Historische fruitteelt: ”Die goede ouwe tijd, ik kan het verlangen begrijpen maar dat komt niet meer terug, dat kan niet meer.”

Verhaal de heer L. (geb. 1924)

Voor me zit een man die makkelijk praat en makkelijk schrijft. Hij heeft maar liefst twee boeken op zijn naam staan. De reden hiertoe is wel, dat hij erg ziek geweest is door een kwaal die veel erger is dan de griep. Daarom wilde hij zijn levensverhaal vertellen en de opbrengst van het boek gedeeltelijk aan KWF Kankerbestrijding geven.

Tekst en beeld Ton de Rijk

“Ik heet A.P. L. en ik ben geboren op 15 december 1924, hier op deze plek, M.straatweg in Asch. Ik ben getrouwd in 1955. Toen was mijn vader weduwnaar en mijn zuster en ik woonde nog bij hem in huis. Later is mijn zuster uit huis getrouwd en mijn aanstaande vrouw L. zou voor mij en voor mijn vader zorgen. Dat hebben we in 1962 gedaan en dat is buitengewoon gegaan, want mijn vader heeft een fijne ouwe dag gehad. Dat weet ik zeker! Niet omdat het mijn vader was, maar ook voor mijn vrouw, want die is buitengewoon goed voor hem geweest. Hij is gestorven in 1978. Mijn vrouw kwam hier vreemd in, met haar nieuwe man waar ze veel van hield. En later vader erbij, het was toch vreemd. En die vriendinnen van haar zeiden: ‘Och, die oude man leeft toch maar een paar jaar’. Maar mijn vader werd 94 jaar, dus dan zit je er lang mee.
We hadden een gemengd bedrijf, ik ben er mee opgegroeid. We hadden vee, bouwland en fruit, zelf geen eigendom maar wat kleine stukjes grond. Mijn vader heeft het geluk gehad dat hij twee ha bouwland heeft kunnen huren, weiland hadden we niet eens. Eens een keer een weilandje huren, het volgende jaar huurden we het weer. Toen was er nog geen pachtwet, je moest zuinig zijn. Het moest betaald worden.”

“De tijd van vroeger spreekt me wel aan. Die goede ouwe tijd, ik kan het verlangen begrijpen maar dat komt niet meer terug, dat kan niet meer. Na de oorlog was het weer een andere wereld. Toen werd zo’n perceeltje opgezet en had mijn vader het geluk dat hij een kersenperceeltje weiland kon huren. Later hebben we van een oom, die dertig ha had, ruim drie ha gekregen. Omdat ik hem veel had geholpen. En later via de ruilverkaveling zijn we uitgegroeid naar tien ha en dan het fruit erbij. Mijn vrouw heeft eerst altijd meegeholpen, maar toen de kinderen er waren is ze thuisgebleven om voor de kinderen te zorgen. Ik moest het alleen proberen. Ik heb dag en nacht gewerkt en altijd mijn geld verdiend en toen ik zeventig jaar was, toen had ik het goed genoeg voor elkaar om verder te leven.”

“In de winter ging ik snoeien. Ik had een zwager, die had mij al voor de oorlog gevraagd samen met hem een boomgaard te snoeien, dat ging met de hand. Dat deden we om in de winter wat bij te verdienen en dat heb ik zo’n dertig jaar volgehouden. In de winterdag heb ik cursussen gevolgd, onder andere veeverloskunde en de fruitteeltvakschool in Geldermalsen. Daar heb ik sorteren en verpakken geleerd. Dat ging, zoals alles, met de hand! Later kwamen de sorteermachines. In mijn jeugd stonden hier in Asch zo’n negentig huizen voornamelijk met een boerenbevolking. Van die 90 huizen, hadden er 88 een varken, veel mensen hadden wel twee varkens. De meelboer leverde een jaar lang het meel. Als in het najaar de varkens goed vetgemest waren, werd er één geslacht voor eigen gebruik en de ander werd verkocht. En daar kon de meelboer weer van betaald worden.”

“Wij waren fruitpachter. Het ene jaar hadden we een boomgaard in Erichem en het andere jaar in Beusichem of Rijswijk. In die jaren stond de Betuwe vol hoogstammen. De hele Betuwe stond vol gepoot met het ‘blijver-en-wijker’ systeem. Een rij Goudreinetten, twaalf meter uit elkaar en dan een rij kersen. Want de kersen konden na vijf jaar al vrucht dragen en op de Goudreinetten moest je wel twintig jaar wachten voordat ze vrucht gingen dragen. Als je maar 3/4 ha had, dan had je een ander systeem, dan werden de bomen geen twaalf meter uit elkaar gepoot. Je wou een vollere boomgaard hebben en dan pootte je iets dichter op elkaar. Dan had je ook andere soorten fruit bijvoorbeeld: de Jasappel, de Campage zoet, de Kaneelzuur, de Keulemannen en de Lemoenappel. En langs de slootkant allemaal Winterjannen en Eldense blauwe, dan kon de slootkant ook nog wat opbrengen. Je had er nooit rekening mee gehouden, je wist je geen raad om ze te plukken, je moest altijd over de sloot. De boom kon er net staan! Zo werd vroeger ingeplant. Die verpachtingen, dat was een héél gebeuren. Je had notaris H. in Opheusden, notaris van E. in Buren en S. in Tiel. In Geldermalsen had je de W. de Z.weg. Nu is het allemaal anders, maar in de jaren vijftig en zestig waren de helft van deze bewoners fruitpachters. Die fruitpachter kon van dat fruit niet bestaan. Hij had er een baan bij. Eentje was postbode; die was met de middag vrij en kon dan ’s middags zijn broer helpen want ze hadden samen een boomgaard fruit. Je had een caféhouder, een slager, een paardenhandelaar, dat was zo verschillend. En als we rond de tijd van de verpachtingen brood zaten te eten, dan zagen we ze aankomen, de kijkers. Er kwamen zo’n zeven à acht fietsers tegelijk voorbij, die hadden de advertentie gelezen van zaterdag. Maandagmorgen, om 13.00 uur of 08.30 uur kwam een hele stoet voorbij, die ging dan kijken. Dat ging dagen door tot aan de verkoping. Er kwamen kijkers uit Schoonderwoerd en ook van Ingen en Wijk bij Duurstede. Als notaris van E. verkoping hield, werden er soms wel vijftig percelen fruit verkocht.”

“Dat schatten van de boomgaard voor zo’n verkoping, dat heb ik als kind van mijn vader geleerd. Dan zei mijn vader: ‘ik ga voor de middag kijken’. Dan vroeg ik: ‘mag ik mee pa’? Dan zei mijn vader: ‘Ja, je moet het ook leren’. En dan liep ik achter mijn vader aan. En dan ging mijn vader al tellend, ‘drie, zeven, negen, veertien’, hardop zodat ik het horen kon en zo ging hij dan door en ik telde mee. En als hij dan uiteindelijk vooraan de boomgaard kwam en zei: ‘… zoveel heb ik er’! En als ik dan zei: ‘zoveel heb ik er ook’. Dan zei mijn vader: ‘nu ga je voor me uitlopen en op het einde zullen we onze telling vergelijken’. Hij zei: ‘zó moet je het volhouden, zó zit je er heel kort bij’! Wij hebben Goudreinetten geplukt, wel 35 kisten van een boom! Dan hoef je niet veel bomen te hebben of je heb honderd kisten. En als je honderd kisten had, dan liep je langs een boom en dan pikte je een klein appeltje, dat stak je in je jaszak en dan ging je weer verder. En als je dan klaar was had je 800 kisten, zo heb ik het geleerd. Maar bij kersen was het anders, eerst de bomen tellen. Bijvoorbeeld: 170 bomen, 20 bomen weggooien want bij het hek is waterschade. Honderdvijftig bomen maal vijftig kistjes van een boom. En zó telde je de kersen. Dus je keek wat er hing. Mijn vader leerde me dat, hij zei: ‘kersen moet je kijken, dan moet zon en wind van dezelfde kant komen’. Wij gingen in hoofdzaak ‘s avonds, dan had je westenwind en ondergaande zon. Bij westenwind gingen de blaadjes omhoog en dan kon je de kersen zien hangen, zó leerde je dat.”

Hoogstamfruitbomen op het erf

“Het oogsten van fruit uit de hoogstambomen was altijd een heel werk. Veel werk en allemaal zware handarbeid. Om te beginnen de arbeiders, daarvan wisten we dat ze in de hoofdzaak hun inkomen hadden van het losse werk als fruitplukker. Dat was eerst in de kersen en later in het jaar het harde fruit, voornamelijk appels en peren. Ook het mat aannemen, dat was eerst grasmaaien voor de hooibouw, later in het jaar het koren maaien. Ook slootgraven, dat toen allemaal met spa en schop moest gebeuren. Er was ook geld te verdienen met aardappels en bieten rooien. En daarnaast had de arbeider meestal een of twee akkertjes bouwland voor eigen beheer. Voor en in de oorlogsjaren waren er in deze streek veel kersenboomgaarden. Als het kersentijd was en ook nog een grote oogst, dan waren er veel plukkers voor nodig. Dat was toen geen probleem; er waren veel losse arbeiders en veel kleine boeren. Dat plukken ging vanzelf daar was je in geboren. De meeste ladders hadden 36 sporten, we hadden er een stuk of drie bij met 40 sporten. Zo’n jonge vent die pakte een ladder met veertig sporten. En een oudere plukker lieten we met ladder met 36 sporten werken. Er waren oudere plukkers bij, die er mee wegliepen als met een kind. D. pakte hem altijd zo: hij pakte hem onder vast en dan tegen zijn schouder, iets hellen zo dat de ladder niet voorover kwam. Als je het gewend was ging het vanzelf, dat kunnen ze tegenwoordig niet meer. Je probeerde zoveel mogelijk goed te mikken om je ladder met een eerste zet op de juiste plek te leggen. Zodat je nooit op de kersen ging liggen, want dan liep het sap van je schort af. En dan plukten we de Citroenappels of de Bloemee. Daarna de Lemoenappel, Sterappel en Kaneelzuur en ook de Maagdenperen dat waren de zomerrassen, die moest je zo rond 20 september in de kist hebben. Zo rond 1 oktober begon de pluk van de Goudreinetten, de volksappel, een bewaarappel. De Goudreinet werd ook het meest geteeld. Van de twintig variëteiten was de Goudreinet nummer 1. In de oorlogsjaren hadden we de boomgaard van de V. bij de eikenboom gepacht. De Kaneelzuur, eerste soort, werd geveild voor drie centen de kilo. Na de oorlog werden de Kaneelzuur in de voorverkoop aangeboden en op monster geveild aan de veiling Geldermalsen. Omdat het nu na de oorlog was kocht D. Z. uit Zaltbommel die vijfhonderd kisten met appels voor vijftig cent per kilo. De Kaneelzuur was een hele doffe appel en rondom gekleurd, wat groter dan de Jonagold van de latere jaren, alleen de smaak van de latere jaren zat er niet aan. Ook al kostte het bewerken, snoeien en spuiten van een hoogstamboomgaard veel meer dan de laagstamboomgaard van tegenwoordig. Moet je niet denken dat ik heimwee heb naar de hoogstamboomgaarden van vroeger, maar met het verdwijnen van die hoogstammen is toch iets heel moois van vroeger verdwenen. Als we nog even stil blijven staan bij de Kaneelzuur, in de bloesemtijd wist iedereen ze te vinden, omdat ze voor aan de weg stonden. Tweeënvijftig bomen en bijna alle jaren vol met donkere roze bloesem. In die jaren was de boomgaard van de V. in de bloesemtijd net zo bekend als in weer wat latere jaren de A.dijk in Mariënwaard.”

“Ik wil nog wat vertellen over de huisverkoop. Zaterdags gingen we met paard en wagen naar Zoelmond want dan waren er appelen en peren besteld. ‘Zeg, als je Bloemee hebt, heb je dan een kist val voor mij, breng er maar drie, want ik kan ze drogen bij de bakker, droge appeltjes’. ‘Zure val, heb je die ook nog’? ‘Ja, want Citroenappelen hadden we ook’. Er werden verschillende rassen geteeld hier. Er waren klanten bij, die moesten een goed kistje Jasappelen hebben. Andere wilden peren hebben. En dan deden we meest dertig kisten op de wagen, het paard ervoor en dan gingen we Zoelmond rond. En als je dan een kist zoete appelen had! Bij G.L. daar hadden ze een wasteil. ‘Giet ze hier maar in’! Er stonden vier jongens omheen, verlekkerd te kijken. ‘Eentje en niet meer, je moet niet denken dat het geld op mijn rug groeit’, zei ze dan. Je had een hoop van die klanten. ‘Een kistje val voor een gulden, mijnheer’! En zo ging dat. We hebben ze een keer bij tante W. gebracht, een kistje gevallen Goudreinetten. Tante W. vroeg: ‘Wil je ze even bovenbrengen en giet ze maar op de deken uit’. Dat deed je dan. En dan stond er boven een bed en dan moest je ze boven op de deken gieten. En dan beurde je beneden een gulden. Iedere week ging je rond. De schoolmeester was al een keer bij ons geweest, bij het sorteren. Goede appelen, mooie appelen, ja díe kosten zoveel en die anderen kosten zoveel. Voor twintig per kilo, ja en dan had je twintig kilo in een kist. Voor vier gulden per kistje, daar wou hij wel een kistje van hebben en van die stoofperen ook wel een kist. Bij elkaar had hij vijf kisten besteld. Ik zou ze bij hem brengen. Ik had een grote kruiwagen gepakt en een kist onderin gezet met twee keer twee kisten er bovenop. B. ging mee en hield de kisten vast. Ik reed naar de schoolmeester, hij woonde in de S.straat vlak bij de slager om de hoek. ‘Ja, ben je daar, goed zo’!, zei hij en hij kwam kijken en vroeg wat kosten die appelen. Hij ging een kistje halen. ‘Dan neem ik toch de stoofperen’. En hij naar binnen. Ik zeg tegen die ouwe B.: ‘wat denk je ervan’? B. zei: ‘laat ze verrekken’! Voordat de schoolmeester terug was met de kist, draaide B. de kruiwagen om en gingen wij weer terug. Ik had met vijf volle kisten gereden en nu wilde hij er maar een van nemen. Hij had er notabene vijf besteld! Die maakte je mee, zulke dingen!”

“Als je mij vraagt wat ik mooi vind aan het leven? Ik heb alles mooi gevonden aan het leven, ik ben 85 jaar en ik heb kanker. Dus als ik het over zou kunnen doen, zou ik weer in dezelfde voetstappen verder gaan, absoluut! Boeren, het vee en het fruit.”

Kijk ook eens op: