Historische fruitteelt: ”Een hoogstam vind ik een machtig mooie boom.”

Verhaal de heer S. (geb. 1930)

Mijnheer S. woont in Brakel. Zijn leven lang werkte hij in deze regio in en rondom de fruitteelt. Soms als ingehuurde zelfstandige arbeidskracht, soms als pachter of eigenaar van boomgaarden. Hij heeft de hoogstamboomgaarden in de Bommelerwaard langzaamaan plaats zien maken voor struiken en spillen. Hoewel zijn hart uitgaat naar de oude bomen, kijkt hij niet nostalgisch om. De moderne tijd bracht ook verbeteringen, en het werk in de hoogstam was zwaar.

Tekst Sandra van Ommering

B.W.S. (1930) woont bijna zijn hele leven al in Brakel, een tuindersdorp in de Bommelerwaard, een gebied met een rijke fruitteelttraditie. Ik spreek hem in zijn knusse woonkamer waar de koekoeksklok ons samenzijn een paar keer vrolijk onderbreekt. Zijn vrouw, die hem altijd heeft geholpen in zijn bedrijf, voorziet ons van koffie en valt zo nu en dan het gesprek bij.
Hij vertelt: “Brakel is mijn geboortedorp. Mijn ouders zijn een paar keer verhuisd. Vanaf de dijk naar uiteindelijk hier schuin tegenover. Dus ik zit waar ik altijd opgegroeid ben. Toen we zijn getrouwd, verhuisden we naar Hedel, waar ik een bedrijf had gekocht. Daar zijn we onteigend, totaal onteigend. Door Rijkswaterstaat, vanwege die rondweg naar Den Bosch. Toen zijn we toch weer hier in het oude dorp terechtgekomen. Ik werkte veel voor fruittelers: spuiten, snoeien en maaien. Later had ik hier zelf een boomgaard, en ook nog een boomgaard in deelpacht. Maar dat was allemaal al na het hoogstamtijdperk. Dat ging om struiken, en later spillen.”

Nooit meer iets van school gehoord
Zijn vader was een kleine tuinder, zoals er veel waren in deze streek. Hij kweekte aardbeien en vroege aardappels. Voor de deur hadden ze twee hoogstambomen voor eigen gebruik: Brederodes stoofperen. “Toen stond bijna bij iedereen wel een appel- of een perenboom bij het huis. En dan vielen ze soms naar beneden op de straat en waren ze behoorlijk gebutst. Maar we moesten ze toch schillen en dan stoven. Er ging niks weg.”
Zijn lagere schooltijd wordt abrupt onderbroken in de Tweede Wereldoorlog, als de school dienst moet doen als opvangplek voor zieken en gewonden. Na de oorlog begint de school weer. “Ik was op weg naar school en halverwege komen er van dezelfde klas al terug. Zij zeiden: ‘Wij hoeven niet meer!’. Dus ben ik maar omgedraaid. Nooit meer iets van school gehoord.” S. gaat vervolgens bij verschillende tuinders uit de buurt aan het werk. Zijn oom, die eerder de boomgaarden van de Heerlijkheid van Brakel onderhield, krijgt van een boer een aantal hoogstamboomgaarden in deelpacht. “Op een gegeven moment zei mijn oom dat hij wel iemand kon gebruiken. Zo ben ik in de fruitteelt gerold.”

Wat er aan kwam, kwam er aan
De boomgaarden van de boer liggen verspreid door voornamelijk de Bommelerwaard. Veel boeren hadden in die tijd wel ergens een boomgaard liggen. S.: “Ze wilden er productie van zien te krijgen. Want wat er aan kwam, kwam er aan. Er liepen koeien onder en eigenlijk kwam er niks van terecht. Dus op een gegeven moment trokken die boeren die wat fruitteelt hadden iemand aan die boomgaarden kon verzorgen. Er was vroeger heel veel werk in boomgaarden, vooral in de hoogstam. En alles moest nog met de hand gebeuren hoor. Toen had je nog zo weinig machines. Zelfs het grasmaaien deed je met de zeis.”
S. somt moeiteloos de rassen op uit de boomgaarden van toen: “Er stonden Sterappel, Goudreinette – het meeste was Goudreinette – Brabantse Bellefleur, Zoete Ermgaard, Groninger Kroon, Kafappel en Gamerse Zuur. En hoogstamperen, veel Legipont en ook stoofperen: Gieser Wildeman en Saint Remy, dat was allemaal nog in die oude boomgaarden. Toen die struiken kwamen, verdwenen al die rassen. Er kwamen betere rassen voor in de plaats; rassen die veel mooier waren en makkelijker te telen. Alleen de Goudreinnette heeft tot vandaag toe volgehouden.”

Plezierige tijd
Eenmaal bij zijn oom in dienst, volgt hij een land- en tuinbouwcursus in een naburig dorp, want, zo zegt hij: “Je moest toch ook een beetje theorie gehad hebben.” Om daarna, één dag in de week, naar de Fruitteeltschool in Geldermalsen te gaan. Daar heeft B. een plezierige tijd. “Het prettige was, die medeleerlingen kwamen vanuit de hele Bommelerwaard. En zelfs uit Zevenaar vandaan. Je kwam met deze en gene in contact. Er waren er veel die uit Nederlands-Indië kwamen. Die waren daar soldaat geweest. Het was een lust om met die jongens om te gaan. Ze hadden altijd wat bijzonders. Van wat ze daar mee gemaakt hadden, nee, daar kreeg je geen woord over uit. Maar wel andere dingen.”
“Eentje kwam er uit S., die had zo’n gesloten legerjeep, zo’n Canadese. En dan gingen we ’s middags, dan moesten we praktijklessen doen, door heel de Betuwe heen. Dan propte hij twintig man in z’n jeep en dan gingen we op pad. Hartstikke leuk was dat. En we konden heel goed met die leraren overweg. Wij hebben meer met die leraren gesproken onder de praktische les, dan feitelijk iets gedaan. Want we zaten altijd met een ploegje rondom zo’n leraar te ouwehoeren. We hadden er een paar goeie praters bij, dus die lokten de leraren naar ons toe en dan gingen we daar zitten praten. Er was een leraar natuur- en scheikunde. Die kwam wel eens kijken als we praktische les hadden. Hij was ook een imker, net als ik, en dan zaten we zo een hele middag over bijen te praten.”

Gewoon ondervinding
Het is dan ook vooral bij zijn oom, in de praktijk, waar hij het vak heeft geleerd. “Gewoon ondervinding, bij mijn oom, daar heb ik alles mee moeten doen. Er waren voor mij, wat bijvoorbeeld snoeien betreft, weinig geheimen meer toen ik op de Fruitteeltschool kwam.”
Bij zijn oom doet de heer S. alle voorkomende werkzaamheden, zoals snoeien, maaien, spuiten, enten en natuurlijk plukken.
“Op de herfst in de pluk werden er diverse mannen en vrouwen aangetrokken om te helpen, want dan had je veel handen nodig. Je had niet zo gauw een heleboel afgeplukt, want dat hoogstamfruit dat was nog wel wat werk om beneden te krijgen. Je stond soms wel met drie man met een ladder in die grote bomen. We hadden er ook een man bij, net zo oud als ik, die ook altijd mee hielp fruit te plukken en die was heel niet bang om op de ladder te gaan. Toen hadden we van die hele grote stoofpeerbomen, Saint Remy, die zaten zó vol. Dan zetten we de ladder schuin en bovenaan tegen mekaar aan en dan liepen we achter elkaar de ene ladder op, al plukkende om de emmer vol te krijgen. En dan liepen we aan de andere ladder naar beneden om hem weer leeg te maken. Toen was je jong, alles kon.”
“We gebruikten plukmanden, die hingen met een houten haak aan de ladder. Als je mand vol was, leegde je die in kisten. Dat waren toentertijd nog kleine kistjes, voor twintig kilo. Vooraan in de boomgaard kwam de vrachtrijder ze ophalen. Hij bracht ze naar de koelhuizen in Z. Het plukken op zichzelf was niet zo zwaar werk, maar als ze dan in de kist zaten, om ze dan in de vrachtwagen te laden, dat was wel zwaar. Die vrachtwagens waren behoorlijk hoog, dus je moest ook behoorlijk hoog tillen.”

Van hoogstam naar struiken
Eind jaren veertig beginnen ze in de boomgaarden waar hij met zijn oom werkt met de aanplant van struiken. “Toen mijn oom daar kwam, had die boer niets anders dan hoogstammen. Maar toen zijn ze struiken aan gaan planten, vijf hectare ongeveer, hier midden in de polder. En vlak buiten het dorp een perenboomgaard van tweeëneenhalf hectare. Dat was allemaal struik. Want dat ging snel hoor, toen eenmaal die struiken in opmars kwamen. Dat werkte veel makkelijker en gaf een hogere productie, dus die hoogstammen verdwenen. Ieder jaar wel wat.”
In die tijd waren er in de omtrek van Brakel nog behoorlijk wat hoogstamboomgaarden. “Toen ik nog naar school ging, had je buiten de dijk op de waard, vlak langs de rivier de Waal, verschillende hoogstamboomgaarden. En hier midden in het dorp … dat noemde je de haag … dat was ook allemaal hoogstamboomgaard. En ja, er was nog wel meer. Niet zoveel grote stukken, maar ze kwamen overal voor. Overal. Nu zijn er eigenlijk alleen maar midden in de polder van de Bommelerwaard nog hoogstammen. In Kerkwijk, daar ligt nog een heel oud stukkie. Dat is in het beheer van het Geldersch Landschap. Maar dat is de enige hoogstamboomgaard die er nog is. In heel de Bommelerwaard.”

Ik wist dat het anders kon
Na dertieneneenhalf jaar bij zijn oom gewerkt te hebben, besluit S. ermee te stoppen. “Ik had het altijd heel goed met mijn oom, maar ik kon er niet meer tegen hoe hij maar moest afwachten wat hij van die eigenaar van die boomgaarden voor materialen kreeg om mee te werken. Want het was geen doen. Je moest alles met de hand doen. Het ging allemaal van je rug af, terwijl er voor een paar centen machines waren waarmee het veel beter en makkelijker ging. Bijvoorbeeld een cirkelmaaier, ik noem maar wat, om gras mee te maaien. Zodat je het niet meer met de zeis hoefde te doen. En hoe je moest spuiten. Je moest het altijd maar met een oud ding doen. Je zat meer te repareren dan dat je werkte. Zulke dingen. Terwijl ik goed wist dat het anders kon. En hoe het eigenlijk moest. Ten lange leste kon ik daar niet meer tegen.”
S. begint daarom voor zichzelf. De eerste jaren voornamelijk als spuiter bij aardbeientelers. “Dat was voor de hand liggend. Het was werk waar je iets aan kon verdienen en kleine tuinders hadden allemaal een hoekje aardbeien. Zelf hadden ze geen materialen om te spuiten en ik had toen zo’n motorrugspuit. Dat deed ik ook bij een tuinder die behalve aardbeien ook fruitteelt had. Hij zegt: ‘joh, als je niks te doen hebt dan kom je maar hier naartoe, want ik heb altijd werk zat’. Dus als ik wat wou doen en ik had geen werk, dan ging ik naar die tuinder. Hij heeft me er gewoon doorheen gesleept.”

Trekker
Zo begint zijn loopbaan als zelfstandige in de fruitteelt. Al gauw gaat hij ook snoeien en maaien bij fruittelers. Hij koopt en pacht boomgaarden in de buurt en al snel weten ze hem vanuit heel de Bommelerwaard te vinden als er gespoten, gemaaid, gesnoeid of zelfs geënt of geoculeerd moet worden. Inmiddels dan wel alleen bij laagstambomen. Zelfs nu hij al weer een tijd met pensioen is, helpt hij nog altijd mee met de fruitpluk bij een fruitteler in de buurt. Zijn trekker wordt dan speciaal voor deze gelegenheid van stal gehaald.
Over het werken in de hoogstam zegt hij ten slotte: “Een hoogstam vind ik een machtig mooie boom. Maar als die bomen niet onderhouden worden, komt er niets van terecht. Ze moeten op tijd gespoten worden, tenminste luisvrij gehouden, en gesnoeid. En het was zwaar werk in die hoogstammen. Ook het snoeien, want je moest altijd klimmen en klauteren en veel snoeihout opruimen. Het moest immers allemaal met de hand gebeuren. Maar in de hoogstammen was het wel heel leuk werk. Het buiten zijn, onder alle weersomstandigheden … Want het is echt niet zo dat het met slecht weer niet prettig kon zijn, hoor. En ook het contact met andere mensen. Je had altijd wel een praatje. Het was gewoon hartstikke gezellig!”

Kijk ook eens op: