Historische fruitteelt: ”De nostalgie voor de hoogstam moeten we behouden, voor het landschap moeten we het behouden.”

Verhaal de heer O. (geb. 1939)

Voor het interview met mijnheer O. moest ik in de O.wijk in Geldermalsen zijn, voordat ik de straat gevonden had, kende ik alle namen van het koninklijk huis. Daar vertelt de heer O. zijn verhaal:

Tekst Ton de Rijk

“Ik werd geboren te Delft op 7 januari 1939. Toen ik drieënhalf jaar was, zijn we verhuisd van Delft naar Echteld in de Betuwe. Daar had mijn vader een boerderijtje gekocht met appelbomen, onder andere Franse Bellefleuren, Yellow’s, pruimen en bessen. We hadden vier koeien en een paard en m’n vader ventte dagelijks langs de deur met fruit. Mijn moeder was gestorven voordat we in Echteld kwamen wonen, mijn tweede moeder was mijn moeders zuster, dus mijn tante. Zij is altijd bij ons gebleven en heeft altijd voor ons gezorgd. We waren met drie kinderen: ik, mijn broer P. en zus T. O. Ik heb het vak van fruitteler niet thuis geleerd. Ik ben eerst in Echteld op school gegaan en daarna naar de Tuinbouwschool in Tiel en als veertienjarige jongen bij de familie F. in het fruit gaan werken. Als jongen zijnde moest ik daar van 06.00 tot 18.00 uur werken en zaterdags tot 16.00 uur ’s middags. Na een half jaar hoefde ik zaterdags ‘s middags niet meer te komen. Ja, de vrije zaterdag en dat voor elf gulden in de week van 06.00 tot 18.00 uur en zonder overuren. Toen ik weg ging, ik was inmiddels achttien jaar, had ik 27 gulden. Ja, toen ging het beter, toen was ik vakbekwaam en had ik alles geleerd. Bij de familie H. waren zeven knechts en een bedrijfsleider en het bedrijf was 27 ha groot, alleen maar hoogstammen en een verschrikkelijke grote boomgaard kersen. De knechts zijn van lieverlee vertrokken en ik ben met de bedrijfsleider A. D. overgebleven en nog een zekere J. O. en we hebben het met z’n drietjes geklaard. We hadden meer appelen dan peren, de boomgaard ‘De H. H.’ was een Goudreinettenboomgaard, daar tussenin stonden kersen.”

“Later zijn die Goudreinettenbomen groter geworden en hebben we die kersenbomen gerooid. Toen kwam er nog een oude baas, B. uit Echteld, die rooide de bomen met de bijl. Eerst de grond weghalen rond de boom en dan hakken met de hakbijl. Dat was een mooi werk, die grote bomen omhakken, dan lagen er ongeveer drie à vier per dag om. De kersenstammen werden onder andere gebruikt om kisten van te laten maken, ja, ja, we moesten ook kisten hebben. Bij slecht weer werd er dan in de schuur gezaagd. We hadden een cirkelzaag aangedreven door middel van een riem aan de achteras van de tractor. Eerst werd er een partij hout naar binnen gereden en dan werd de tractor voor de zaagmachine gezet; de poelie eraan en dan het zaagdingetje vastzetten en tenslotte de riem eraan. Ik mocht niet eens zagen, dat deed A.D. zelf. Ik moest alleen het stuk hout op de cirkelbank leggen en dan duwde A. het zelf tegen de zaag. We zijn er ‘s morgens aan begonnen, we hadden geen beveiligingskap op! Ik vergeet het nooit, zo rond 11.00 uur roept A.: ‘Ik ben niet erg goed G., ik heb pijn in m’n hoofd, ik moet overgeven’. Ik zei: ‘ik voel me ook niet goed’. We hadden een onder- en een bovendeur, dus even de bovendeur open en even frisse lucht inademen. We knapten weer wat op en dan maar weer zagen, en dan maar weer het hoofd buiten de deur. Het was koud, gauw maar weer aan de gang en wij weer aan het zagen. We werden weer niet goed, pijn in ons hoofd. A. zei: ‘weet je wat we doen, we stoppen er mee, we doen het niet meer!’ Achteraf bleek natuurlijk, dat die tractor daar maar stond te blazen, wel lekker warm natuurlijk! Die stond maar te pruttelen en daardoor bleven de uitlaatgassen binnen. We zouden ons zelf vergeven hebben in die schuur en we hadden het niet in de gaten. Het was binnen zo verleidelijk warm en buiten was het zo koud joh, het vroor dat het kraakte en wij stonden lekker warm bij de kachel te zagen.”

“Zo deden we de tijd opvullen, om te snoeien was het te koud, dat deden we ook zelf niet dat werd uitbesteed. Dat werd uitbesteed aan L., dat waren drie broers en die snoeiden in de winterdag alles. Die waren de hele winterdag onder de pannen, met stokzagen en het kleine zaagje op de leer [net zoals je appels plukte] snoeiden zij de bomen. Het werd niet per uur maar per ha aangenomen, of ook wel eens per hoek namen ze dat aan. Ze kwamen dan ‘s middags, want ‘s morgens was het te koud natuurlijk, want in die tijd waren er nog strenge winters. De familie F. bewoonde een groot huis (red: wat nu P.burg heet) die hadden daar een grote kachel in huis staan en ik als kleine jongen zijnde moest dan die kachel twee keer per dag vol hout doen om het huis te verwarmen. Ja, dat was een mooie tijd! En dat weet ik nog goed, dan kwam mevrouw naar me toe, ‘wil je niet wat drinken?’ En dan kreeg ik limonade en een koekie of een snoepie erbij. En dan moest ik even binnen komen, dat was een hele eer! Het waren sociale mensen, goede mensen, hele goede mensen!”

“Met de baas hadden we een goede werkverhouding, het was maar een klein manneke, maar wel een baas. Je moest keurig netjes werken en serieus. Want hij hield er niet van dat je de boel belazerde, maar als je het netjes deed kon je alles met hem doen. O wee, o wee als je het niet goed deed, dan kon je de straat op, dan kreeg je op staande voet ontslag. In het voorjaar was ik druk: nachtvorstbestrijding, spuiten en maaien bijna allemaal handarbeid. Over dat maaien wil ik nog wel wat vertellen, het was maaien en maaien. Dagen achtereen achter zo’n maaimachine met vingerbalk en dan die slootkanten uit maaien, vreselijk werk. Je moest uitkijken dat je niet in de sloot terecht kwam, want hij trok je er maar zo in. Ik was nog bevoorrecht want vroeger deden ze dat met de zeis. Dat konden die oudere mensen goed, en mij ging het ook niet slecht af, alleen dat haren van zo’n zeis, dat heb ik nooit kunnen leren. En dan zei zo’n oud baasje wel eens: ‘Kom eens hier ik zal het jou wel leren’. En dan ging die op een zak zitten het haarspit [aambeeld] in de grond, de zeis er boven op en met de haarhamer maar tikken of kloppen. Op de snede van de zicht kloppen en zodoende het snijvlak zo dun mogelijk maken, om het snijden te vergemakkelijken. Het was een geduldig werkje en dat geduld had ik schijnbaar niet, ik heb het wel geprobeerd. Die van hun waren zo scherp, zo glad, terwijl die van mij golfde ik sloeg hem te dun. Ik sloeg er te hard op, je moet de haarhamer gewoon laten zakken, ik heb daardoor verschillende zeisen naar de sodemieter geholpen. Dat maaien met zo’n zeis ging me goed af. Ik weet nog goed, dan begonnen we ’s morgens te maaien met de zeis. De hele boomgaard maaien en dan hooien onder de bomen, en dan het gras naar het midden en dan schudden met hark en gaveltje [hooien]. Ja, ja de baas moest het hebben voor de koeien natuurlijk. Ze hadden meer land waar de koeien liepen en daar moesten wij het hooi naar toe brengen. Ja, maar nee dat was een heel gesjouw, maar altijd met plezier, mooie tijd een leuke tijd. Ondanks dat ik zeventig jaar ben, ben ik blij dat ik dat mee gemaakt heb, al was het een moeilijke tijd.”

“De verkopingen en verpachtingen van fruit, dat was in Echteld altijd een heel gebeuren, dat deden we naast het ‘W. van B.’. Dan kwam de notaris ’s avonds en het hele dorp liep dan uit. De notaris nam plaats op een platte boerenwagen, stoelen en tafels werden er op gezet en dan ging hij met twee of drie man achter de tafel zitten, waaronder de afslager. Ja, dan had hij een briefje, ‘wie biedt er geld voor de boomgaard ‘De H. H.’ en wie biedt er voor ‘De N. M.’? Wie biedt er?’ En dan ging dat met een tientje omhoog. Op een gegeven moment was daar de hoogste bieder, die had: ‘MIJN!’ geroepen. Dagen van te voren liepen kopers te schatten en te kijken. Er liepen verscheidene mensen van allerlei pluimage door de boomgaard om de bomen te bekijken. En de een vertelde tegen de ander: ‘Nou, dat valt tegen, d’r zitten er niet zo veel aan! En heb je het gezien? De kwaliteit is er niet naar!’ En er werd gezegd: ‘Ik geloof dat hij niet voldoende gespoten heeft!’ Maar op de verkoping boden ze het hoogste bedrag. Want ze wilden het wel hebben, ze wilden het voor elkaar niet weten.”
“De pluktijd was een mooie tijd, het begon al met het schoren van de bomen die overladen waren met fruit. Er moest tijdig geschoord worden, de afhangende takken omhoog beuren en daar een schoor onderzetten. Een heel karwei eer dat je zo’n grote boomgaard Goudreinetten geschoord had, gemiddeld zo’n tien schoren onder een boom. Dat deden we met twee man, de een opzetten en de ander vast in de grond drukken zodat de schoor bleef staan, dat die er niet onder uit glee. Ja, dat was wat, dat heb ik ook nog gedaan. Daarom zeg ik, je heb nou werk maar toen had je altijd werk. Je viel van het een in het ander. Als we gingen plukken dan hadden we wel zo’n 30, 35 plukkers allemaal van die boeren met een pet op, meestal zelfstandige mensen. We begonnen met de Yellow’s, die kwamen vroeg in de tijd. Ik weet nog goed dat de baas trakteerde, dan kregen we een gulden voor een kilo Yellows. En als je kijkt wat het toen kostte met nu vergeleken, dan zat daar toch een hemelsbreed verschil in. Ik wil er dit mee zeggen, nu plukken we veel meer kilo’s, toen had je een ha Yellow’s maar je had natuurlijk veel minder kilo’s. Maar toch een gulden voor een kilo Yellow’s, voor die tijd was het een gouwe handel. Maar in de volle pluk had je wel 35 mensen, maar een groot aantal waren bezig om lege kisten in te brengen en de volle kisten er uit te rijden. En op de weg de volle kisten van de ene wagen op de andere zetten, allemaal handwerk. En nou dat plukken, we plukten allemaal met ladders van zo’n 42 en 44 sporten, ja dat waren hele jongens. Ze plukten allemaal op ladders anders was er niet. Ik weet nog goed dat ik nog jong was en die ladders allemaal moest verzetten. Er was er eentje die voor mij de ladder verzette. Hij stuurde mij omhoog, dan kon ik die uiterste takken plukken, waar bijna geen ladder tegenaan te zetten was.
We plukten ook Sterappels, dat was nostalgie, want we hadden die Sterappels voor de bestuiving tussen de andere fruitbomen staan. Die Sterappels waren ook grote bomen en het ene jaar had je veel meer Sterappels dan het andere jaar. Soms had je ze drie jaar achter elkaar niet. Dan zaten ze het volgende jaar zo vol, dat ze er niet af te krijgen waren.
Zo gauw de nachten kouder en helderder werden en de temperatuurverschillen groter, dan kleurden ze goed. Als je die manier van oogsten vergelijkt met hoe het er tegenwoordig aan toe gaat: een treintje in de boomgaard, daar staan zes mensen aan en de enige handeling die men doet is, drie appels van de bomen nemen en ze voorzichtig in de voorraadkist leggen en dan weer de volgende handeling, de hele dag door. Vergelijk dat nu eens met vroeger, dan wil je toch niet meer terug naar die tijd?”

Kijk ook eens op: