwam ‘t allemaal apart te liggen: gerst, haver, tarwe. In de winterdag kwam de meelboer één keer in de veertien dagen en “Dan moesten we zorgen dat we ‘t weer opgezakt hadden en het bij de trap hadden neergezet, want dan konden ze het weer makkelijk op de schouders vatten. Het ging dan naar de meelboer toe en die maalde ‘t en bracht het twee dagen later weer thuis”. De heer V. vertelt dat hij nog altijd in de molen van Ingen, die weer geheel hersteld en in gebruik is, komt om de huidige molenaar verhalen over vroeger te vertellen.

Rond 1965 vindt de jonge man K.V. een vriendinnetje in het naburige dorp Ommeren. “Dat kostte niet zo veul”, licht hij toe. Dat wordt later zijn vrouw en hij begint bij het ouderlijk huis van zijn schoonouders een beetje te boeren, omdat het boerenbedrijf van zijn eigen familie opgesplitst moest worden. Zijn broer had tien kinderen en die bleef op de ouderlijke boerderij, want “daar moest ook brood op de plank komen.”

In 1972 koopt de heer V. op gunstige voorwaarden de boerderij van de oude W.N. midden in Ommeren en begint zijn eigen florerend en tot heden toe gezond boerenbedrijf op te bouwen. Hij heeft op een goed moment achttien melkkoeien, elf, dertien fokzeugen en zo’n dertig schapen. Hoewel het houden van fokvarkens en schapen als hobby begonnen is, is dat later uitgebouwd en zegt de heer V.: “Toen had ik de winst van de tien fokvarkens, wel ‘s liever als die van de achttien melkkoeien”. De schapen deden ook goed dienst als er nieuw grasland was ingezaaid, want daar krijg je ’n goede grasmat van.
Behalve bloei kent hij op zijn boerderij ook minder goede tijden. In 1995 moet al het vee geëvacueerd worden vanwege het hoge water. De heer V. gaat voor één week met zijn gezin en vee naar Zeewolde. Daarover zegt hij “Het is gelukkig eigenlijk maar ‘n goeie week geweest, want we zijn eigenlijk uit voorzorgsmaatregelen weggegaan, maar ‘t is ‘n behoorlijke impact geweest, want, ja…. ‘t is voor de koeien wat, maar voor jezelf ook.”
In de periode van de blauwtong enkele jaren geleden is de helft van zijn schapen dood gegaan en dat vond hij heel erg. De manier waarop de heer V. over zijn vee spreekt getuigt van respect, liefde en aandacht voor have en goed en zijn vee.

Schapen van de heer V.

Toen de heer V. de boerderij van de oude W. – die zelf in het rechterwoongedeelte van de boerderij tot zijn dood zou blijven wonen – wilde kopen, gaf W. te kennen dat hij het hoekje links van de boerderij zelf wilde houden. “Ja, daar kunnen misschien nog ‘n keer ‘n paar huizen komen te staan”, gaf hij als reden op. Daarop reageerde de heer V. met:
“Nou, dan wil ik de boerderij niet kopen”, waarna de boerderij alsnog aan hem verkocht werd inclusief het hoekje naast het huis. De heer V. heeft daar toen direct hoogstamfruitbomen in gezet: stoofperen en pruimen. Peren: Gieser Wildeman en Conference en pruimen: Eldikse Blauwen en later nieuwere rassen als Opal en Wijnpruimen. En verder staat er in de moestuin van alles en nog wat: bruine bonen, boonheggen, hegprinsesjes, beet, sla, winterwortels, winterprei en al die jaren aardappels als Bildstars, Doré’s, Gloria’s en Frieslanders. En hoewel hij al zo’n dertig jaar aardappels op dezelfde plek heeft staan, heeft hij nog nooit een rotte of verkeerde gehad. Maar hij is er wel erg secuur op: vóór de Kerst – want als je midden in ’t dorp woont “dan wil ik toch de boel netjes om hebben” – wordt de moestuin omgehaald, en gaat er mest uit de koestal op. “En ja”, gaat de heer V. verder “Half maart, 22, 23 maart dan denk ik al aan de eerste aardappels te poten. Dus ik ben d’r wel vroeg bij.” Zijn moestuin is zijn eigen hobby. Hij zegt erover: “Als ik ‘s avonds klaar ben met werk, dan kan ik ‘t laatste beetje wat ik dan nog over hèt, dat kan ik daar nog in kwijt. En dat doe ik met plezier. Hoewel nou, op bepaalde leeftijd, wordt ‘t al moeilijker hoor.”

De oorspronkelijke ouderlijke boerderij is eind zestiger jaren afgebrand. De heer V. vertelt dat het hem pijn gedaan heeft, dat het met het boerenbedrijf van zijn ouders niet goed gegaan is na het overlijden van zijn broer, en dat er nu eigenlijk niets meer van over is. Hij is heel blij hoe het hemzelf vergaan is, hoewel zijn broer meer capaciteiten had volgens hem. En ook dat hij een gezond bedrijf aan zijn zoon heeft kunnen overdragen in 2000, terwijl hij zelf nog elke dag alle mogelijke werkzaamheden op het bedrijf verricht, omdat zijn zoon er nog een baan naast heeft. Hij geniet nog elke dag van zijn werk op de boerderij.

Kijk ook eens op: